Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2377

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6437
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WET

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6437 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser ] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. S. Cloosterman,

wettelijk vertegenwoordigers: [naam wettelijk vertegenwoordiger 1] en [naam wettelijk vertegenwoordiger 2] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek (het college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 7 oktober 2019 (primaire besluit) heeft het college eiser niet in aanmerking gebracht voor de jeugdhulpvoorziening begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet.

In het besluit van 31 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 15 april 2021. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde, zijn wettelijk vertegenwoordigers en namens het college

mr. B.F.J. Bollen, [naam vertegenwoordiger 1] , [naam vertegenwoordiger 2] en [naam vertegenwoordiger 3] .

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiser ( [naam eiser ] ), geboren op 26 juli 2008, is door de huisarts op 11 oktober 2017 voor begeleiding in het kader van basis GGZ naar Lakèch doorverwezen in verband met het vermoeden van een angststoornis. Volgens de huisarts is [naam eiser ] onzeker, is er mogelijk sprake van faalangst en is hij snel afgeleid.

Bij besluit van 25 mei 2018 heeft het college [naam eiser ] in aanmerking gebracht voor ambulante begeleiding, maatwerkarrangement 5 segment 2 (jeugdigen met ontwikkelings- en gedragsproblemen door kindfactoren (psychiatrisch of somatisch)). Het gaat hierbij om één traject binnen de periode van 19 december 2017 tot 19 december 2018, waarvoor een pgb wordt toegekend. Namens [naam eiser ] is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar bij besluit van 18 april 2019 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank op 19 december 2019 ongegrond verklaard (zaaknummer 19/2447). Namens [naam eiser ] is hoger beroep ingesteld.

Op 28 januari 2019 hebben [naam eiser ] ouders een aanvraag ingediend om voortzetting en intensivering van de begeleiding, die Lakèch aan [naam eiser ] biedt. Bij deze aanvraag is een voorstel van psycholoog [naam psycholoog ] ( [naam bedrijf ] ) van

30 november 2018 gevoegd en een Plan van Aanpak van 30 november 2017.

In februari 2019 heeft psycholoog [naam psycholoog ] [naam eiser ] aanvullend onderzocht en op 18 april 2019 is er een tussenevaluatie door Lakèch gemaakt.

Op 11 maart 2019 heeft er een keukentafelgesprek plaatsgevonden. De uitkomst is vastgelegd in een verslag of Integrale Vraaganalyse (IVA) met daaraan gekoppeld een persoonlijk Plan van Aanpak (PvA).

Bij besluit van 9 mei 2019 heeft het college [naam eiser ] in aanmerking gebracht voor een pgb voor het diagnostisch onderzoek, waarvan op 10 april 2019 het verslag was ontvangen. Het college heeft geweigerd een pgb toe te kennen voor begeleiding door Lakèch .

De ouders van [naam eiser ] hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Op 13 mei 2019 hebben de ouders van [naam eiser ] een Budgetplan Jeugdhulp ingediend en een ‘EVA, PVA & Aanvraag’.

Bij e-mail van 16 mei 2019 heeft het college de ontvangst hiervan bevestigd en gewezen op de kwaliteitseisen van artikel 12 van het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente [woonplaats] 2019 (het Besluit).

Op 23 mei 2019 hebben de ouders van [naam eiser ] verschillende stukken bij het college ingediend, waaronder een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) van [naam betrokkene] en het klachtenreglement van Lakèch .

Op 17 juni 2019 heeft er een keukentafelgesprek plaatsgevonden. De uitkomst is vastgelegd in een IVA met daaraan gekoppeld een persoonlijk PvA. Het ‘EVA, PVA & Aanvraag’ is door het college op 17 juli 2019, voor gezien getekend, retour ontvangen.

Op 1 augustus 2019 heeft het college aan de ouders van [naam eiser ] meegedeeld dat zij door het terugsturen van dit PvA een aanvraag hebben ingediend voor jeugdhulp door Lakèch in de vorm van een pgb. Het college vindt de door hen verstrekte gegevens echter onvoldoende voor beoordeling van die aanvraag. De volgende gegevens dienen nog te worden aangeleverd:

  • -

    Gegevens waaruit blijkt dat Lakèch voldoet aan de kwaliteitseisen, zoals gesteld in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet en artikel 12 van het Besluit. De overgelegde stukken, zoals het klachtenreglement en de VOG, acht het college onvoldoende.

  • -

    Een aangepast ondersteuningsplan. Op basis van het huidige ondersteuningsplan kan het college de doelmatigheid, doeltreffendheid en de mate waarin de zorg is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige niet beoordelen.

Op 3 september 2019 is door Lakèch onder meer het volgende overgelegd:

  • -

    Een brief met antwoorden op verschillende vragen.

