Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2379

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
BRE 18/477 en 18/478
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 15 Wet OB 1969. Aftrek voorbelasting. Kwalificatie provisie. Belanghebbende heeft (nagenoeg) alle voorbelasting in aftrek gebracht omdat zij belaste activiteiten verricht op het gebied van vermogensbeheer. De inspecteur heeft een deel van de vooraftrek gecorrigeerd omdat belanghebbende ook provisies ontving voor het plaatsen van een beleggingsorder en/of het opnemen of aanhouden van een fonds in een portefeuille en/of het verrichten van een transactie. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert de provisie als vergoeding voor een handeling onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Tussen partijen is niet in geschil dat in dat geval sprake is van een vrijgestelde prestatie. Met betrekking tot de vraag hoe de omvang van de aftrek van voorbelasting dient te worden berekend, overweegt de rechtbank dat de activiteiten die voor de vermogensbeheerdiensten (belaste prestaties) en provisiediensten (vrijgestelde prestaties) worden verricht zodanig samenhangend zijn, dat de kosten die daarvoor zijn gemaakt niet splitsbaar zijn. Dat betekent dat de kosten – die vooral bestaan uit managementvergoedingen – zijn aan te merken als algemene kosten. De aftrek van voorbelasting dient daarom te geschieden op basis van pro rata verhoudingen. Ook het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. De naheffingsaanslagen zijn terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 3-6-2021
V-N Vandaag 2021/1335
FutD 2021-1748 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/477 en 18/478

uitspraak van 12 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [vestigingsplaats]

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 september 2015 aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen opgelegd en daarbij de volgende beschikkingen afgegeven:

  • -

    onder aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.150 over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 36.523, met een verzuimboete van € 3.652 en heffingsrente van € 4.776;

  • -

    onder aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.4501 over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 tot een bedrag van € 78.661, met een verzuimboete van € 4.920 en belastingrente van € 5.863.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar van 15 december 2017 heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en rentebeschikkingen gehandhaafd, met uitzondering van de heffingsrentebeschikking (zie 4.14 hierna).

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 23 januari 2018 beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van eenmaal € 338.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021 te Breda.

Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van deze zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een vennootschap die activiteiten verricht op het gebied van vermogensbeheer.

2.2.

De aandelen van belanghebbende worden gehouden door [holdingvennootschap 1] Holding B.V. (voor 40%), [holdingvennootschap 2] Holding B.V. (voor 40%) en [holdingvennootschap 3] Holding B.V. (voor 20%) (hierna tezamen: de holdingvennootschappen).

2.3.

Belanghebbende sluit met haar cliënten, voornamelijk particulieren, contracten af op grond waarvan belanghebbende vermogensbeheerdiensten verricht. Voor deze vermogensbeheerdiensten brengt belanghebbende bij haar cliënten per kwartaal een vergoeding in rekening.

2.4.

Daarnaast ontvangt belanghebbende van financiële instellingen plaatsings-, bestands- en retourprovisievergoedingen (hierna: de provisies). Aanleiding voor betaling van de provisies zijn brieven van financiële instellingen waarin eenzijdig is gemeld, onder welke voorwaarden (hierna: de provisievoorwaarden), op welke provisie(s) aanspraak kan worden gemaakt voor welke transacties (hierna: de provisiebrieven).

2.5.

Belanghebbende heeft geen personeel in dienst. Werkzaamheden worden verricht door de holdingvennootschappen en er wordt gebruik gemaakt van diensten van derden, waaronder [bedrijf ] B.V.

2.6.

Belanghebbende heeft met de holdingvennootschappen en [bedrijf ] B.V. managementovereenkomsten gesloten, op grond waarvan belanghebbende aan de vennootschappen maandelijks managementvergoedingen betaalt.

2.7.

In haar aangiften omzetbelasting voor de periode 2010 tot en met 2014 heeft belanghebbende de ontvangen provisies niet als omzet verantwoord. Verder heeft belanghebbende in haar aangiften de voorbelasting geheel (jaren 2010, 2011 en 2014) dan wel nagenoeg geheel (jaar 2012: 97%; jaar 2013: 93%) in aftrek gebracht.

