Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2342

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
C/02/384447 / JE RK 21-766
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Zorgelijke situatie jeugdzorg Zeeland. Geen beschikbaarheid gecertificeerde instelling. Wachtlijst. Verzoek ondertoezichtstelling aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/384447 / JE RK 21-766

Datum uitspraak: 22 april 2021

Beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zuidwest Nederland, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Eindhoven

betreffende

[minderjarige] , geboren op 20 mei 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Kalle.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de man] , hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

STICHTING INTERVENCE, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Middelburg.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlage(n) van de Raad van 7 april 2021, ingekomen bij de griffie op 9 april 2021;

- de schriftelijke reactie van de GI, overhandigd door de GI tijdens de mondelinge behandeling van 22 april 2021.

Op 22 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak mondeling - met gesloten deuren -behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. M. Kalle,

- een vertegenwoordiger van de Raad,

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[minderjarige] woont bij de moeder.

Het verzoek

De Raad heeft verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van negen maanden.

De standpunten

De GI legt tijdens de mondelinge behandeling een verklaring over met volgende inhoud:

“Intervence heeft op dit moment geen ruimte om het gezin op te nemen. Hoe spijtig dat ook is. Met de beste intentie zijn wij hier op uw verzoek aanwezig. U kent het besluit van de Zeeuwse wethouders die het contract met Intervence per 1 januari jongstleden op hebben gezegd. Wij hebben hierdoor als organisatie, in opdracht van de Zeeuwse gemeenten, ondanks het vertrek van gezinsmanagers, een lange tijd geen personeel mogen aannemen, waardoor wij onvoldoende capaciteit hebben om nieuwe maatregelen op te kunnen pakken. Op het moment dat u het gezin toewijst aan Intervenvce dan zal het gezin op een wachtlijst komen te staan. Wij zullen de verantwoordelijke Zeeuwse gemeenten inlichten en onze grote zorgen over de veiligheid die nu niet gewaarborgd is wederom onder de aandacht brengen. Tevens zullen wij verzoeken tot een oplossing. Daarnaast maken wij melding bij de inspectie van de situatie die zich nu voordoet.”

De Raad geeft tijdens de mondelinge behandeling allereerst aan dat de reactie van de GI wordt gesteund door de Raad. Naar aanleiding van het besluit van de Zeeuwse gemeenten maakt de Raad zich zorgen over de veiligheid van de minderjarigen in Zeeland.

De Raad handhaaft het verzoek echter wel. Volgens de Raad betreft het verzoek onder andere de omgang, maar er is meer aan de hand. Uit de raadsrapportage blijkt dan ook aan welke doelen vanuit een ondertoezichtstelling moet worden gewerkt. In de raadsrapportage staat de volgorde van de doelen verkeerd vermeld maar er moet wel degelijk worden gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te doen nemen en dus niet alleen aan de omgang tussen de vader en [minderjarige] , aldus de Raad. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] , onder andere vanwege de sensitiviteit van [minderjarige] . Volgens de Raad heeft de moeder vele pogingen gedaan om er voor te zorgen dat er contact is tussen de vader en [minderjarige] maar dit is niet gelukt. Daarbij heeft de moeder het standpunt ingenomen dat zij geen hulpverlening voor contactherstel wil accepteren zolang de vader geen stappen zet en nog niet te vertrouwen is. De Raad merkt op dat het niet prettig is dat de vader niet verschenen is tijdens de mondelinge behandeling. Als de vader de komende periode geen actie onderneemt in het contact tussen hem en [minderjarige] , dan overweegt de Raad zijn verzoek in te trekken.

Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verzocht om afwijzing van het verzoek. De moeder geeft aan dat zij inziet dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] , maar dat dat niet aan de moeder ligt. De moeder merkt op dat het verzoek om een omgangsondertoezichtstelling lijkt te gaan. Dit kan volgens de Hoge Raad alleen als het om een uitzonderlijke situatie gaat, hetgeen nu niet het geval is. De moeder staat niets in de weg, zij informeert de vader altijd op tijd en vervolgens moet de vader reageren, maar dat doet hij niet. De vader heeft één keer een berichtje gestuurd, maar op verjaardagen of tijdens de kerstdagen komt er geen bericht van de vader. De moeder is inmiddels verhuisd en de vader heeft hierop geen enkele reactie gegeven. De moeder geeft aan dat het verzoek er ligt omdat de vader in actie moet komen, hetgeen hij ondanks de ingezette hulpverlening nog steeds niet doet. De moeder ervaart een ondertoezichtstelling als een stempel omdat het niet goed zou gaan met [minderjarige] . Het gaat echter wel goed met [minderjarige] , hij heeft alleen geen contact met zijn vader. De moeder vindt dat als er eenmaal omgang tussen de vader en [minderjarige] moet plaatsvinden, dat hij dan wel op zijn vader moet kunnen vertrouwen. De moeder verklaart dat de vader niet negatief wordt weggezet in haar gezin en dat [minderjarige] zich ook vrij kan voelen om over zijn vader te praten. [minderjarige] heeft wel contact met zijn opa en oma van vaderszijde. Als [minderjarige] vragen stelt over zijn vader, wordt hierop ook geantwoord door de moeder. [minderjarige] durft wel naar zijn vader te vragen, maar lijkt er nog niet mee bezig te zijn, aldus de moeder. De moeder stelt dat een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is en dat er niet eerst stappen van de vader moeten worden afgewacht. Volgens de moeder moet het verzoek dan ook worden afgewezen en niet worden aangehouden.

