Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2334

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
02-290581-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken voor de ten laste gelegde verduisteringen onder feiten 1, 2 en 3 (primair), (onder meer) nu de rechtbank de ten laste gelegde pleegplaats niet kan bewijzen. De rechtbank veroordeelt verdachte voor het plegen van oplichtingen, ten laste gelegd onder 3, subsidiair, 4, 5 en 6 tot een gevangenisstraf van zeven maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/290581-19

vonnis van de meervoudige kamer van 10 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. M. Houweling, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: een heftruck en vijf gasflessen heeft verduisterd;
feit 2: een aanhanger heeft verduisterd;
feit 3: een graafmachine heeft verduisterd, dan wel [naam 1] heeft opgelicht;
feit 4: [naam 2] heeft opgelicht, dan wel een grote aggregaat, een kleine aggregaat en een aanhangwagen heeft verduisterd;
feit 5: [naam 3] heeft opgelicht;
feit 6: [naam 4] heeft opgelicht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. Zij baseert zich hiervoor op de bewijsmiddelen uit het dossier.

Ten aanzien van feit 3 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat oplichting, zoals subsidiair tenlastegelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de valse naam en valse hoedanigheid die verdachte heeft aangenomen. Voor feit 3 primair dient vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van feit 5 heeft de officier van justitie verzocht de in de tenlastelegging vermelde naam van het slachtoffer ‘ [naam 3] ’ verbeterd te lezen als ‘ [naam 3] ’.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 1. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de handtekening onder de huurovereenkomst heeft gezet. De verklaring van verdachte mag daarom niet als bekentenis worden aangemerkt.

De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 2, 3, 4 en 5 aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 6, omdat er geen oplichtingsmiddel is gebruikt. Verdachte wist niet dat het bedrijf waar hij voor werkte opgeheven was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij een heftruck en vijf gasflessen, die hij anders dan door misdrijf onder zich had, namelijk op grond van een huurovereenkomst, en die toebehoorden aan de firma [naam 5] , zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Uit het dossier en uit wat ter zitting is besproken, blijkt echter dat de firma [naam 5] een huurovereenkomst heeft gesloten niet met verdachte in persoon, maar met [naam 6] , waarvoor verdachte destijds werkzaam was en in dit geval ook optrad. Voor zover verdachte de goederen onder zich had, had hij dat dus niet als huurder maar uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als werknemer van [naam 6] Dit is echter niet tenlastegelegd. Uit het dossier blijkt bovendien weliswaar dat verdachte als werknemer van [naam 6] bij de huur van genoemde goederen betrokken is, maar niet wat er daarna met de goederen is gebeurd en of verdachte degene is die zich de goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarbij is van belang dat van [naam 6] een ander dan verdachte enig aandeelhouder en bestuurder was; verdachte was ‘slechts’ gevolmachtigde.

Daar komt bij dat in de tenlastelegging de plaats Tilburg is vermeld als pleegplaats van de verduistering. De rechtbank overweegt dat de plaats die in geval van verduistering kan worden aangemerkt als pleegplaats, wordt bepaald door de plaats waar verdachte verblijft op het moment dat hij besluit de goederen niet terug te brengen en zich die goederen dus wederrechtelijk toe-eigent. De rechtbank is van oordeel dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte ten aanzien van de heftruck en de vijf gasflessen dat besluit heeft genomen in Tilburg, alwaar de firma [naam 5] gevestigd is.

De rechtbank kan kortom niet tot een bewezenverklaring komen en zal verdachte vrijspreken van feit 1.

Feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij een aanhanger, die hij anders dan door misdrijf onder zich had (namelijk op grond van een huurovereenkomst) en die toebehoorde aan [naam 7] (hierna: [naam 7] ), zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. In de tenlastelegging is de plaats Goirle vermeld als pleegplaats van voornoemde gedraging. Uit het dossier en uit wat ter zitting is besproken blijkt dat verdachte de aanhanger in persoon heeft gehuurd voor zijn verhuizing van Poppel (België) naar Tilburg en deze vervolgens niet meer heeft teruggebracht. De rechtbank kan echter niet uit de bewijsmiddelen opmaken dat verdachte het besluit om de aanhanger niet meer terug te brengen en zich het goed dus wederrechtelijk toe te eigenen, heeft genomen in Goirle, alwaar [naam 7] gevestigd is en hij de aanhanger heeft opgehaald. Dit was wellicht elders in Nederland en zelfs België is als pleegplaats niet uitgesloten.