2.8.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de periode 2010 tot en met 2014. De bevindingen zijn opgenomen in een rapport met dagtekening 29 juli 2015. Kern van de bevindingen is dat belanghebbende teveel voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Volgens de inspecteur moet de vooraftrek pro rata berekend worden, omdat belanghebbende ook vrijgestelde activiteiten verricht. Op die grond heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en rentebeschikkingen opgelegd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is de aftrek van voorbelasting in geschil.

3.2.

Ter beantwoording van voornoemde vraag is allereerst tussen partijen in geschil of de provisies kunnen worden aangemerkt als een vergoeding voor een prestatie onder bezwarende titel (vraag 1). Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.3.

Indien sprake is van een vergoeding voor een prestatie onder bezwarende titel, is tussen partijen niet in geschil dat deze prestatie een economische activiteit is en dat deze economische activiteit een vrijgestelde prestatie voor de omzetbelasting betreft.

Alsdan is tussen partijen in geschil hoe de omvang van de aftrek van voorbelasting moet worden berekend (vraag 2). Belanghebbende neemt primair het standpunt in dat 95% van de voorbelasting aftrekbaar is. Subsidiair stelt belanghebbende dat de aftrek van voorbelasting aan de hand van de marktwaardemethode pro rata moet worden herrekend. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat aftrek van voorbelasting, conform de opgelegde naheffingsaanslagen, op grond van pro rata omzetverhoudingen moet worden berekend.

3.4.

Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de provisies niet kwalificeren als vergoeding voor een prestatie onder bezwarende titel, is tussen partijen in geschil of de provisiediensten zelfstandige economische activiteiten zijn (vraag 3). Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend. De inspecteur stelt zich daarbij op het standpunt dat aftrek van voorbelasting op grond van de zogenoemde pre pro rata dient plaats te vinden, naar rato van de omzetverhoudingen.

3.5.

Verder is tussen partijen in geschil of de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

3.6.

Tot slot zijn ook de bij de naheffingsaanslagen opgelegde boetes en in rekening gebrachte rente in geschil en heeft belanghebbende een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gedaan.

4 Beoordeling van het geschil

Vraag 1: Provisies als vergoeding voor een prestatie onder bezwarende titel?

4.1.

Artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Onder de naam ´omzetbelasting´ wordt een belasting geheven ter zake van:

a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht”.

Voor de kwalificatie van een dienst als een ‘handeling onder bezwarende titel’ is vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen deze dienst en een door de belastingplichtige daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. Een dergelijk rechtstreeks verband bestaat wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verrichte dienst1. Of aan deze voorwaarden is voldaan, moet aan de hand van de feiten en omstandigheden worden beoordeeld.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende ontving voor het plaatsen van een beleggingsorder en/of het opnemen of aanhouden van een fonds in een portefeuille en/of het verrichten van een transactie een tegenprestatie (hierna: een provisiedienst), een provisie. Naar het oordeel van de rechtbank werden de provisies betaald in het kader van een rechtsbetrekking die bestond tussen belanghebbende en de financiële instellingen die deze provisies uitbetaalden. Deze provisiebetalingen vonden namelijk hun grondslag in de door de financiële instellingen verstrekte provisiebrieven. Verder is niet in geschil dat een provisie de werkelijke tegenwaarde vormde voor de provisiedienst. Onder deze omstandigheden is sprake van een vergoeding voor een handeling onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1 van de Wet OB.

