Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2375

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
02-286897-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte veroordeeld voor een poging tot doodslag, bedreiging en enkelvoudige mishandeling. Voorwaardelijk opzet. Beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-286897-20

vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2021

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda

raadsman mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 28 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

feit 1: verdachte op 12 november 2020 heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

feit 2: verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 14 september 2020 [slachtoffer 2] meerdere malen heeft mishandeld,

feit 3: verdachte op 10 september 2020 [slachtoffer 2] met woorden heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 baseert hij zich op de verklaring van het slachtoffer, de verklaring van verdachte, de verklaring van getuige [getuige] en op de geneeskundige verklaring.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op noodweer en noodweerexces moet worden verworpen.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 baseert de officier van justitie zich op de verklaring van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), de aangifte, de daarbij behorende foto’s en op de verklaringen van de diverse getuigen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten en verzoekt verdachte dan ook vrij te spreken.

feit 1:

Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van een poging tot doodslag, omdat verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet gehad op de dood van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Hij heeft immers [slachtoffer 1] bewust niet in zijn bovenlichaam gestoken omdat zich daar vitale organen bevinden. Hij heeft met het mes in de richting van de benen van [slachtoffer 1] gezwaaid. De kans dat een persoon overlijdt aan een steekwond in het been is veel kleiner dan in het bovenlichaam. De kans op het overlijden is niet aanmerkelijk. Verdachte heeft dan ook niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard om [slachtoffer 1] van het leven te beroven door diens handelen. Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden van dit feit.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Meer subsidiair doet de verdediging een beroep op noodweerexces vanwege de hevige gemoedstoestand waarin verdachte verkeerde ten tijde van het feit. Verdachte dient alsdan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

feit 2:

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 2] eenmaal met de vlakke hand heeft geslagen op 14 september 2020. Gezien de omstandigheden die hebben geleid tot dit feit verzoekt de verdediging artikel 9a Wetboek van Strafrecht toe te passen.

Ten aanzien van de andere mishandelingen die onder dit feit ten laste zijn gelegd, kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen nu er sprake is van slechts één bewijsmiddel en er sprake is van een unus testis (artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering). [slachtoffer 2] is namelijk de enige bron van de verklaringen van de getuigen. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

feit 3:

De verdediging is van mening dat de berichten van verdachte aan [slachtoffer 2] , gezien de omstandigheden, niet was bedoeld als een bedreiging in juridische zin. Daarbij verwijst de verdediging naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een uitlating/bedreiging die uit boosheid of woede wordt gedaan en waarbij degene die bedreigd wordt niet de vrees heeft dat hij/zij daadwerkelijk het leven zal laten of daadwerkelijk zwaar mishandeld zal worden, niet strafbaar is. De verdediging stelt dat, gelet op de laakbare woordkeuze in combinatie met de omstandigheden en de jeugdige leeftijd van verdachte, er geen sprake kan zijn van een bedreiging. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.3.2.1 feit 1, poging tot doodslag:

Op basis van de aangehechte bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Op 12 november 2020 heeft [slachtoffer 2] ruzie op school gehad met [naam 1] , het buurmeisje van verdachte. Nadat [slachtoffer 1] , de broer van [slachtoffer 2] , dit hoorde, is hij op de terugweg van zijn eigen school naar huis naar het [school] gefietst. Hij stond voor de school toen hij verdachte zag. Verdachte was met zijn hond op weg naar een park in de buurt. Hij had ook gehoord van de ruzie tussen [slachtoffer 2] en [naam 1] . [slachtoffer 1] liep richting verdachte om te kunnen zien of het inderdaad verdachte was en toen hij zag dat het verdachte was, heeft hij iets naar hem geroepen. Vervolgens is het tussen hen tot een fysieke confrontatie gekomen. Hoe die confrontatie is begonnen, blijkt niet uit de bewijsmiddelen en ook getuigen hebben die niet gezien. Wel is komen vast te staan dat er over en weer is geslagen en dat zij vervolgens in een worsteling op de grond terecht zijn gekomen. Toen [slachtoffer 1] bovenop verdachte lag, heeft verdachte [slachtoffer 1] met een mes meermalen gestoken door zwaaiende bewegingen met dit mes te maken. Toen [slachtoffer 1] een stekende pijn in zijn been voelde, is hij van verdachte afgegaan en is verdachte daarna weggerend.