  • -

    Een licentiecertificaat, afgifte van een AGB-code, bevestiging van inschrijving in het BIG-register en een VOG op naam van [hoofdbehandelaar]

  • -

    Een bevestiging van licentie bij de Vereniging ter Bevordering van Alternatieve Geneeswijzen

  • -

    De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

  • -

    Een tussenevaluatie van 18 april 2019

Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van de ouders van [naam eiser ] om begeleiding in de vorm van een pgb afgewezen. De ondersteuning die de ouders van [naam eiser ] blijkens het pgb-ondersteuningsplan bij Lakèch wensen in te kopen sluit niet aan bij het behalen van de resultaten. Het ondersteuningsplan biedt onvoldoende inzicht in de activiteiten die ontplooid gaan worden om [naam eiser ] de juiste ondersteuning te bieden. Op basis van de overgelegde stukken kan het college voorts niet vaststellen of de kwaliteit die Lakèch inzet voldoende is. In de brief van Lakèch van 3 september 2019 worden een aantal vragen open gelaten. Daarnaast worden in die brief hulpverleners opgevoerd die blijkens het ondersteuningsplan niet eerder in het proces betrokken zijn (geweest) en die in de begeleiding van [naam eiser ] voor zover het college bekend geen rol spelen.

Op 22 oktober 2019 hebben de ouders van [naam eiser ] nog een aantal stukken overgelegd.

Door hen is op 18 november 2019 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Met het besluit op bezwaar van 31 december 2019 heeft het college beslist op het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2019. Het college verklaart dat bezwaar, voor zover gericht tegen de weigering een pgb te verstrekken voor begeleiding door Lakèch , gegrond en trekt het besluit van 9 mei 2019 in zoverre in.

Op 4 februari 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

2. Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren tegen het primaire besluit, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard. Het college erkent dat [naam eiser ] jeugdhulp nodig heeft en dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Volgens het college is echter onvoldoende aangetoond dat Lakèch voldoet aan de kwaliteitseisen. Op grond van artikel 8.1.1, tweede lid, aanhef en onder c van de Jeugdwet dient het college na te gaan of de gevraagde jeugdhulp van goede kwaliteit is. Deze kwaliteitseisen staan in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en artikel 12 van het Besluit. Het college heeft aanvullende stukken bij Lakèch opgevraagd maar het volgende niet ontvangen:

  • -

    Een overzicht van de opleidingen van het personeel dat ingezet wordt bij de hulpverlening aan [naam eiser ] en of dit personeel bekwaam is de gewenste hulpverlening in te zetten (is er sprake van gekwalificeerd personeel?)

  • -

    Stukken waaruit blijkt dat de meldplicht huiselijk geweld en kindermishandeling geïmplementeerd is

  • -

    Stukken waaruit blijkt dat de locatie waar de zorg wordt gegeven dan wel de wijze waarop de ondersteuning georganiseerd is voldoet aan de gangbare eisen die aan de betreffende ondersteuning worden gesteld

  • -

    Stukken waaruit blijkt dat het personeel dat [naam eiser ] begeleidt een salaris ontvangt dat voldoet aan de gangbare eisen die aan de betreffende ondersteuning worden gesteld

  • -

    Uit het pgb-ondersteuningsplan blijkt niet op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning gewaarborgd is (welke effectief bewezen methoden worden gebruikt?)

Het college stelt dat van een professionele organisatie mag worden verwacht dat deze stukken worden aangeleverd. Dat eerder, zonder dat deze stukken zijn overgelegd, aan [naam eiser ] een pgb is toegekend voor begeleiding door Lakèch doet hieraan niet af. Eerder heeft [naam eiser ] het voordeel van de twijfel gekregen.

Verder stelt het college dat uit het evaluatieverslag onvoldoende blijkt welke stappen zijn gezet en welke doelstellingen zijn bereikt en dat Lakèch de eerder gestelde resultaten niet heeft behaald. Lakèch heeft aangegeven niet te hebben gewerkt aan de doelen met als reden te weinig budget. In de eerdere uitspraak heeft de rechtbank echter geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat de toegekende voorziening niet toereikend zou zijn. Met andere woorden, de doelen hadden bereikt kunnen worden met het destijds toegekende budget.

Tot slot stelt het college dat de inzet van reflexintegratietherapie en alternatieve/ complementaire behandelwijzen, het vervoer daarheen en de overhead uren/kosten niet voor vergoeding op grond van de Jeugdwet in komen aanmerking, omdat deze niet kunnen worden aangemerkt als begeleiding en behandeling.