Daaraan doet niet af dat, zoals belanghebbende stelt, de provisies een uitvloeisel waren van de vermogensbeheerdiensten die belanghebbende verrichtte voor haar cliënten, en zij haar tijd ook uitsluitend aan die laatstgenoemde diensten besteedde. Dat een bepaalde handeling gebeurt als onderdeel van een prestatie aan een partij – te weten hier bijvoorbeeld het plaatsen van beleggingsorder als onderdeel van de vermogensbeheerdiensten – neemt niet weg dat diezelfde handeling tevens een prestatie kan zijn in het kader van een rechtsbetrekking met een andere partij. Verder is de mate van tijdbesteding als zodanig geen relevante factor voor de bepaling of sprake is van een handeling onder bezwarende titel. Het enkele feit dat in de provisiebrieven (kennelijk) werd aangegeven dat aanspraak ‘kan’ worden gemaakt op een provisie, doet aan het bestaan van de rechtsbetrekking niet af, mede gelet op de verklaringen ter zitting dat in de praktijk de provisies altijd werden betaald in het geval aan de voorwaarden uit de betreffende brief werd voldaan. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een provisiebetaling niet afdwingbaar was indien een provisiedienst werd verricht waarbij aan de provisievoorwaarden is voldaan. Verder doet de omstandigheid dat een financiële instelling niet van belanghebbende kon afdwingen dat een provisiedienst werd verricht, niet eraan af dat een rechtsbetrekking bestond die inhoudt dat als belanghebbende een bepaalde provisiedienst verricht waarbij een de provisievoorwaarden is voldaan, de desbetreffende financiële instelling een provisie betaalt. De omstandigheid dat bij het plaatsen van een belegging niet altijd recht op een provisie bestond maakt evenmin dat, indien wel recht bestond op een provisie, geen sprake is van een vergoeding tegenover een prestatie in het kader rechtsbetrekking. Ook het beroep van belanghebbende op het arrest Baštová faalt. In het onderhavige geval bestaat wel een rechtstreeks verband tussen de provisiedienst door belanghebbende aan een financiële instelling en de daarvoor betaalde vergoeding (provisie). Anders dan in de zaak die in het arrest Baštová aan de orde was, is in dit geval het bestaan van een vergoeding niet onzeker als de dienst werd geleverd.

4.3.

Gelet op voorgaande dient vraag 1 bevestigend te worden beantwoord. Met betrekking tot de provisies is daarom sprake van een economische activiteit, die voor de omzetbelasting kwalificeert als vrijgestelde prestatie.

Vraag 2: Omvang van de aftrek van voorbelasting

4.4.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld hoe de omvang van de aftrek van voorbelasting moet worden berekend (vraag 2). Hierbij is in geschil of sprake is van algemene kosten.

4.5.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet OB bestaat recht op aftrek van voorbelasting, voor zover goederen of diensten waarvoor die belasting in rekening wordt gebracht, worden gebezigd voor belaste handelingen. In het geval de belastingplichtige zowel belaste prestaties als vrijgestelde prestatie verricht, wordt de vooraftrek bepaald op grond van de regels van artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Dat geval doet zich hier voor.

4.6.

Belanghebbende voert aan dat zij nagenoeg al haar tijd heeft besteed aan de vermogensbeheerdiensten, en dat geen tijdsbesteding heeft plaatsgevonden voor de provisiediensten. Zodoende moet 95% van de kosten direct worden toegerekend aan de belaste prestaties en maximaal 5% van de kosten direct worden toegerekend aan de vrijgestelde prestaties. Aldus neemt belanghebbende het standpunt in dat 95% van de voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt.

4.7.

De rechtbank acht aannemelijk dat de tijdsbesteding aan het directe contact met de financiële instellingen (zoals het plaatsen van een order) relatief zeer beperkt is geweest. Dit betekent echter nog niet dat de kosten (nagenoeg geheel) direct toerekenbaar zijn aan de (belaste) vermogensbeheerdiensten. Het verdienmodel van belanghebbende bestond er immers uit dat met haar activiteiten twee soorten vergoedingen werden gegenereerd: enerzijds vergoedingen van de cliënten en anderzijds de provisies. De provisies waren daarbij in de onderhavige jaren bovendien bepaald niet van ondergeschikte betekenis. De activiteiten die voor de vermogensbeheerdiensten en provisiediensten worden verricht zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig samenhangend, dat de kosten die daarvoor zijn gemaakt niet splitsbaar zijn. Dat betekent dat de kosten – die vooral bestaan uit de managementvergoedingen – zijn aan te merken als algemene kosten. Tussen partijen is niet in geschil dat de aftrek van voorbelasting in dat geval dient te geschieden op basis van pro rata verhoudingen.

4.8.

De inspecteur heeft de aftrek van voorbelasting pro rata berekend op basis van de omzetverhoudingen. Uitgaande van een pro rata op basis van omzet zijn de berekeningen niet in geschil. Belanghebbende voert aan dat de aftrek van voorbelasting pro rata moet worden berekend aan de hand van de marktwaardemethode. Ter cijfermatige onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende een berekening overgelegd die echter voor elk van de naheffingsaanslagen resulteert in een hoger te betalen bedrag dan de nageheven omzetbelasting. Omdat het standpunt van belanghebbende niet tot vermindering van de naheffingsaanslagen kan leiden, behoeft dit standpunt geen verdere bespreking.