[slachtoffer 1] is vervolgens naar het ziekenhuis gebracht. Hij bleek meerdere steekwonden te hebben waaronder steekwonden in zijn been. Hij is met spoed geopereerd, omdat er sprake was van een slagaderlijke bloeding.

De verklaring van verdachte dat hij door [slachtoffer 1] werd aangevallen met een ijzeren staaf of een metalen scooter-/U-slot, volgt de rechtbank niet. Deze verklaring wordt niet gesteund door enig bewijsmiddel in het dossier. Behalve verdachte heeft niemand, ook geen getuige, verklaard over een scooterslot dat [slachtoffer 1] in zijn hand zou hebben gehad. Ook heeft niemand gezien dat [slachtoffer 1] bovenop verdachte zat, terwijl deze verdachte met het scooterslot op zijn achterhoofd wilde slaan. Het is naar het oordeel van de rechtbank tevens niet waarschijnlijk dat [slachtoffer 1] dit slot gedurende de vechtpartij steeds vast heeft gehad, terwijl hij daarmee verdachte niet heeft geraakt. Verder heeft de rechtbank ook geen aanwijzingen in het proces-verbaal gevonden dat verdachte naast het mes ook een ketting heeft gebruikt. De rechtbank gaat er, net als de officier van justitie, van uit dat het gevecht tussen [slachtoffer 1] en verdachte in eerste instantie met blote vuisten is begonnen. Nadat [slachtoffer 1] bovenop verdachte lag, heeft deze een mes uit zijn jaszak gehaald, dat opengeklapt en heeft hij [slachtoffer 1] ermee gestoken.

Opzet en aanmerkelijke kans

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer 1] . Verdachte pakte immers het mes pas op het moment dat [slachtoffer 1] bovenop hem lag. De kans dat [slachtoffer 1] door het handelen van verdachte zou komen te overlijden, is niet aanmerkelijk nu verdachte [slachtoffer 1] juist in zijn benen heeft gestoken omdat zich daar geen vitale organen zouden bevinden. De rechtbank volgt deze redenering van de verdediging niet en overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij is er geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg.

Verdachte heeft tijdens de worsteling met [slachtoffer 1] , terwijl zij beiden op de grond lagen, zwaaiende bewegingen gemaakt met het mes en daarmee [slachtoffer 1] meermalen gestoken. Het was een chaotische situatie waarbij [slachtoffer 1] bovenop verdachte lag. Daarbij heeft verdachte nauwelijks kunnen zien waar hij [slachtoffer 1] met het mes zou raken. Het steken met een mes in het lichaam van een ander brengt de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel van het slachtoffer met zich mee. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dat hij het mes bewust richtte op de benen van het slachtoffer daarbij niet. In de benen van een mens bevinden zich, buiten de slagaders, niet de meest kwetsbare en vitale organen.

Verdachte heeft echter het slachtoffer in een worsteling gestoken waarbij hij ook gemakkelijk het bovenlichaam van het slachtoffer, waar zich wel kwetsbare en vitale organen bevinden, had kunnen raken. Verdachte had geen controle over de plaatsen waar hij het slachtoffer zou kunnen raken met het mes. Hij had [slachtoffer 1] dan ook op andere delen op zijn lichaam kunnen raken, maar dat risico heeft hij op de koop toegenomen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden de kans dat het handelen van verdachte zou leiden tot dodelijk letsel bij [slachtoffer 1] aanmerkelijk was.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat verdachte het intreden van deze kans ook bewust heeft aanvaard. Zij baseert dat oordeel op het handelen van verdachte zelf, waaruit dit naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate voortvloeit. Hij heeft [slachtoffer 1] immers bewust gestoken. Het is overigens een feit van algemene bekendheid dat in een been van een mens ook vitale delen kunnen worden geraakt, zoals bijvoorbeeld een slagader.

De hiervoor omschreven handelingen kunnen indien zij worden doorgezet, de dood tot gevolg hebben en zijn daarmee uitvoeringshandelingen van doodslag. De handelingen van verdachte moeten qua verschijningsvorm ook geacht worden daarop gericht te zijn geweest. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou overlijden en heeft hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen.

