Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2451

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
24-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_4993 en 20_4994
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/4993 PW, BRE 20/4994 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2021 in de zaken tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen, advocate te Roosendaal,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 10 februari 2020 (bestreden besluit 1) betreffende herziening (juli 2018) en intrekking (augustus 2018) van de bijstandsuitkering van eiseres, heeft het college het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (commissie) van 27 januari 2020.

In een besluit van eveneens 10 februari 2020 (bestreden besluit 2) betreffende de terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres, heeft het college het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de commissie van 27 januari 2020. Ter zitting is toegelicht dat de terugvordering ziet op de maanden juli en augustus 2018.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

De beroepen van eiseres zijn besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op
12 februari 2021. Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde en mr. M. Niessen namens het college. Tevens was voor eiseres aanwezig [naam begeleider], ambulant begeleider van [naam B.V.]

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres ontvangt sinds 23 juli 2015 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Na een IB-vermogenssignaal dat eiseres op
31 december 2018 beschikte over een vermogen ter hoogte van € 8.411,- is het college een onderzoek gestart naar haar recht op bijstand.

In het kader van dat onderzoek heeft het college eiseres bij brief van 20 augustus 2019 gevraagd om vóór 3 september 2019 alle bankafschriften van haar bank- en spaarrekeningen vanaf 1 juni 2018 tot 20 augustus 2019 in te leveren.

Bij brief van 4 september 2019 heeft het college eiseres vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 11 september 2019 over de hoogte van haar vermogen en een aantal onduidelijkheden over een aantal bijschrijvingen/transacties.

Bij brief van 16 september 2019 heeft het college eiseres verzocht vóór 30 september 2019 aanvullende gegevens in te leveren, waaronder de rekeningen van de elektrische fiets en de autoschade en een schriftelijke verklaring van haar zus over gestorte bedragen.

Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft het college het recht op uitkering van eiseres opgeschort met ingang van 1 oktober 2019 vanwege het ontbreken van een reactie op de brief van
16 september 2019, waarbij haar een hersteltermijn tot 17 oktober 2019 is geboden.

Op 4 oktober 2019 heeft eiseres het college laten weten dat zij de gegevens al met de post had verstuurd. Hierop heeft eiseres gevraagde gegevens op het Stadskantoor afgegeven.

Vervolgens heeft het college de primaire besluiten genomen. In de bestreden besluiten heeft het college de primaire besluiten gehandhaafd, maar de motivering aangevuld met een verwijzing naar artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet en verder de betreffende maanden aangepast.

2. Geschil

In geschil is of het college terecht en op goede gronden de bijstandsuitkering van eiseres heeft herzien over de maand juli 2018, ingetrokken over de maand augustus 2018 en teruggevorderd over de maanden juli en augustus 2018.

3. Beroepsgronden

Eiseres heeft in beroep haar bezwaargronden herhaald. Eiseres stelt – samengevat – dat de stortingen van haar zus als gift moeten worden aangemerkt, dat het beleid van het college onduidelijk is, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen en dat de terugvordering onterecht is gehandhaafd.

4. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Beoordeling

Zaak 20/4993 PW

5.1.

Herziening en intrekking van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening dan wel intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:6 en van 22 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3351).

5.2.

Tussen partijen staat vast dat er contante stortingen op de rekening van eiseres hebben plaatsgevonden op 4 juli 2018 (€ 400,-) en 3 augustus 2018 (€ 3.000,-), die in beginsel kunnen worden aangemerkt als giften. Tevens staat vast dat eiseres deze stortingen niet uit eigen beweging heeft gemeld bij het college.

5.3.1.

Eiseres stelt dat de stortingen eenmalige giften van haar zus zijn, die, al dan niet op grond van beleid, moeten worden vrijgelaten, omdat het geen middelen zijn in de zin van artikel 31 van de Participatiewet. De giften hadden geen terugkerend of periodiek karakter, waren bestemd voor eenmalige noodzakelijke kosten (aanschaf elektrische fiets, reparatie van autovoorruit en materiaal van Praxis om de wanden van haar woning te behandelen) en zijn daarvoor ook gebruikt, waardoor er geen ruimte was voor vrije besteding. Eiseres heeft voldoende aangetoond wat de aard, herkomst en het doel van de gestorte bedragen was.

