Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2390

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5649
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5649 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam 1] , eiseres

gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (kantoor Eindhoven ), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 9 april 2019 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd aan eiseres een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen per 14 januari 2019.

In het besluit van 25 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 april 2021.

Hierbij waren aanwezig eiseres, haar echtgenoot en haar gemachtigde, naast [naam vertegenwoordiger] namens het UWV.

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres is werkzaam geweest als gastvrouw bij [naam bedrijf] te [plaatsnaam 2] . Voor dat werk is zij in 2012 uitgevallen vanwege lage rugklachten.

Het UWV heeft bij besluit van 25 november 2014 aan eiseres met ingang van 16 november 2014 een WIA-uitkering toegekend.

Na een heronderzoek op verzoek van de ex-werkgeefster van eiseres omdat deze van mening was dat eiseres ten onrechte niet duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht, heeft het UWV bij besluit van 17 juli 2017 vastgesteld dat eiseres weliswaar 100% arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WIA, maar niet duurzaam.

In het vervolg daarop heeft het UWV bij besluit van 25 juli 2017 de loongerelateerde WIA-uitkering beëindigd per 16 september 2017 en eiseres met ingang van diezelfde datum een loonaanvullingsuitkering ingevolge de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het tegen het besluit van 17 juli 2017 door de ex-werkgeefster van eiseres ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 27 februari 2018 gegrond verklaard. Daarbij heeft het UWV geconcludeerd dat eiseres per 16 september 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA en met ingang van 10 april 2018 wordt de WIA-uitkering beëindigd.

In augustus 2018 heeft eiseres verzocht om een herkeuring. Hierbij heeft zij aangegeven dat het sinds eind mei 2018 wat slechter met haar gaat.

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft het UWV geweigerd eiseres een WIA-uitkering toe te kennen per 31 mei 2018.

Het daartegen door eiseres ingediende bezwaarschrift heeft het UWV bij besluit van 29 maart 2019 ongegrond verklaard.

Op 25 februari 2019 heeft eiseres zich met ingang van 14 januari 2019 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het UWV.

Bij het primaire besluit heeft het UWV geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van 14 januari 2019. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV eiseres terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd naar aanleiding van haar melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 14 januari 2019 op de grond dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.

3. Medische beoordeling

Het UWV heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij eiseres per 14 januari 2019 geen sprake is van toegenomen beperkingen die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan zij eerder recht had op een WIA‑uitkering. Om die reden herleeft het WIA‑recht van eiseres per die datum niet. Hierbij heeft het UWV zich gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een arts bezwaar en beroep (arts b&b) onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

3.1

Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] heeft de beschikbare medische informatie, waaronder de door eiseres ingevulde vragenlijst bestudeerd. In de rapportage van 3 april 2019 heeft De Veld gerapporteerd dat er geen concrete reden is voor het aanvragen van een herbeoordeling omdat er geen specifieke datum of periode is dat de belemmeringen zijn veranderd. Ook uit de door eiseres ingevulde vragenlijst blijkt de verzekeringsarts niet dat er nieuwe medische feiten of omstandigheden zijn die de gezondheidstoestand van eiseres hebben doen wijzigen. Bij gebrek aan wijzigingen in de gezondheidstoestand sinds de vorige beoordeling ziet de verzekeringsarts geen indicatie voor een volledig heronderzoek. Daarom rondt de verzekeringsarts de beoordeling af op basis van de stukken en zonder uitgebreid heronderzoek. De verzekeringsarts acht eiseres belastbaar conform de op dat moment van toepassing zijnde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die is vastgelegd op 30 januari 2018.

Arts b&b [naam arts] heeft de beschikbare medische informatie bestudeerd en heeft eiseres gezien op de hoorzitting. De verzekeringsarts b&b kan het standpunt van eiseres dat zij volledig arbeidsongeschikt is, niet volgen. Feitelijk claimt eiseres volgens hem ‘Geen benutbare mogelijkheden’, maar dat is hier volgens de criteria van het Schattingsbesluit niet aan de orde. Eiseres was immers niet opgenomen, niet bedlegerig, niet ADL-afhankelijk en niet om psychische redenen zo sterk beperkt in persoonlijk en/of sociaal functioneren dat zij onvoldoende zelfredzaam was om te kunnen werken. Zij was derhalve belastbaar met arbeid en dat is ook gemotiveerd door de primaire verzekeringsarts.

[naam arts] wijst er op dat eiseres al eerder melding maakte van toegenomen klachten per mei 2018 waarvoor in oktober 2018 een herbeoordeling plaats vond. De verzekeringsarts concludeerde toen dat er geen toegenomen beperkingen waren ten opzichte van een eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WIA. In de aansluitende bezwaarprocedure concludeerde een verzekeringsarts b&b dat de primaire beslissing gehandhaafd kon blijven.