De verklaring van [slachtoffer 1] dat hij is gebeten door de hond van verdachte vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Er zijn immers geen getuigenverklaringen die daarop wijzen, terwijl de foto’s in samenhang met de medische verklaring daarvoor geen duidelijkheid bieden. Verdachte ontkent dat zijn hond [slachtoffer 1] heeft gebeten. Verdachte zal dan ook vrijgesproken worden van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] op 12 november 2020 te Breda van het leven te beroven. Zij zal het onder 1 primair ten laste gelegde, behoudens het bijten door de hond, dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaren.

4.3.2.2 feit 2, mishandeling:

Op basis van de aangehechte bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Verdachte heeft [slachtoffer 2] op 14 september 2020 met de vlakke hand in haar gezicht geslagen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de andere mishandelingen die onder dit feit ten laste zijn gelegd. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat

het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan ingevolge artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan dit bewijsminimum (de zogenoemde ‘unus testis’-regel) is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Twee getuigenverklaringen uit dezelfde bron resulteren niet in twee te onderscheiden bewijsgronden die als uitvloeisel van de ‘unus-testis’-regel minimaal zijn vereist ter onderbouwing van de bewezenverklaring als geheel. De strekking van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering noopt dus tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron. Voorts gaat het niet slechts – kwantitatief – om het aantal bronnen van redengevende bewijsgronden, maar ook om de vraag of de aangifte in voldoende mate – kwalitatief – wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. Daarbij is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedraging(en) als zodanig, maar moet het daaraan wel voldoende concrete steun bieden (er mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband).

In zaken zoals deze is er vaak naast de verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van verdachte weinig of geen steunbewijs voorhanden, omdat ten tijde van de ten laste gelegde handelingen doorgaans alleen verdachte en het slachtoffer aanwezig zijn geweest. Indien steunbewijs ontbreekt of dit door de rechter ontoereikend wordt bevonden, blijven de beschuldigende verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan.

De getuigenverklaringen in het dossier hebben alle één bron en dat is die van [slachtoffer 2] . Behalve dat verdachte en [slachtoffer 2] een turbulente relatie hebben gehad en meerdere personen getuige zijn geweest van hun ruzies waarbij zij verbaal tegen elkaar tekeer gingen, zijn deze personen geen getuige geweest van het gegeven dat verdachte fysiek geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 2] . Dat verdachte haar zou hebben mishandeld, hebben zij van [slachtoffer 2] gehoord. Ook hebben verschillende getuigen blauwe plekken bij [slachtoffer 2] gezien in de ten laste gelegde periode. Het dossier bevat ook verschillende foto’s van letsel bij [slachtoffer 2] . Er kan echter onvoldoende worden vastgesteld op welke wijze, op welk moment en door wiens toedoen dit letsel precies is ontstaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende (objectieve) bewijsmiddelen in het dossier aanwezig zijn die de verklaring van [slachtoffer 2] ondersteunen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat enkel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 2] op 14 september 2020 te Breda heeft geslagen. Voor het overige zal verdachte worden vrijgesproken van dit feit.

4.3.2.3 feit 3, bedreiging:

Op basis van de aangehechte bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Verdachte heeft op 10 september 2020 met zijn telefoon de volgende berichtjes naar [slachtoffer 2] gestuurd:

‘Je gaat dood’ en ‘ik sla je helemaal de kanker in’.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat deze berichten niet de kwalificatie van bedreiging kunnen dragen.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Uit het dossier komt naar voren dat op het moment dat verdachte deze berichten heeft gestuurd naar [slachtoffer 2] hun relatie al was beëindigd en dat er zich sindsdien meerdere incidenten hadden voorgedaan. De spanningen waren inmiddels erg hoog opgelopen. De berichtjes van verdachte dienen dan ook in dat licht te worden bezien en kunnen ook worden gekwalificeerd als bedreiging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 12 november 2020 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, door die [slachtoffer 1] met een mes meermalen in zijn been te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. op 14 september 2020 te Breda, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] eenmaal in het gezicht te slaan;

3. hij op 10 september 2020 te Breda [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (via berichten) dreigend de woorden toe te voegen: "Je gaat dood" en "ik sla je helemaal de kanker in".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 niet strafbaar is nu geenszins kan worden uitgesloten dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer c.q. dat er sprake is van noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval/aanranding door [slachtoffer 1] en dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging die het gevolg was van de aanranding door [slachtoffer 1] .

Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte al langere tijd werd bedreigd door personen uit de omgeving van [slachtoffer 2] , onder wie [slachtoffer 1] , en dat er al meerdere onderlinge incidenten hadden plaatsgevonden. Verdachte voelde zich zo ernstig bedreigd dat hij een mes bij zich is gaan dragen om zich eventueel te kunnen verdedigen. Nadat [slachtoffer 1] verdachte heeft aangevallen met een scooterslot moest verdachte zich verdedigen. Toen [slachtoffer 1] bovenop hem lag, vreesde verdachte dat [slachtoffer 1] hem met het scooterslot op zijn achterhoofd zou slaan en toen heeft hij [slachtoffer 1] uit verdediging gestoken met een mes.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden. Hij heeft daarbij aangevoerd dat de verklaring van verdachte dat hij door [slachtoffer 1] werd aangevallen met een metalen (beugel)scooterslot niet wordt ondersteund door de bewijsmiddelen in het dossier. Er is behalve verdachte geen getuige die heeft verklaard een dergelijk slot te hebben gezien dan wel dat [slachtoffer 1] deze in zijn hand had tijdens de worsteling tussen hen beiden. De officier van justitie gaat er dan ook van uit dat het een gevecht was met blote handen. De officier van justitie is van mening dat in zo’n gevecht het niet proportioneel is om te steken met een mes. Een dergelijk zwaar middel was niet noodzakelijk ter verdediging.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Zoals eerder in de bewijsoverweging is overwogen, vindt de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] hem zou hebben aangevallen met een scooterslot geen steun in de bewijsmiddelen. Het is weliswaar onduidelijk hoe het gevecht tussen verdachte en [slachtoffer 1] is begonnen, maar het was een gevecht met ‘blote handen’.

Ook al zou er sprake zijn geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer 1] , dan moet de vraag beantwoord worden of het verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De rechtbank beantwoordt deze vraag eveneens ontkennend. Verdachte heeft andere opties gehad om zich te onttrekken van het gevecht. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat verdachte had kunnen weten dat er zich problemen zouden kunnen voordoen bij de school, omdat hij op de hoogte was van de ruzie die de zus van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , op die dag had gehad met een vriendin/buurmeisje van verdachte, genaamd [naam 1] . Verdachte heeft er toch voor gekozen om zich te begeven in de omgeving van de school van [slachtoffer 2] , terwijl er al een reeks onderlinge incidenten hadden plaatsgevonden. Verdachte vond het zelfs nodig om een mes bij zich te dragen ter verdediging vanwege deze eerdere incidenten. Toch koos hij ervoor om zich in de nabijheid van de school van [slachtoffer 2] te begeven en toen het kwam tot een confrontatie met [slachtoffer 1] , zich hier niet van de distantiëren door daarvan weg te lopen.

Gezien de feiten en omstandigheden als hiervoor omschreven en als aangehaald in de bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer niet kan slagen nu het verdedigingsmiddel niet in verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en dit brengt met zich mee dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 120 uur en een jeugddetentie van 255 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten, met bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij een veroordeling van verdachte, een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest passend is. De verdediging verzoekt daarnaast eventueel het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie en de duur van de werkstraf te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

6.3.1

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Deze feiten komen voort uit een conflictueuze relatie die verdachte heeft gehad met [slachtoffer 2] . Tijdens en na de relatie hebben zich onderling meerdere incidenten voorgedaan. De spanningen tussen de familie van verdachte en de familie van [slachtoffer 2] zijn zo hoog opgelopen dat er meerdere (gewelddadige en bedreigende) conflicten hebben plaatsgevonden waarbij geweld tegen personen of goederen niet werd geschuwd.

Tegen deze achtergrond zijn door verdachte de bewezenverklaarde feiten gepleegd. Hij heeft [slachtoffer 2] op 10 september 2020 bedreigd met de dood en met zware mishandeling toen hij hoorde dat [slachtoffer 2] seks zou hebben gehad met zijn beste vriend. [slachtoffer 2] heeft zich hierdoor bedreigd gevoeld. Kort hierna had verdachte op 14 september 2020 met [slachtoffer 2] afgesproken in het bos. Verdachte heeft [slachtoffer 2] toen geslagen in haar gezicht. De spanningen tussen de verschillende families liepen steeds verder op en er is meerdere malen melding van gedaan bij de politie.