5.3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1808, en van 28 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:194) worden (kas)stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet beschouwd.

5.3.3.

Op grond van artikel 31, tweede lid, onder m. van de Participatiewet is het aan het college om te bepalen of een gift uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is en uit hoofde daarvan niet als middel geldt. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat het bij de uitvoering van dit artikel een vaste gedragslijn hanteert, waarin staat dat giften in beginsel worden vrijgelaten, tenzij deze bestemd zijn voor kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen. Ook staat in de gedragslijn dat, om te kunnen beoordelen of een gift verantwoord is, moet worden gekeken naar de bestemming en de hoogte van de gift. Deze gedragslijn van het college blijft naar het oordeel van de rechtbank binnen de grenzen van een redelijke wetstoepassing. Het feit dat deze gedragslijn niet is gepubliceerd, maakt dit niet anders. Het college kan immers ook zonder deze gedragslijn hetzelfde besluiten. Daarbij is van belang dat de gedragslijn aansluit op het gestelde in de Memorie van Toelichting bij artikel 31, eerste lid, aanhef en onder m, van de Participatiewet (TK 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 58). De desbetreffende passage luidt als volgt, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op de laatste volzin daarvan: “Giften worden eveneens niet tot de middelen gerekend voor zover dat, gezien de bestemming en de hoogte van de gift, uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. (….) Gezien het minimumbehoeftekarakter van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat betreft de hoogte van de gift geldt dat het in de rede ligt om de gift in aanmerking te nemen voor zover cumulatie daarvan met de bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is. Wat betreft de bestemming is met name van belang of de gift betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen. Als dit het geval is, of als de gift ter vrije besteding is, kan dit aanleiding zijn om de gift volledig in aanmerking te nemen” (zie onder andere de uitspraak van de CRvB van 5 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3033).

5.3.4.

De rechtbank kan het standpunt van het college volgen dat, hoewel de herkomst van de door eiseres op 4 juli 2018 en 3 augustus 2018 gestorte bedragen duidelijk is (afkomstig van haar zus), hier niet kan worden beoordeeld of sprake was van giften die verantwoord waren als bedoeld in overweging 5.3.3. Eiseres heeft namelijk de bestemming van de stortingen niet aannemelijk gemaakt met objectieve en verifieerbare gegevens. Uit de omschrijving bij de stortingen op de bankafschriften blijkt niet wat de bestemming van de giften was en eiseres heeft ook anderszins niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de bedragen zijn besteed aan de elektrische fiets, reparatie van de autoruit en herstel van muren. Weliswaar heeft de zus van eiseres op 15 oktober 2019 en 14 april 2020 verklaard dat zij incidenteel financiële ondersteuning bood aan eiseres in haar leefomstandigheden met de ziekte MS en andere persoonlijke beperkingen, bijvoorbeeld bij de kosten van een elektrische fiets; toch liggen naar het oordeel van de rechtbank de data van de stortingen en de data van de door eiseres overgelegde facturen niet zodanig dicht bij elkaar liggen dat daarin ondersteuning kan worden gevonden voor de stelling van eiseres. Zo dateert de overgelegde factuur van de fiets van mei 2017 en zijn de facturen van Carpetright van februari/maart 2018, terwijl de kasstortingen pas in juli en augustus 2018 zijn gedaan. De autoruit is wel gerepareerd rond de tijd van de stortingen, maar daarvoor -en ook ten aanzien van de muren- geldt dat deze uitgaven zijn aan te merken als kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen. Daarvoor is op grond van de gedragslijn van het college vrijlating niet mogelijk. Verder kon eiseres op haar bankrekening vrijelijk over de bedragen beschikken (een deel daarvan heeft zij ook naar haar spaarrekening overgeboekt), waardoor zij de bedragen had kunnen aanwenden voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Het college heeft dus in overeenstemming met zijn vaste gedragslijn besloten. De grond van eiseres slaagt dan ook niet.

5.4.1

Eiseres stelt dat het haar redelijkerwijs niet duidelijk was dat zij de ontvangst van de giften moest melden.

5.4.2.