3. Beroepsgronden

Namens [naam eiser ] is aangevoerd dat het college erkent dat hij hulp nodig heeft en dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, maar deze hulp is sinds de aanvraag in januari 2019 nog steeds niet gerealiseerd. Keer op keer is gevraagd wat er nodig is om het pgb voor Lakèch voort te zetten. Het college heeft vijf punten benoemd, maar tot op heden is onvoldoende kenbaar gemaakt wat die punten concreet inhouden. Er is geprobeerd daarover duidelijkheid te verkrijgen maar dat is nog steeds niet gelukt en op verzoeken tot een gesprek, ook over het evaluatieverslag, komt van het college geen concrete reactie. Eiser heeft hulp nodig en het college heeft een jeugdhulpplicht. Alleen al daarom zou het college samen met eisers ouders moeten proberen om de bezwaren tegen de inzet van Lakèch weg te nemen. Dat geldt temeer nu er voor eiser in 2018 wel een pgb voor hulp door Lakèch is toegekend. De ouders zijn zeer tevreden over de inzet van Lakèch en zij merkten ook vooruitgang in het gedrag van [naam eiser ] . Door de afwijzing kon deze stijgende lijn echter niet worden doorgetrokken.

4. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het college op goede gronden een pgb voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet door Lakèch heeft geweigerd.

Procesbelang

Ter zitting is gebleken dat de begeleiding door Lakèch medio 2019 is beëindigd. Sindsdien ontvangt [naam eiser ] jeugdhulp van een psycholoog waarvoor het college een indicatie (zorg in natura) heeft afgegeven. Vastgesteld dient derhalve te worden dat het hier gaat om jeugdhulp over een afgesloten periode in het verleden. In beginsel geldt dat geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. De rechtbank gaat er van uit dat Lakèch de door hem verleende begeleiding tot medio 2019 heeft gefactureerd, dat daarvoor een betalingsverplichting geldt en dat daardoor schade wordt geleden. Om die reden heeft [naam eiser ] een belang bij een beoordeling. De rechtbank zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 4.1.1 en 8.1.1 van de Jeugdwet, de artikelen 4.1 en 7.1 van de Verordening en artikel 12 van het Besluit, eisen aan de (kwaliteit van de) jeugdhulp en jeugdhulpverleners, de evaluatie en met betrekking tot de doelen heeft kunnen stellen en de in het bestreden besluit genoemde gegevens heeft mogen verlangen. De rechtbank acht voorts voldoende duidelijk welke gegevens het college wilde hebben.

Blijkens het dossier zijn er weliswaar stukken overgelegd, maar er is in ieder geval geen overzicht van de opleidingen van [naam eiser ] hulpverleners verstrekt, noch stukken over de wijze waarop de kwaliteit van de ondersteuning gewaarborgd is/welke effectief bewezen methoden worden gehanteerd of over het salaris van [naam eiser ] begeleiders. Ook in deze procedure zijn deze stukken niet ingediend, terwijl niet dan wel onvoldoende is gebleken dat deze redelijkerwijs niet konden worden overgelegd.

Onduidelijk is gebleven wie [naam eiser ] nu precies begeleid heeft. Dat die begeleiding is verricht onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar van Lakèch , [hoofdbehandelaar] , en dat daarom (stukken over) de andere begeleiders niet of minder relevant zijn, zoals namens [naam eiser ] ter zitting is gesteld, volgt de rechtbank niet. Dat maakt niet dat het college niet ten aanzien van alle begeleiders van [naam eiser ] gegevens over opleidingen en salarissen heeft mogen verlangen. Zoals overwogen zijn deze stukken niet verstrekt, ook niet van [hoofdbehandelaar] . Het alleen overleggen van haar BIG-registratie of VOG acht de rechtbank niet conform hetgeen is gevraagd.

Verder leidt de rechtbank uit het dossier af dat de doelen door Lakèch niet zijn behaald. Dit is door Lakèch ook bevestigd.

Onder deze omstandigheden heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen stellen dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat (de jeugdhulp van) Lakèch voldoet aan de kwaliteitseisen en dat de jeugdhulp die Lakèch verleent verantwoord is. Het besluit van het college tot afwijzing van een pgb aan [naam eiser ] voor jeugdhulp door Lakèch houdt daarom stand.

6. Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 12 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: Wettelijk kader

JEUGDWET

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

–jeugdhulp:

1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt,

met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;

opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen:

1°. psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

2°. beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en

3°. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

Artikel 2.3

1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

2. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.

§ 4.1. Kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

Artikel 4.1.1

1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verlenen verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.

2. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling organiseren zich op zodanige wijze, voorzien zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en dragen zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling betrekken hierbij de resultaten van overleg tussen jeugdhulpaanbieders, het college en cliëntenorganisaties. Voor zover het betreft jeugdhulp die verblijf van een jeugdige of ouder in een accommodatie gedurende ten minste een etmaal met zich brengt, draagt de jeugdhulpaanbieder er tevens zorg voor dat in de accommodatie geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de jeugdige of ouder.