Op 12 november 2020 had [slachtoffer 2] op school gevochten met [naam 1] , de/het voornoemde vriendin/buurmeisje van verdachte. Toen [slachtoffer 1] hoorde van dit gevecht is hij naar de school van [slachtoffer 2] gefietst. Ook verdachte had gehoord van dit gevecht. Hij was zijn hond gaan uitlaten en hij is toen langs de school gelopen. Hij was op weg naar het park. [slachtoffer 1] zag verdachte en hij riep iets naar verdachte. Hierna is het tot een gevecht gekomen waarbij over en weer is geslagen. Verdachte en [slachtoffer 1] zijn al worstelend op de grond gevallen. [slachtoffer 1] lag bovenop verdachte. Verdachte heeft toen een mes uit zijn jaszak gehaald en [slachtoffer 1] meerdere malen gestoken. [slachtoffer 1] is van verdachte afgegaan en hij merkte dat hij niet meer op zijn benen kon staan. Er kwam direct veel bloed uit een wond op zijn been. [slachtoffer 1] is hierna met spoed naar het ziekenhuis gebracht vanwege ernstig letsel aan zijn been. Hij is met spoed geopereerd vanwege een slagaderlijke bloeding in zijn been. Indien [slachtoffer 1] deze medische hulp niet snel had gekregen dan had het heel anders voor hem kunnen aflopen.

Het is nog niet duidelijk of [slachtoffer 1] volledig zal herstellen van zijn verwondingen. De schade in zijn been is van dien aard dat hij nog dagelijks de gevolgen hiervan ondervindt en hij niet meer op hoog niveau kan sporten, zoals blijkt uit zijn slachtofferverklaring.

De door verdachte gepleegde feiten zijn ernstig en de rechtbank rekent hem deze feiten ook aan. Het behoeft daarbij geen betoog dat het steken van iemand met een mes een zeer ernstig feit is en daarmee ook grote gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt bij het slachtoffer. De gevolgen voor het slachtoffer zijn groot. Niet alleen de fysieke gevolgen, maar zeker ook de psychische gevolgen. Bovendien is een dergelijk gewelddadig optreden op straat zeer schokkend voor de ooggetuigen en versterkt het de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Enerzijds rekent de rechtbank verdachte aan dat hij al met een mes op zak liep. Hij heeft verklaard dit voor zijn eigen verdediging te dragen in verband met de onderlinge spanningen die er al waren, maar door de keuze te maken een mes bij zich te dragen, is de stap om het te gebruiken, veel kleiner geworden en dat risico heeft hij bewust genomen. Anderzijds houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het eigen aandeel van het slachtoffer. [slachtoffer 1] heeft zaken geroepen naar verdachte en hij is een confrontatie met verdachte ook niet uit de weg gegaan. Gezien de conflictueuze relatie tussen de families en hetgeen al had plaatsgevonden, heeft [slachtoffer 1] in het ontstaan van de vechtpartij ook zeker een aandeel gehad. Hij had echter niet kunnen weten dat verdachte een mes bij zich had en dat verdachte dit ook naar hem toe zou gebruiken.

6.3.2

De persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de psycholoog en van de verschillende rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) over verdachte.

In het rapport van psycholoog [naam 2] van 12 februari 2021 is geconcludeerd dat bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis of van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, ook niet ten tijde van het plegen van de feiten. De psycholoog adviseert de rechtbank om verdachte het ten laste gelegde toe te rekenen. Het recidiverisico wordt op laag geschat.

Verdachte kent een ietwat belaste achtergrond ten gevolge van het syndroom waar hij aan lijdt. Zijn persoonlijkheid kenmerkt zich inmiddels wel door een wat onverschillige, onverstoorbare grondattitude van waaruit hij zich weinig laat zeggen, doch hij blijkt nog voldoende onder de indruk van autoriteiten om een aangepast bestaan op te kunnen bouwen. Concreet wordt geadviseerd verdachte nog enige tijd onder toezicht te houden van de jeugdreclassering om de juiste voorwaarden te kunnen creëren om zijn scholing weer op te pakken en problemen in relatie met (de familie van) aangevers verder te voorkomen. Er wordt niet tot enig gedragskundig advies gekomen daar geen psychische stoornis is vastgesteld en derhalve ook geen doorwerking van een stoornis in het ten laste gelegde.

