Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2378

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5993
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5993 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser ] te [woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 20 september 2019 (primair besluit I) heeft het college het verzoek van eiser om bijzondere bijstand voor medicijnkosten vanaf 1 januari 2019 op grond van de Participatiewet afgewezen.

In het besluit van 6 december 2019 (primair besluit II) heeft het college ook eisers verzoek om bijzondere bijstand voor medicijnkosten voor het jaar 2020 afgewezen.

Bij brief van 3 februari 2020 heeft eiser het college in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen primair besluit I.

In het besluit van 8 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. Daarnaast is aan eiser een dwangsom vanwege niet tijdig beslissen toegekend van € 1.442,-.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 april 2021.

Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde, en [naam vertegenwoordiger] namens het college.

Overwegingen

Feiten

1. Bij besluit van 11 mei 2018 is aan eiser bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van medicatie (melatonine, vitamine B12, diazepam en cialis) ingaande 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 voor een bedrag van € 105,15 per maand.

Onder verwijzing naar deze toekenning heeft eiser op 30 april 2019 opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor medicijnkosten vanaf 1 januari 2019, ten bedrage van gemiddeld € 166,98 per maand. Bij e-mail van 2 december 2019 is bijzondere bijstand aangevraagd voor medicatie/preparaten voor 2020, betreffende onder andere diazepam.

Op verzoek van het college heeft een arts van de GGD advies uitgebracht. Uit de ontvangen informatie van eisers huisarts kan volgens de arts van de GGD niet worden geconcludeerd dat de medicatie voor eiser strikt medisch noodzakelijk is.

Bij besluiten van 20 september 2019 en 6 december 2019 (primaire besluiten I en II) heeft het college eisers verzoeken om bijzondere bijstand afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat geen recht bestaat op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doel wordt geacht voor eiser toereikend en passend te zijn. In dit geval is dat de zorgverzekering. Dit geldt ook als de kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Ook is volgens het college geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot bijstandsverlening moet leiden.

Bij het bestreden besluit heeft het college de primaire besluiten in stand gelaten en het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.

Geschil

2. In geschil is of het college op goede gronden eisers verzoeken om bijzondere bijstand voor medicijnkosten voor de jaren 2019 en 2020 heeft afgewezen.

Standpunt eiser

3. Eiser voert aan dat in 2018 onder dezelfde omstandigheden wel bijzondere bijstand is toegekend en dat sprake is van structurele kosten. Sinds 2018 is geen sprake van een wetswijziging of gewijzigd beleid. Door de afwijzing van bijzondere bijstand voor 2019 en 2020 heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De zorgverzekering is geen voorliggende voorziening, omdat eisers medicatie niet vergoed wordt vanuit de basisverzekering of de aanvullende verzekering. De huisarts heeft verklaard dat eiser diazepam krijgt op medische noodzaak, maar de zorgverzekering vergoedt dit medicijn niet. Daarnaast is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat eiser door de medicatie zijn leven op orde kan houden en hij geen financiële ruimte heeft om de medicatie te betalen.

Standpunt college

4. Het college verwijst naar het bestreden besluit en handhaaft zijn standpunt dat eiser geen recht heeft op bijzondere bijstand voor medicijnkosten.

Wettelijk kader

5. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Oordeel rechtbank

6. Voorliggende voorziening

Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Volgens vaste rechtspraak1 waren ten tijde in geding de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering voor de kosten van medische zorg aan te merken als aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. Gelet op artikel 15, eerste lid, tweede volzin van de Participatiewet is bijstandverlening voorts niet aan de orde, indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie en deze kosten niet noodzakelijk zijn geacht. Dit betekent dat ook als de gemaakte kosten niet (volledig) vanuit de zorgverzekering worden vergoed, in beginsel geen recht op bijzondere bijstand bestaat.

In dit geval vallen de medicijnen van eiser (melatonine, vitamine B12, diazepam en cialis) niet onder de verstrekkingen vanuit de Zorgverzekeringswet en het daarop gebaseerde Geneesmiddelen Vergoedingssysteem. Dit blijkt uit de door eiser overgelegde verklaring van zorgverzekering CZ. De verklaring van (de assistente van) de huisarts dat de diazepam is voorgeschreven op medische noodzaak was (kennelijk) voor CZ geen aanleiding om deze medicatie als noodzakelijk te achten en te vergoeden.

De Zorgverzekeringswet is een voorliggende, toereikende en passende voorziening. Dat eisers medicatie niet vanuit de zorgverzekering wordt vergoed, doet hier niet aan af.

Eisers beroep op artikel 35 van de Participatiewet vanwege persoonlijke omstandigheden kan niet worden gevolgd, omdat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat.

7. Dringende redenen

Artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak2 moet daarvoor vaststaan dat er een acute noodsituatie is en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

Eiser stelt dat sprake is van dringende redenen. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat eiser agressief wordt en aanvaringen heeft als hij geen medicatie gebruikt. Deze stelling is echter niet met stukken onderbouwd. Het e-mailbericht van (de assistente van) de huisarts dat de diazepam noodzakelijk is, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat sprake is van een levensbedreigende situatie of een situatie die blijvend ernstig psychisch letsel tot gevolg kan hebben. Dit e-mailbericht wordt ook ontkracht door de arts van de GGD, die (op basis van informatie van de huisarts) heeft geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat eisers medicatie voor hem strikt medisch noodzakelijk is.

Dat eisers financiële situatie het niet toelaat om de medicatie te kunnen betalen, hoe vervelend ook, is geen criterium om dringende redenen aan te nemen die moeten leiden tot toekenning van bijzondere bijstand.

8. Vertrouwensbeginsel

Volgens het college betekent de eerdere beoordeling en toekenning van bijzondere bijstand voor een in tijd beperkte periode niet dat sprake is van een ongeclausuleerd recht. Het college verwijst daartoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8285.

Eiser stelt dat de uitspraak waarnaar het college verwijst niet opgaat, omdat in dit geval geen sprake is van een wetswijziging of gewijzigd beleid.

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de eerste plaats is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.3

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Volgens vaste rechtspraak houdt een eerdere toekenning over een afgesloten periode in het verleden geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging in dat in de toekomst opnieuw bijstand wordt toegekend. Iedere aanvraag wordt immers opnieuw beoordeeld.4 Dat het college voor het jaar 2018 wel bijzondere bijstand voor kosten van medicatie aan eiser heeft toegekend, betekent dan ook niet dat het college ook de aanvragen voor 2019 en 2020 had moeten inwilligen.

Conclusie

9. Uit het voorgaande volgt dat het college op goede gronden de aanvragen om bijzondere bijstand voor medicijnkosten voor de jaren 2019 en 2020 heeft afgewezen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 12 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 5 van de Participatiewet (voor zover van belang):

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

d. bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, en de individuele studietoeslag, bedoeld in artikel 36b;

e. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Artikel 11, eerst lid, van de Participatiewet:

Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet:

Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Artikel 16, eerst lid, van de Participatiewet:

Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Artikel 35, eerst lid, van de Participatiewet:

Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 24, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

1 Zie onder andere de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2374 en 30 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3415.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1804.

3 Zie de uitspraak van de CRvB van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1759.