3. De hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard.

Artikel 4.1.6

1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van personen die in hun opdracht beroepsmatig of niet incidenteel als vriJeugdwetilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie de jeugdhulpaanbieder jeugdhulp verleent of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd.

2. Een verklaring als bedoeld in het eerste lid is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling ging werken.

Artikel 4.1.7

1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling.

2. De meldcode is zodanig ingericht dat zij er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

Artikel 8.1.1

1. Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, verstrekt het college hun een persoonsgebonden budget dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.

2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.

VERORDENING JEUGDHULP EN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING [woonplaats] 2019

Artikel 4.1.

1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en/of individuele

voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het

college te verstrekken pgb, dient de cliënt daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De cliënt

maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met

een zorg- en budgetplan, waarbij de cliënt aangeeft:

a. wat hij met het pgb wenst in te kopen;

b. waarom hij, in het kader van de Jeugdwet, de ondersteuning in natura niet passend

acht;

c. waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen;

d. indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het

pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren;

e. hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren;

f. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;

g. een onderbouwde begroting.

2. Een pgb is alleen mogelijk als:

naar het oordeel van het college is voldaan aan voorwaarden gesteld in artikel 8.1.1 eerste,

tweede en derde lid Jeugdwet en artikel 2.3.6, eerste, tweede en derde lid Wmo 2015 en de

weigeringsgronden van artikel 8.1.1 vierde lid Jeugdwet en 2.3.6 vijfde lid Wmo 2015 niet

van toepassing zijn.

Artikel 7.1

1. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

2. Het college draagt er zorg voor dat de kwaliteitseisen, genoemd in artikel 4.1.1 Jeugdwet en artikel 3.1 van de Wmo 2015, worden opgenomen in de contracten met de aanbieders.

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende

deskundigheid van medewerkers daaronder begrepen door:

a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

c. erop toe te zien dat beroepskrachten en vriJeugdwetilligers tijdens hun werkzaamheden in het

kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de

professionele standaard.

5. Het college stelt nadere regels omtrent de kwaliteit waaraan een maatwerkvoorziening

welke met een pgb wordt ingekocht moet voldoen

BESLUIT JEUGDHULP EN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

GEMEENTE [woonplaats] 2019

Artikel 12

1. Kwaliteitseisen zorg in natura en pgb:

a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht moeten worden verstrekt;

b. afgestemd zijn op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt;

c. verstrekt worden in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende

verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de professionele standaard. Hiertoe behoren in ieder

geval:

  • -

    Gekwalificeerd personeel;

  • -

    De voor de beroepsgroep geldende registratie;

  • -

    In bezit van VOG;

  • -

    In bezit van branche keurmerk;

  • -

    Systeem van kwaliteitsbewaking;

  • -

    Meldplicht calamiteiten en geweld;

  • -

    Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geïmplementeerd;

  • -

    In geval van een behandeling in het kader van de jeugd- en opvoedhulp heeft de zorgverlener een gekwalificeerde gedragswetenschapper beschikbaar onder wiens

verantwoordelijkheid de behandeling wordt uitgevoerd;

- In geval van een behandeling in het kader van Jeugd-GGZ heeft de zorgverlener een

gekwalificeerde hoofdbehandelaar beschikbaar onder wiens verantwoordelijkheid de behandeling wordt uitgevoerd. Hierbij is de rol van hoofdbehandelaar beschreven in een kwaliteitsstatuut, dat geregistreerd is bij het Zorginstituut;

  • -

    De locatie waar de zorg wordt gegeven dan wel de wijze waarop de ondersteuning is georganiseerd voldoet aan de gangbare eisen die aan de betreffende ondersteuning wordt gesteld;

  • -

    Medewerkers ontvangen een salaris dat passend is voor hun beroepsgroep en functie.

d. Zowel op individueel als macroniveau vindt monitoring plaats op de kwaliteit en effectiviteit van de ondersteuning. Het is immers de bedoeling dat de ondersteuning leidt tot de beoogde resultaten. Deze monitoring kan in de vorm van gesprekken met cliënt of huisbezoek (steekproefsgewijs), audits en het oppakken van signalen van de SVB of anderen binnen of buiten de gemeente.

2. In geval van pgb zal de cliënt binnen het door hem aangeleverd pgb ondersteuningsplan moeten aangeven op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning gewaarborgd is.

3. Voor pgb door een niet-professional uit het eigen netwerk geldt het genoemde onder lid 1c niet. Hier is immers geen sprake van ‘een op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de professionele standaard’.