De rechtbank neemt deze conclusies over van de psycholoog voor zowel wat betreft de toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte als de inschatting van het recidiverisico.

De Raad onderschrijft in het rapport van 23 april 2021 de bevindingen en conclusies door de psycholoog. In het onderzoek door de Raad komen geen bijzonderheden naar voren over agressieregulatie van verdachte en het risico op een delict met agressie wordt als laag ingeschat. Ondanks de schorsingsvoorwaarden blijven er incidenten plaatsvinden tussen de (familie van) verdachte en de (familie van) aangevers. Het is daarom van belang dat verdachte nog gevolgd zal worden door de jeugdreclassering om deze incidenten te monitoren en waar nodig bij te sturen.

Daarbij acht de Raad het nodig ook het contactverbod tussen verdachte en [slachtoffer 2] en haar familie te continueren evenals het verbod om bij [slachtoffer 2] in de straat te komen om zoveel als mogelijk onderlinge confrontaties te voorkomen. De Raad acht ook geen verdere gedragsinterventies noodzakelijk, mits de jeugdreclassering betrokken blijft.

De Raad heeft ter zitting het advies deels aangepast en adviseert nu aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene voorwaarden en als bijzondere voorwaarden toezicht door de jeugdreclassering, een contactverbod en een locatieverbod. Daarnaast wordt geadviseerd om verdachte een taakstraf op te leggen.

Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat verdachte zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. De jeugdreclassering acht verder toezicht nodig om verdachte verder te kunnen begeleiden.

6.3.3

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit de rapporten en ter zitting naar voren is gekomen, alsook de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting.

In deze oriëntatiepunten voor straftoemeting is (een poging tot) doodslag niet opgenomen. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt van zware mishandeling met zeer zwaar lichamelijk letsel. Onder zeer zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht. Voor een dergelijk feit wordt als oriëntatiepunt genomen een jeugddetentie vanaf 6 maanden. Voor de bedreiging en de mishandeling gelden oriëntatiepunten van ieder 20 uur taakstraf.

De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aan verdachte op te leggen straf aanzienlijk lager dient te zijn, gelet op de voor de rechtspraak geldende oriëntatiepunten. Daarnaast weegt de rechtbank ook de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan mee waarbij, zoals hierboven overwogen, ook [slachtoffer 1] een aandeel in de vechtpartij (feit 1) heeft gehad.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, acht de rechtbank het opleggen van een jeugddetentie een passende straf. Om de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en om zijn begeleiding te kunnen waarborgen, ziet de rechtbank aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht, een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en hun gezin alsmede een locatieverbod in de straat waar zij wonen.

De rechtbank is van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer hoeft te duren dan de voorlopige hechtenis. Daarbij gaat de rechtbank uit van een voorlopige hechtenis van 75 dagen.

De rechtbank stelt de proeftijd op twee jaren en zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht bevelen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging doodslag, mishandeling en bedreiging. Hoewel ten aanzien van de persoon van verdachte het recidiverisico op laag wordt ingeschat, zijn de spanningen tussen verdachte en (de familie van) [slachtoffer 2] nog onverminderd hoog. Nog kort voor de behandeling ter zitting is er aangifte gedaan en hebben er onderlinge incidenten plaatsgevonden. Als gevolg van een van deze incidenten is de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven. Teneinde te voorkomen dat kort na deze uitspraak het weer mis zal gaan, acht de rechtbank het toezicht van de jeugdreclassering, het contactverbod en een locatieverbod noodzakelijk.

Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 77z Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van art. 77aa Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat naast de jeugddetentie een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden is.