De huidige melding van toegenomen klachten is volgens de arts b&b grotendeels overeenkomstig voorgaande melding. Eiseres claimt weer toegenomen (pijn)klachten in met name rug en rechterbeen en periodieke duizeligheidsklachten. De arts b&b ziet geen evident gewijzigde medische situatie of wijzigingen in therapie, behoudens het saneren van de medicatie en het plaatsen van een derde lead vanuit/naar de neurostimulator. Hoewel dat pas na de datum in geding is gebeurd, is de therapie wel relevant daar het is gedaan vanwege klachten die op de datum in geding al aanwezig waren. Daarentegen zijn ook deze klachten reeds eerder bekend zonder dat deze tot meer functionele beperkingen leidden. Dit is ook in de huidige situatie het geval: eiseres is als gevolg van de rugproblematiek en neuropathische pijn in het rechter been fors beperkt voor onder andere rug- of beenbelastende handelingen als buigen, duwen of trekken, tillen of dragen, frequent zware lasten hanteren, lopen, lopen tijdens het werk, zitten, staan, staan tijdens het werk, geknield of gehurkt actief zijn, gebogen en/of getordeerd actief zijn en boven schouderhoogte actief zijn. Hanssen ziet geen toename of verslechtering van onderliggende medische problematiek, enkel een toename van ervaren symptomen waar de therapie (het plaatsen van een nieuwe lead) zich dan ook op richt. Ervaren klachten/symptomen zijn volgens de arts b&b per definitie subjectief van aard en kunnen dan ook, conform geldende rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, niet dienen als maat voor de belastbaarheid. Ten aanzien van de belastbaarheid kan volgens de arts b&b uitsluitend worden uitgegaan van het geobjectiveerde, medische substraat. Dat is volgens hem onveranderd, zodat ook de belastbaarheid ongewijzigd is.

Hij voegt daar nog aan toe dat eiseres al langer bekend is met periodieke klachten van (draai)duizeligheidsaanvallen. Die klachten, al dan niet in het kader van een bepaalde ziekte of diagnose, hebben nooit eerder tot relevante, duurzame arbeidsbeperkingen geleid. De draaiduizeligheidsklachten treden op in episodes dan wel aanvallen zonder eenduidige of regelmatige frequentie of duidelijk te objectiveren oorzaak. Eerder neurologisch onderzoek, maar ook het recente KNO-onderzoek heeft geen verklaring gevonden. Vanuit preventief oogpunt zou een beperking voor verhoogd persoonlijk risico volgens [naam arts] aangenomen kunnen worden, maar die beperking is al aan de orde bij eiseres. Aanvullende functionele beperkingen zijn zijns inziens niet aangewezen.

De arts b&b concludeert dan ook dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen op grond van (overwegend) dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor eiseres eerder de wachttijd WIA heeft doorlopen, dan wel die golden tot de datum beëindiging WIA-uitkering.

3.2

Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zij op en na 14 januari 2019 volledig arbeidsongeschikt is, althans meer dan 35% en niet in staat is te re-integreren. De medische beperkingen zijn volgens eiseres te laag en de fysieke capaciteiten te hoog gewaardeerd. Haar klachten zijn reëel en consistent. Eiseres meent dat de beperkingen voor reiken, tillen of dragen, klimmen en zitten die in 2014 in de FML waren opgenomen nog altijd van toepassing zijn en daarom ten onrechte ontbreken in latere versies van de FML. Zij wijst er verder op dat ze toegenomen klachten van duizeligheden heeft en daarvoor sinds 2019 onder behandeling staat. Gelet op de twijfel bij het UWV had voor het inschakelen van een deskundige moeten worden gekozen. Verder slaapt eiseres ’s nachts slecht zodat zij overdag moet rusten en komt ze overdag tot geen of slechts weinig activiteiten. Daarom acht eiseres een beperking voor nachtarbeid, onregelmatige diensten en – uit preventief opzicht – het aantal te werken uren noodzakelijk.

3.3

Oordeel rechtbank over beroepsgronden

Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres tijdens de hoorzitting gezien en dossieronderzoek verricht. Met de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 7 januari 2020 heeft het UWV voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen. Eiseres heeft haar standpunt dat op de datum in geding sprake was van toegenomen beperkingen niet met medische gegevens onderbouwd. Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling door het UWV ontbreekt, bestaat geen aanleiding een deskundige te benoemen.

Het UWV heeft terecht geweigerd per 14 januari 2019 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.

De omstandigheid dat eiseres ingevolge de WIA inmiddels vanaf 18 mei 2020 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht door het UWV kan daar voor de datum hier in geding niet aan afdoen.

Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

4. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 12 mei 2021, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.