Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2373

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5703
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schumackerzaak. Belanghebbende woont met zijn partner in Duitsland en geniet inkomsten uit vroegere dienstbetrekking in Nederland. In geschil is of Nederland gelet op het Unierecht voordelen moet toekennen. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat hij in aanmerking komt voor voordelen, mede gelet op het gegeven dat in de woonstaat een aanslag is opgelegd waaruit volgt dat inkomstenbelasting verschuldigd is. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat het "Ertragsanteil" niet kan worden aangemerkt als een persoonlijke tegemoetkoming. De rechtbank verwerpt daarnaast de stelling van belanghebbende dat met de aftrekposten op de aanslag geen rekening moet worden gehouden omdat deze standaard worden toegepast bij het vaststellen van de Duitse belastingaanslag. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-5-2021
NTFR 2021/1716
V-N Vandaag 2021/1254
FutD 2021-1675 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2021/1118 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/5703

uitspraak van 11 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ( Duitsland ),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 september 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.379, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 35 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.56.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . De gemachtigde van belanghebbende, J. Elfrink MB RB verbonden aan Elfrink ten Bokum te Hengelo, is via beeldverbinding verschenen en gehoord.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote woonden het gehele jaar 2015 in Duitsland

2.2.

Belanghebbende heeft in 2015 in totaal € 42.622 aan uitkeringen uit Nederland ontvangen, bestaande uit een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van € 9.801 en een pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: het ABP) van € 32.821. Op de pensioenuitkering van het ABP is € 1.632 aan Nederlandse loonheffing ingehouden.

2.3.

In zijn aangifte IB over het jaar 2015 heeft belanghebbende aangegeven dat € 13.243, zijnde 40,35% van de pensioenuitkering van het ABP, niet in Nederland belast is. Verder heeft hij een saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning aangegeven van negatief € 7.850 (aftrek eigen woning).

2.4.

De inspecteur heeft de aanslag IB 2015 opgelegd in afwijking van de aangifte. Belanghebbende is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, met als gevolg dat de in de aangifte geclaimde aftrek eigen woning niet in aanmerking is genomen. Daarnaast is bij de aanslag geen rekening gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting.

2.5.

Uit de gezamenlijke Duitse belastingaanslag volgt dat belanghebbende en zijn echtgenote in 2015 een bedrag van € 59 aan belasting verschuldigd waren.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het door belanghebbende gemaakt bezwaar afgewezen.

2.7.

In geschil is of de aanslag naar de juiste hoogte is vastgesteld. De gemachtigde heeft namens belanghebbende ter zitting de stelling dat belanghebbende op grond van artikel 7.8, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met 21bis van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ingetrokken. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of Nederland gelet op het Unierecht voordelen moet toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie. In het bijzonder gaat het daarbij om het (gedeeltelijk) verlenen van aftrek eigen woning en het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting (hierna ook: persoonlijke tegemoetkomingen).

2.8.

Belanghebbende beroept zich op de Schumacker-doctrine en stelt in dat kader dat Duitsland als gevolg van zijn geringe inkomen geen rekening heeft kunnen houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Hij heeft aangevoerd dat de pensioeninkomsten slechts voor 23% (als "Ertragsanteil") in de Duitse belastinggrondslag worden betrokken en gelet hierop niet wordt uitgekomen boven het "Grundfreibetrag" (de belastingvrije som) van € 8.472. Dit heeft tot gevolg dat hij geen van de in de Duitse belastingaanslag opgenomen aftrekposten heeft kunnen effectueren. Daarnaast stelt hij dat Duitsland geen enkele mogelijkheid kent om negatieve uitgaven in verband met de eigen woning in aftrek te brengen.

2.9.

De inspecteur bestrijdt dat belanghebbende zich in een zogenoemde Schumacker-situatie bevindt. Uit het gegeven dat belanghebbende in Duitsland € 59 aan belasting is verschuldigd, volgt dat in Duitsland wel degelijk rekening is gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. Duitsland doet dat door slechts een deel van de pensioeninkomsten (als "Ertragsanteil") in de grondslag te betrekken en diverse aftrekposten ("Werbungskosten-Pauschbetrag", "Abziehbaren Vorsorgeaufwendungen" en "Sonderausgaben-Pauschbetrag") toe te kennen. Belanghebbende heeft dan ook geen recht op persoonlijke tegemoetkomingen in Nederland, aldus de inspecteur.

