Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2424

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_10006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/10006 AVG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 3 december 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op zijn verzoek om inzage te verkrijgen van hem betreffende persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

Bij besluit van 17 december 2020 (bestreden besluit) heeft het college eiser meegedeeld dat zijn verzoek om inzage niet in behandeling wordt genomen. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Feiten.

Eiser heeft het college bij brief van 18 augustus 2020 verzocht om hem uitsluitsel te geven of er hem betreffende persoonsgegevens bij de gemeente Tholen worden verwerkt en om, wanneer dat het geval is, inzage te krijgen in die persoonsgegevens en in de overige informatie.

Het college heeft eiser bij brief van 21 augustus 2020 meegedeeld dat eiser zich dient te wenden tot de gemeente waar hij als ingezetene staat ingeschreven.

Eiser heeft het college bij brief van 26 september 2020 verzocht een besluit te nemen op zijn brief van 18 augustus 2020. Hij stelt dat niet tijdig is beslist en verzoekt het college hierin voortvarend te werk te gaan.

Het college heeft eiser bij brief van 8 oktober 2020, verzonden op 12 oktober 2020, meegedeeld dat voor ieder AVG-verzoek de identiteit van de verzoeker vastgesteld moet worden. Het college verzoekt eiser om vóór 16 oktober 2020 de aanvraag via DigiD in te dienen of om zich in het gemeentehuis te komen identificeren.

Bij brief van 3 december 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek door het college.

Het college heeft bij brief van 17 december 2020 de op de procedure ‘niet tijdig beslissen’ betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Bij deze stukken heeft het college tevens het besluit van 17 december 2020 meegestuurd waarbij het college heeft besloten om het verzoek van eiser om inzage niet in behandeling te nemen.

Eiser heeft bij brief van 17 januari 2021 aangegeven het niet eens te zijn met het besluit van 17 december 2020.

2. Beroep tegen het niet tijdig beslissen

2.1.

Vaststaat dat ten tijde van het indienen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college nog geen besluit was genomen. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit van 17 december 2020.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval omdat uit het beroep volgt dat eiser de rechtbank heeft verzocht de beweerdelijk door het college verbeurde dwangsom vast te stellen. Dit kan op de voet van artikel 8:55c van de Awb echter alleen als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is. Eiser heeft daarom nog belang bij het beoordelen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 18 augustus 2020.

2.2.

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebreke-stelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

2.3.

Het college heeft het verzoek van eiser terecht aangemerkt als een verzoek om inzage op grond van de AVG. In artikel 12, derde lid, van de AVG is bepaald dat het bestuursorgaan binnen een maand na ontvangst van het verzoek informatie verstrekt over het gevolg dat aan een verzoek is gegeven. Het college ontving de aanvraag van 18 augustus 2020 op 21 augustus 2020. Vaststaat dat het college eiser bij brief van 8 oktober 2020 heeft geïnformeerd over zijn verzoek. Het college heeft eiser meegedeeld dat zijn verzoek alleen in behandeling kan worden genomen indien de identiteit van eiser vastgesteld kan worden (artikel 12, zesde lid, van de AVG).

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het college niet binnen een maand na ontvangst van het verzoek aan eiser informatie heeft verstrekt over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Van een rechtsgeldige opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:15 van de Awb kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn, nu de brief van 8 oktober 2020 niet binnen de beslistermijn is verzonden.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het college niet tijdig een besluit heeft genomen. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiser het college met de brief van 26 september 2020 in gebreke heeft gesteld.

2.5.

Uit de Awb en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, de hoger beroepsinstantie in geschillen als het onderhavige) volgt dat van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb sprake is als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682 en 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291).

De ingebrekestelling is weliswaar vormvrij, maar heeft wel ten doel het college duidelijk en onomwonden ervan op de hoogte te stellen dat een beslissing wordt verlangd en dat bij het uitblijven daarvan nadere stappen ondernomen zullen worden. Uit de tekst van de brief van 26 september 2020 kan dit niet worden afgeleid. In deze brief schrijft eiser het volgende:

“Met dit schrijven verzoek ik u een besluit te nemen op mijn brief d.d. 18 augustus 2020. Daar ik op het standpunt sta dat er niet tijdig is beslist verzoek ik u hierin voortvarend te werk te gaan.”

Het verzoek “hierin voortvarend te werk te gaan” is te onbepaald en betreft naar het oordeel van de rechtbank een herinnering aan een lopend verzoek en de kennisgeving van de wens spoedig een besluit op dat verzoek te ontvangen. Uit de brief valt niet af te leiden dat eiser het college daarmee heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen. De brief van 26 september 2020 is daarom niet aan te merken als een rechtsgeldige ingebrekestelling. De jurisprudentie (in belastinggeschillen) waarnaar eiser in zijn brief van 17 januari 2020 verwijst, maakt deze beoordeling niet anders, gegeven de in dit geschil relevante jurisprudentie van de Afdeling. Zo heeft de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 29 januari 2020 het volgende geoordeeld:

“Naar het oordeel van de Afdeling kan de brief van [appellant] van 17 augustus 2018 niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt. In die brief wordt het college alleen verzocht om de verzoeken in de brief van 20 juni 2018 voortvarend te behandelen. Omdat geen ingebrekestelling heeft plaatsgevonden, is het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit om die reden niet-ontvankelijk.”

Omdat de brief van 26 september 2020 niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling, is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb. Het beroepschrift kon daarom nog niet worden ingediend.

2.6.

Het beroep van eiser gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Beroep tegen besluit van 17 december 2020

3.1.

Bij besluit van 17 december 2020 heeft het college de aanvraag van eiser om inzage in zijn persoonsgegeven niet in behandeling genomen, omdat de identiteit van eiser niet vastgesteld kon worden.

3.2.

Het college heeft eiser bij brief van 8 oktober 2020 meegedeeld dat zijn verzoek alleen in behandeling kan worden genomen indien de identiteit van eiser vastgesteld kan worden. Zoals hiervoor onder 2.4. overwogen is van een rechtsgeldige opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:15 van de Awb geen sprake. Het op 8 oktober 2020 gedane verzoek tot aanvulling van de aanvraag is pas na het verlopen van de beslistermijn gedaan. Op dat moment is het college echter niet meer bevoegd om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. In dat geval is een inhoudelijke beslissing op de aanvraag aangewezen.

3.3.

Nu het college de aanvraag niet buiten behandeling heeft kunnen stellen, is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, aangezien in dit geval voldoende duidelijk is hoe het college invulling zou geven aan zijn beoordelingsvrijheid indien alsnog een inhoudelijke beslissing zou worden genomen. Vast staat dat eiser zichzelf niet heeft geïdentificeerd op een verifieerbare wijze. Het ontbreken van voldoende identiteitsgegevens van eiser staat in de weg aan toewijzing van de aanvraag om verstrekking van door de gemeente Tholen verwerkte en hem betreffende persoonsgegevens. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de aanvraag wordt afgewezen.

3.4.

Nu eiser is vrijgesteld van betaling van griffierecht en niet is gebleken van proceskosten, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de aanvraag van eiser van 18 augustus 2020 wordt afgewezen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 11 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.