4.9.

De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen dus in beginsel terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd.

4.10.

Gelet op het vorenstaande behoeft de derde vraag geen beantwoording meer.

Vertrouwensbeginsel

4.11.

Belanghebbende voert aan dat de inspecteur ten aanzien van het derde kwartaal van 2010 het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, hetgeen voor die periode aan naheffing in de weg staat. Dit beroep faalt. Het enkele feit dat de inspecteur na het overleggen van bescheiden door belanghebbende een teruggaaf heeft verleend, wekt niet het rechtens te honoreren vertrouwen betreffende de (wijze van berekening van) aftrek van voorbelasting. De rechtbank ziet in de door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het Hof Den Haag van 5 maart 20192 geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen.

Tussenconclusie

4.12.

De naheffingsaanslagen zijn terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende opgelegd. In zoverre zijn de beroepen ongegrond.

Verzuimboetes

4.13.

Aan belanghebbende zijn bij de naheffingsaanslagen verzuimboetes opgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat, voor zover de naheffingsaanslagen worden gehandhaafd, de hoogte van de boetes als zodanig niet in geschil is. Wel heeft belanghebbende aangevoerd dat de verzuimboetes moeten worden verminderd tot nihil wegens overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie. Tussen partijen is niet in geschil dat 29 juli 2015 geldt als aanvangsmoment van de in aanmerking te nemen termijn. Tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank is afgerond 5 jaar en 10 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 46 maanden. Dat is geen grond voor vernietiging van de verzuimboetes, maar wel voor matiging met 20%3. De rechtbank stelt de boetes opgelegd bij de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de jaren 2010 en 2011 en de jaren 2012 tot en met 2014 vast op € 2.921 respectievelijk € 3.936. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

Heffingsrente en belastingrente

4.14.

Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat de heffingsrente betreffende de jaren 2010 en 2011, bij uitspraak op bezwaar ten onrechte op een hoger bedrag is vastgesteld (€ 4.833) dan bij de naheffingsaanslag (€ 4.776). Gelet hierop is het beroep in zoverre gegrond. Voor het overige is de rente niet in geschil.

5 Vergoeding van immateriële schade

De door belanghebbende gevraagde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen voor € 4.000. De schadevergoeding geldt voor beide zaken gezamenlijk, omdat deze zaken samenhangen. Dit bedrag komt voor 21/44 deel (dus: € 1.909) voor rekening van de inspecteur, en voor het overige (dus: € 2.091) voor rekening van de Minister, die daarom in zoverre mede is aangemerkt als partij in dit geding. Een en ander is gebaseerd op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad4, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, de datum waarop het eerste bezwaarschrift is ontvangen (6 oktober 2015), de datum van de uitspraak op bezwaar (15 december 2017), en de datum van deze uitspraak.

6 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534, een wegingsfactor 1 en factor 1 voor samenhang). De rechtbank ziet geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, reeds omdat belanghebbende niet tijdig om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft verzocht.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag voor de jaren 2010 en 2011 uitsluitend voor zover deze ziet op de boetebeschikking en rentebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag voor de jaren 2012 tot en met 2014 uitsluitend voor zover deze ziet op de boetebeschikking;

  • -

    handhaaft de heffingsrente bij de naheffingsaanslag omzetbelasting voor de jaren 2010 en 2011 op € 4.776;

  • -

    vermindert de verzuimboete opgelegd bij de naheffingsaanslag voor de jaren 2010 en 2011 tot € 2.921;

  • -

    vermindert de verzuimboete opgelegd bij de naheffingsaanslag voor de jaren 2012 tot en met 2014 tot € 3.936;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.909;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.091;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.068;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 338 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2021 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. T.H.J. Verhagen, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Zie onder meer Hof van Justitie van 3 maart 1994, C-16/93 (Tolsma) ECLI:EU:C:1994:80, Hof van Justitie van 10 november 2016, C-432/15 (Baštová) ECLI:EU:C:2016:855, en Hoge Raad van 13 november 2020, 18/04728, ECLI:NL:HR:2020:1776.

2 ECLI:NL:GHDHA:2019:466.

3 Hof ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.

4 Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.