2.10.

Uit de zogenaamde Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke- en gezinssituatie, in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke- en gezinssituatie.1 In zo’n geval kan het onthouden – door die andere lidstaat (werkstaat) – van de bedoelde belastingvoordelen aan een niet-ingezetene wel discriminatie opleveren. De zojuist vermelde omstandigheden waarin bedoelde uitzondering op de regel zich voordoet, zijn geen harde criteria. In het bijzonder is uit rechtspraak gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat.2 Ook als dat laatste niet het geval is, kan onder omstandigheden de werkstaat toch gehouden zijn (gedeeltelijk) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen aan de niet-ingezetene. De nadruk ligt er dan vooral op of de niet-ingezetene weinig inkomsten geniet in zijn woonstaat.3

2.11.

In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of belanghebbende een zodanig gering inkomen in de woonstaat (hierna: ‘een te gering inkomen’) heeft dat Nederland belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie moet toekennen aan belanghebbende. Van een te gering inkomen is sprake indien de woonstaat belanghebbende niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken.4 De beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet gebeuren naar maatstaven van de woonstaat.5

2.12.

De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust om de feiten te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, aannemelijk te maken die van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van een te gering inkomen, alsmede om een voldoende gemotiveerde onderbouwing te geven van de fiscale behandeling in de woonstaat. Opmerking verdient verder dat, indien in de woonstaat een aanslag is opgelegd waaruit volgt dat inkomstenbelasting verschuldigd is, dit een aanwijzing is dat geen sprake is van een te gering inkomen in de woonstaat als hiervoor bedoeld. In dat geval mag in het bijzonder van een belastingplichtige een gemotiveerde onderbouwing worden verwacht waarom dat toch anders is.

2.13.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende met de toelichting dat Duitsland een ander pensioenstelsel kent onvoldoende heeft onderbouwd dat het "Ertragsanteil" niet kan worden aangemerkt als een persoonlijke tegemoetkoming. Belanghebbende heeft in dat verband geen (begin van) inzicht en onderbouwing gegeven in de achtergrond en ratio van de betreffende Duitse belastingregeling zoals deze in de situatie van belanghebbende wordt toegepast. Dit geldt eveneens voor de overige in de Duitse belastingaanslag toegepaste aftrekposten. De rechtbank verwerpt verder de stelling van belanghebbende dat met de aftrekposten op de aanslag geen rekening moet worden gehouden omdat deze standaard worden toegepast bij het vaststellen van de Duitse belastingaanslag. Dat gegeven brengt niet mee dat met die posten geen rekening gehouden hoeft te worden bij de beoordeling van de situatie van belanghebbende. Belanghebbende heeft, mede gelet op dat wat in 2.12 is overwogen, dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en de persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken.

Dat Duitsland geen mogelijkheid kent om negatieve uitgaven in verband met de eigen woning in aftrek te kunnen brengen, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Bij de beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet immers worden uitgegaan van de belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie waarop belanghebbende in de woonstaat aanspraak had kunnen maken (zie 2.11). Voor zover Duitsland een dergelijke aftrek niet kent, is sprake van een dispariteit.

2.14.

Belanghebbendes beroep op de toelichting van de Staatssecretaris bij de verwijzingsuitspraak van het Hof Den Haag van 5 december 2017 (BK-17/00505) kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.15.

De rechtbank komt tot de conclusie dat Nederland niet verplicht is aan belanghebbende persoonlijke tegemoetkomingen toe te kennen.

2.16.

Belanghebbendes beroep op de toelichting van de Staatssecretaris bij de verwijzingsuitspraak van het Hof Den Haag van 5 december 2017 (BK-17/00505) kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.17.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.18.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2021 door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Vgl. de zaak Schumacker, C279/93, EU:C:1995:31, punten 34 en 36, en HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1722.

2 Vgl. de conclusie van A-G Niessen met nummer ECLI:NL:PHR:2015:2449 en de daarin aangehaalde jurisprudentie, alsmede HvJ 9 februari 2017, zaak X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102.

3 Vgl. de zaak X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 39.

4 Vgl. de zaak X, punt 39.

5 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5786.