De beoordeling

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt naar het oordeel van de kinderrechter dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] heeft te maken met ouders die niet in staat zijn op een constructieve manier met elkaar te communiceren, ondanks de ingezette hulpverlening. De ouders zijn, in het kader van de procedure met betrekking tot (onder meer) de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] (bekend onder kenmerk C/02/359279 / FA RK 19-2830), in het kader van het Uniform Hulpaanbod verwezen naar een zorgtraject bij het Scheidingspunt. Hoewel de hulpverlening geen contra-indicaties ziet voor contact tussen de vader en [minderjarige] , is de moeder hiervoor nog niet klaar, waardoor het Scheidingspunt de opdracht heeft terug gemeld bij de Raad. Vervolgens heeft de Raad onderzoek gedaan, waaruit het onderhavige verzoek is voortgevloeid. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat, nu reeds lang geen sprake is van contact tussen [minderjarige] en zijn vader en hij daardoor geen (positief) beeld over hem kan ontwikkelen, de ontwikkeling van [minderjarige] identiteit negatief beïnvloed wordt. Voor [minderjarige] is het belangrijk zich te kunnen spiegelen aan beide ouders en met beiden contact te hebben op een onbelaste manier. Daar staat tegenover dat de vader niet betrouwbaar is gebleken in het nakomen van afspraken en ook nu niet is verschenen tijdens de mondelinge behandeling. De kinderrechter heeft dan ook begrip voor het standpunt van de moeder dat de vader, alvorens zij wil meewerken aan contact, eerst zal moeten laten zien dat hij betrouwbaar genoeg is.

Voor de vraag of het verzoek tot ondertoezichtstelling dient te worden toegewezen is allereerst van belang de vaststelling dat de kinderrechter een dergelijk verzoek slechts kan uitspreken wanneer een GI deze maatregel ook daadwerkelijk kan uitvoeren. De Raad heeft zijn verzoek nadrukkelijk , ondanks het feit dat de GI heeft aangegeven niet in staat te zijn de maatregel te kunnen uitvoeren, gehandhaafd.

De kinderrechter overweegt verder als volgt.

In Zeeland is, zoals uit deze zaak blijkt, op dit moment sprake van een zeer zorgelijke situatie. Ten gevolge van het opzeggen van het contract door de samenwerkende gemeenten met de GI in december 2020, bestaat er bij de GI en de andere in deze regio opererende GI’s een grote personele druk. Daar is bij gekomen dat het certificaat van Briedis recent is beëindigd, waardoor Briedis haar zaken binnen zes maanden dient af te stoten. Onder deze omstandigheden zijn de overige in Zeeland opererende GI’s op dit moment niet altijd in staat nieuwe casussen op te pakken. De kinderrechter stelt vast dat deze situatie in flagrante strijd is met de belangen van de minderjarigen in de regio Zeeland die gedwongen hulp nodig hebben.

Gelet op voornoemde omstandigheid ziet de kinderrechter aanleiding het verzoek van de Raad voor een korte periode aan te houden tot aan een mondelinge behandeling waarbij het onderhavige verzoek zal worden behandeld in combinatie met de eerder genoemde zaak met kenmerk C/02/359279 / FA RK 19-2830. Gedurende de periode tot de volgende mondelinge behandeling kan de vader laten zien dat hij bereid en in staat is om zich in de toekomst aan afspraken te houden in het kader van (de opbouw naar) een omgangstraject. De kinderrechter verwacht van de vader in deze periode dan ook een actieve houding, onder meer in de vorm van het sturen van kaartjes ed. aan [minderjarige] . De Raad heeft aangegeven dat hij, afhankelijk van de opstelling van de vader gedurende deze periode, zich zal beraden over het handhaven van zijn verzoek. De kinderrechter verzoekt de Raad, in het geval hij zijn verzoek handhaaft, opnieuw te bezien of er een GI bereid en in staat is de zaak op te pakken en zijn verzoek op dat punt eventueel aan te passen.

De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, het verzoek tot ondertoezichtstelling aanhouden en wel tot de mondelinge behandeling van 11 juni 2021 te 13.45 uur, zulks in afwachting van de beschikbaarheid van een GI en of de vader stappen heeft gezet richting [minderjarige] . Zij verzoekt de Raad om uiterlijk een week voor de mondelinge behandeling een standpunt in te nemen over het al dan niet handhaven van het verzoek.

De beslissing

De kinderrechter:

houdt de behandeling van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van 11 juni 2021 te 13.45 uur, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de Raad, de moeder, de vader en de GI;

behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D.I.E. van Dijke, als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 mei 2021.

EvD.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.