Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2444

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6689 WVW

uitspraak van 12 mei 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

de directie van de RDW , verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2019 (primaire besluit) heeft verweerder de tenaamstelling van het voertuig van eiser met kenteken [kentekennummer] (hierna: voertuig) vervallen verklaard.


Verweerder heeft het daartegen gerichte bezwaar van eiser bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit I) van 14 november 2019 ongegrond verklaard.

Het daartegen gerichte beroep van eiser is behandeld op zitting in Middelburg op 19 augustus 2020. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen.

Verweerder heeft op 15 september 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit II genomen).

Bij brief van 5 oktober 2020 heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat hij verzoekt om vergoeding van de kosten die hij als gevolg van het primaire besluit heeft moeten maken.

Het beroep is vervolgens behandeld op een tweede zitting in Middelburg op 31 maart 2021. Eiser was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger ] .

Overwegingen


1. Feiten

Eiser is sinds april 2011 eigenaar van een Citroën 2CV Special uit 1982 met kenteken [kentekennummer] . Op 28 mei 2019 is dit voertuig niet door de periodieke Apk-keuring gekomen wegens roestvorming in het chassis. Op 1 juli 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend voor de vervanging van een vermist kentekenbewijs.

Bij primair besluit heeft verweerder de tenaamstelling van het voertuig vervallen verklaard, omdat niet vast stond dat het kentekenbewijs bij de carrosserie hoorde. Dat had tot gevolg dat het kentekenbewijs niet langer geldig was. Eiser was daardoor geen houder, bezitter of eigenaar meer van het voertuig. Het daartegen gerichte bezwaar heeft verweerder bij bestreden besluit I ongegrond verklaard.

Eiser heeft daar beroep tegen ingesteld en dat beroep is behandeld op de eerste zitting in Middelburg . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen. De rechtbank wilde duidelijkheid over de vraag welke gevolgen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 april 20171 had voor het bestreden besluit.

In het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het bestreden besluit I ingetrokken. Verweerder heeft besloten dat het voertuig weer in het kentekenregister zal worden geregistreerd en dat de ingenomen kentekenplaten aan eiser worden geretourneerd. Verweerder heeft daartoe met inachtneming van de uitspraak van de ABRvS besloten, omdat uit nader onderzoek is gebleken dat geen aanleiding bestond de tenaamstelling van het voertuig vervallen te verklaren.

Bij brief van 5 oktober 2020 heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat hij verzoekt om vergoeding van de kosten die hij als gevolg van het primaire besluit heeft moeten maken.

2. Procesbelang

2.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, omdat verweerder volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen door het primaire besluit te herroepen. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

3. Het verzoek om schadevergoeding en proceskosten

3.1

Eiser heeft verzocht om vergoeding van de kosten die hij als gevolg van het primaire besluit heeft moeten maken. Kort samengevat zijn dit reiskosten, stallingskosten, kosten voor een deskundige, kosten voor schorsing van de auto, kosten voor nieuwe kentekenplaten, immateriële schade als gevolg van gederfd rijplezier, een verkeersboete en opstartkosten van het voertuig.

3.2

Ter zitting zijn eiser en verweerder overeengekomen dat verweerder een bedrag van € 1.500,- zal betalen aan eiser voor de door hem geleden schade en de door hem gemaakte proceskosten. Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegezegd dat zij de verkeersboete van € 149,00 zullen vergoeden, wanneer die boete niet wordt vernietigd in de daartegen door eiser gerichte procedure.

3.3

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de opstartkosten die eiser stelt te hebben gemaakt. Eiser heeft een factuur overgelegd van 25 februari 2020 waaruit blijkt dat hij € 301,29 (inclusief btw) heeft betaald voor het opstarten van het voertuig. Eiser stelt dat hij die kosten heeft moeten maken omdat het voertuig als gevolg van het onrechtmatige besluit van verweerder langdurig stil heeft gestaan. Verweerder is niet bereid om die kosten te vergoeden, omdat volgens de directie een causaal verband ontbreekt tussen de opstartkosten en het besluit van verweerder. Het voertuig stond volgens verweerder al in de opslag op het moment dat het primaire besluit werd genomen. Volgens verweerder is niet uitgesloten dat de auto al langer heeft stil gestaan en dat de opstartkosten daarmee samenhangen.

3.4

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 8:91, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er bij de toepassing van artikel 8:88 van de Awb voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.2 Het is aan een verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken.

3.5

De rechtbank wijst het verzoek van eiser om vergoeding van de opstartkosten van € 301,29 (inclusief btw) toe. Eiser heeft door het overleggen van de factuur van 25 februari 2020 op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk gemaakt dat hij die kosten heeft gemaakt. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verweerder een onrechtmatig besluit heeft genomen, omdat verweerder zijn oorspronkelijke standpunt heeft herzien, het primaire besluit heeft herroepen en alsnog geheel aan eiser tegemoet is gekomen.3 De rechtbank is van oordeel dat de door eiser gemaakte opstartkosten een direct gevolg zijn van het onrechtmatig vervallen verklaren van de tenaamstelling van het voertuig. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij vóór 28 mei 2019 regelmatig in het voertuig reed. In de maanden juni en juli heeft eiser het voertuig gestald, omdat het voertuig niet door de Apk-keuring was gekomen. Het voertuig was gestald in afwachting van reparaties. In juli 2019 werd de tenaamstelling van het voertuig vervallen verklaard door verweerder en als gevolg daarvan heeft het voertuig 16 maanden gestald gestaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat de opstartkosten nodig waren als gevolg van die 16 maanden dat het voertuig ten onrechte in de stalling heeft gestaan als gevolg van het onrechtmatige besluit van verweerder. Gelet daarop komen de opstartkosten voor vergoeding in aanmerking.

4. Conclusie

4.1

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek om vergoeding van de opstartkosten toewijzen. De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:95 van de Awb veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 301,29 (inclusief btw).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van een vergoeding van geleden materiële schade aan eiser tot een totaalbedrag van € 301,29 (inclusief btw).

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 12 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017.

2 ABRvS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3445.

3 Kamerstukken II 2010/11, 32621, 3, p. 44.