De rechtbank overweegt dat de grondslag van de tenlastelegging zou worden verlaten, indien in de tenlastelegging voor de pleegplaats Goirle een andere plaats zou worden ingelezen, zodat de rechtbank zich daartoe niet vrij acht. Dit is conform de jurisprudentie op dit punt. Het toevoegen van een pleegplaats aan de tenlastelegging kan slechts via een wijziging van de tenlastelegging op de voet van artikel 313 en 314 van het Wetboek van Strafvordering plaatsvinden.

De rechtbank kan daarom niet tot een bewezenverklaring komen en zal verdachte vrijspreken van feit 2.

Feit 3

De rechtbank is, evenals bij feit 1, van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte de graafmachine als huurder onder zich had en dat hij degene was die zich de goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Ook kan niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte een besluit om de graafmachine niet meer terug te brengen en zich het goed dus wederrechtelijk toe te eigenen, heeft genomen in Dongen alwaar [naam 1] gevestigd is en verdachte de graafmachine heeft opgehaald. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde oplichting overweegt de rechtbank als volgt.

Om tot een bewezenverklaring van oplichting te kunnen komen, is vereist dat verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Bij de bedoelde oplichtingsmiddelen, het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om, of het handelen van verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Van een meer dan een enkele leugenachtige mededeling is slechts sprake, indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.

Met de woorden ‘bewogen tot’ wordt het oorzakelijk verband beschreven tussen het aanwenden van een bedrieglijk middel en een bepaald resultaat, bestaande in de gedraging van de bedrogene. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door verdachte is gebruikt, is bewogen tot één van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren, enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedreigen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. Om te kunnen spreken van ‘bewogen tot’ is voldoende dat zonder de aanwending van het bedrieglijke middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd.

Het specifieke en wederrechtelijke karakter van oplichting wordt geconcretiseerd in de verschillende, in de delictsomschrijving opgenomen, oplichtingsmiddelen. Met het hanteren van één of meer oplichtingsmiddelen handelt verdachte op een specifieke, voldoende ernstige, bedrieglijke wijze, waarmee verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.

Uit de bewijsmiddelen volgt, dat verdachte [naam 1] op 10 oktober 2017 telefonisch heeft benaderd. Verdachte heeft zich voorgedaan als [pseudoniem 1] van [naam 6] en hij heeft [naam 1] verzocht aan hem een graafmachine te verhuren voor een renovatieproject in Tilburg. Ter bevestiging hiervan heeft verdachte [naam 1] een e-mail gestuurd vanaf het e-mailadres [mailadres 1] met daarin zijn eigen telefoonnummer. Hierbij is [naam 1] tevens verzocht de factuur op te sturen naar het e-mailadres [mailadres 2] . Verdachte heeft [naam 1] daarna op 13 oktober 2017 een e-mail gestuurd vanaf het e-mailadres [mailadres 3] met daarbij een kopie van zijn eigen identiteitsbewijs. Diezelfde dag heeft verdachte de graafmachine opgehaald. Aangever [naam 8] heeft de stem van verdachte herkend als de stem van de man die zich [pseudoniem 1] noemde. Dit is echter pas later tot hem doorgedrongen. Verdachte heeft het vertrouwen bij aangever [naam 8] van [naam 1] gewekt dat hij zou betalen. Verdachte heeft echter niets aan [naam 1] betaald.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wel eens als [pseudoniem 1] heeft gebeld. Ook heeft hij verklaard dat [pseudoniem 1] keelkanker heeft gehad en dat dat hoorbaar is als hij praat.