De rechtbank overweegt dat college zich in dit kader terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inlichtingenplicht uit artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:617). Eiseres heeft het college niet geïnformeerd over de door haar ontvangen stortingen, waarvan de bestemming (grotendeels) onduidelijk is gebleven. Het had haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de informatie van belang was voor haar recht op bijstand. Volgens de wet worden giften niet zonder meer uitgezonderd van het middelenbegrip en bij onbekendheid van eiseres met de voorwaarden daarvoor had zij zich tot het college kunnen wenden. Zij had dus inlichtingen moeten verstrekken en heeft dat nagelaten, waardoor zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. De grond van eiseres slaagt niet.

5.5.1.

Eiseres stelt tevens dat het college niet heeft toegelicht waarom de gift in 2019 wél is

vrijgelaten en in 2018 niet. In dit kader heeft het college aangegeven dat het een onjuist besluit was om de in 2019 ontvangen gift van € 200,- niet als middel in de zin van artikel 31 van de Participatiewet aan te merken.

5.5.2.

De rechtbank overweegt dat het college voldoende heeft onderbouwd dat sprake is

geweest van een kennelijke misslag. Hierbij is van belang dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan in beginsel niet gehouden is een gemaakte fout te herhalen en de bevoegdheid toekomt om een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met geschreven of ongeschreven recht. Daarbij is onder meer van belang of betrokkene redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat het oorspronkelijke besluit onjuist was en hij er dus rekening mee had moeten houden dat de gemaakte fout na ontdekking hersteld of niet herhaald zou worden. In dit geval had eiseres in elk geval na het waarnemen van twee evident tegenstrijdige handelswijzen van het college omtrent dezelfde soort stortingen – vrijlating in 2019 en geen vrijlating in 2018 – kunnen begrijpen dat er iets niet klopte. Zij had hierover om opheldering kunnen vragen bij het college (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 28 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1619 en van 4 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2957). De grond van eiseres slaagt dan ook niet.

5.6.1.

Verder stelt eiseres dat sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van beleid rechtvaardigen. Zij lijdt aan de ziekte MS, waardoor zij behoefte heeft aan een auto en een elektrische fiets.

5.6.2.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan, gelet op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1084). Eiseres heeft in dit kader aangevoerd dat bijzondere omstandigheden zijn gelegen in haar ziekte MS. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze ziekte voor eiseres belastend kan zijn, is zonder een voldoende specifieke nadere toelichting niet aannemelijk dat toepassing van de onderhavige gedragslijn zou leiden tot een onevenredig nadeel voor eiseres. Hierdoor is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met analogische toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de gedragslijn had moeten afwijken. De grond van eiseres slaagt niet.

5.7.

Uit het voorgaande volgt dat het college terecht op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet het recht op bijstand van eiseres over de maand juli 2018 heeft herzien en over de maand augustus 2018 heeft ingetrokken vanwege schending van de inlichtingenplicht.

Zaak 20/4994 PW

5.8.1.

Eiseres stelt dat in bestreden besluit 2 onterecht de terugvordering is gehandhaafd. Zij stelt dat zij onvoldoende financiële middelen heeft om het terugvorderingsbedrag terug te betalen. Zij heeft hoge kosten door haar verhuizing en heeft nog een eerdere terugvordering van het college wegens te laat terugkeren van een vakantie naar Australië.

5.8.2.

Volgens vaste rechtspraak doen dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken (zie bijvoorbeeld de recente uitspraak van de CRvB van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:487).

5.8.3.

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt al dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van de stortingen in de maanden juli en augustus 2018. Hierdoor was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet gehouden de over die maanden te veel verstrekte bijstand van eiseres terug te vorderen. In de stelling van eiseres zijn naar het oordeel van de rechtbank geen dringende redenen in de zin van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet gelegen op grond waarvan het college diende af te zien van de terugvordering. De rechtbank kan dan ook het standpunt van het college volgen. Daarbij merkt de rechtbank – evenals het college – op de eiseres zo nodig bescherming kan inroepen van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, en dat de verwijzing naar de terugvorderingsbeschikking van 3 juli 2018 geen doel treft, omdat deze terugvordering in december 2018 al geheel was terugbetaald. De grond van eiseres slaagt dan ook niet.

5.9.

Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 14 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet luidt, voor zover van belang:
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 31 van de Participatiewet luidt, voor zover van belang:
1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande heffingskorting.

2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

m . giften voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;

Artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet luidt, voor zover van belang:
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet luidt, voor zover van belang:
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet luidt:
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.