7 De benadeelde partijen

7.1

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 6.120,37 voor feit 1. Dit betreft € 1.520,37 aan materiële schade, bestaande uit kleiding en een ziekenhuisopname en € 5.000,00 aan immateriële schade.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze vordering kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft daarbij verzocht de wettelijke rente te bepalen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafproces is en verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Er is volgens de verdediging meer onderzoek nodig voor het causaal verband van de aangeleverde transacties en de kleding die [slachtoffer 1] droeg op 12 november 2020. Dit geldt eveneens voor de gevorderde immateriële schade. Ook de beoordeling hiervan vormt een te grote belasting van het strafproces.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Het gevorderde bedrag voor de opname in het ziekenhuis van € 31,00 is toewijsbaar.

De rechtbank stelt verder vast dat de door de benadeelde partij aangevoerde kleding te weten een jas van Stone Island, een shirt (geen merk opgenomen), een broek (geen merk opgenomen) en schoenen van Balenciaga door de politie in beslag zijn genomen, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 101 van het eindproces-verbaal. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om in dit strafproces nader onderzoek te doen naar de exacte hoogte van de waarde van de kleding. Wel acht de rechtbank met de huidige onderbouwing een bedrag tot € 1.000,00 ten aanzien van de kleding aannemelijk en toewijsbaar.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 1] als gevolg van het letsel met spoed moest worden geopereerd. Hij heeft mogelijk blijvend letsel opgelopen, hij heeft langere tijd in een rolstoel gezeten en met krukken gelopen. Het is nog niet duidelijk of [slachtoffer 1] volledig zal herstellen. Bovendien brengt de ernst en impact van het feit met zich dat [slachtoffer 1] ook immateriële schade heeft geleden. De rechtbank zoekt aansluiting bij het bij de vordering overgelegde precedent. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 3.000,00 immateriële schade toewijsbaar is.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 4.031,00, waarvan € 1.031,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal tevens de wettelijke rente bepalen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot de toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd.

Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

7.2

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 5.000,00 immateriële voor de feiten 2 en 3.

De officier van justitie heeft aangegeven dat het lastig is om vast te stellen in hoeverre deze feiten hebben geleid tot de verzochte immateriële schade. Hij zou zich kunnen voorstellen dat de rechtbank het gevorderde bedrag zal matigen. De officier van justitie heeft daarbij verzocht de wettelijke rente te bepalen en de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente op te leggen.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu het lastig is te bepalen welke schade zij heeft geleden als gevolg van het handelen van verdachte. Het gevorderde bedrag komt daarnaast niet overeen met de bijgevoegde jurisprudentie.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] eenmaal heeft geslagen en dat hij haar heeft bedreigd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat er door [slachtoffer 2] immateriële schade is geleden. De rechtbank komt echter tot een andere bewezenverklaring waardoor het bedrag moet worden gematigd.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal tevens de wettelijke rente bepalen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot de toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd.

Een verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Poging tot doodslag

feit 2: Mishandeling;

feit 3: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 105 dagen, waarvan 30 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk op 14 mei 2021 te 12.00 uur zal melden bij de jeugdreclassering, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant te Roosendaal en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de jeugdreclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] [slachtoffer 2], en hun gezinsleden, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht (met uitzondering wanneer dit contact nodig is in het kader van een mediationtraject); De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de straat waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] wonen, te weten [adres 2], zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;

- geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 dagen;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van

€ 4.031,00 waarvan € 1.031,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 november 2020 tot aan de dag der voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] (feit 1), € 4.031,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 november 2020 tot aan de dag der voldoening.

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 500,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 september 2020 tot aan de dag der voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3), € 500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 september 2020 tot aan de dag der voldoening.

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzitter, mr. I. de Graaf en mr. Bogaert, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van Boink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 mei 2021.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

Aan bovengenoemde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1

hij op of omstreeks 12 november 2020 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk

van het leven te beroven, althans om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer 1] met een mes meermalen, althans eenmaal, in zijn been, in elk geval zijn lichaam te steken en/of een hond die [slachtoffer 1] in zijn been, in elk geval zijn lichaam te laten bijten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 287 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 14 september 2020 te Breda, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]

- ( telkens) meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuist) in/op/tegen het gezicht, althans het lichaam te slaan/stoten/stompen en/of - een knietje in/tegen de buik te geven;

(Artikel art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3

hij op of omstreeks 10 september 2020 te Breda [slachtoffer 2] (telkens) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (via berichten) dreigend de woorden toe te voegen:

"Je gaat dood" en/of "ik sla je helemaal de kanker in" althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

(Artikel art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)