Een en ander kan redelijkerwijs tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als [pseudoniem 1] , zijn werkgever. Voor de rechtbank staat vast dat door deze valse naam, deze valse hoedanigheid als betalende huurder, en dit samenweefsel van verdichtsels bij [naam 1] vertrouwen is gewekt, waardoor zij bewogen is de graafmachine af te geven aan verdachte.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 10 oktober 2017 tot en met 9 november 2017 in Nederland het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Feit 4

Voor het juridisch kader van oplichting verwijst de rechtbank naar wat zij hierboven onder feit 3 heeft opgemerkt.

Uit de aangifte volgt dat verdachte [naam 2] op 26 oktober 2017 telefonisch heeft benaderd. Verdachte heeft zich voorgedaan als [pseudoniem 2] , een medewerker van [naam 9] en naar de huur van een aggregaat geïnformeerd. Ter bevestiging hiervan heeft verdachte [naam 2] een e-mail gestuurd met het factuuradres [mailadres 4] , sterk gelijkend op het mailadres van [naam 9] in Huizen en zijn eigen telefoonnummer. Verdachte heeft eerst een grote aggregaat en een dag later een aanhangwagen opgehaald. Ook heeft hij verteld dat hij een kleinere aggregaat nodig had. Verdachte heeft bij aangeefster [naam 10] het vertrouwen gewekt dat hij zou betalen. Verdachte heeft echter niets aan [naam 2] betaald.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster [naam 10] op onderdelen steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De auto die op de camerabeelden is gezien en waarmee [pseudoniem 2] kwam, stond immers op naam van verdachte. Verdachte is bovendien niet alleen herkend door aangeefster [naam 10] maar ook door haar collega [naam 11] .

Een en ander kan tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als [pseudoniem 2] , een medewerker van [naam 9] . Voor de rechtbank is vast komen te staan dat door listige kunstgrepen, een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels bij [naam 2] vertrouwen is gewekt waardoor zij bewogen is de grote aggregaat, de kleine aggregaat en de aanhangwagen af te geven aan verdachte. In het bijzonder heeft de rechtbank bij de beoordeling van het gewicht van de betreffende oplichtingsmiddelen als omstandigheden in aanmerking genomen dat verdachte een vals e-mailadres heeft aangemaakt en een trui met het logo van [naam 9] erop heeft gedragen. Verdachte heeft hierdoor de schijn gewekt op te treden namens een groot, betrouwbaar bouwbedrijf, wat niet het geval was. Pas bij navraag later door aangever bij [naam 9] , bleek er helemaal geen [pseudoniem 2] te bestaan. [naam 9] gaf aan vaker geconfronteerd te worden met gevallen van oplichting waarbij de naam [naam 9] werd misbruikt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 26 oktober 2017 tot en met 2 november 2017 in Nederland het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Feit 5

Voor het juridisch kader van oplichting verwijst de rechtbank naar wat zij hierboven onder feit 3 heeft opgemerkt.

De rechtbank constateert dat [naam 3] als naam van het slachtoffer ten laste is gelegd. Uit het dossier en wat ter zitting naar voren is gekomen, blijkt echter duidelijk dat bedoeld is: [naam 3] . De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen. Verdachte heeft hier ter zitting ook mee ingestemd.

Uit de aangifte volgt dat verdachte op 19 mei 2017 zich heeft voorgedaan als bonafide klant. Hij heeft aan een medewerkster van de meubelzaak [naam 3] te Breda gevraagd of er nog een showmodel bankstel was. Hij heeft verteld dat hij het bankstel snel nodig had voor zijn vastgoedbedrijf [naam 6] Hierbij is de medewerkster voorgehouden dat hij met het hoofdkantoor contact zou opnemen, zodat hij de volledige koopsom van € 2900,- naar het IBAN nummer van de winkel kon laten overmaken. Verdachte heeft in de winkel een bankstel, bijpassende kussens en twee vazen uitgezocht. Diezelfde middag nog heeft verdachte het bankstel, de kussens en de vazen opgehaald. Verdachte heeft tegen de medewerkster gezegd dat er gemaild was over de betaling. De rechtbank stelt vast dat de e-mails die de medewerkster heeft ontvangen van ene [naam 12] afkomstig zijn, terwijl onderaan de e-mails de naam ‘ [naam 13] ’ vermeld staat. De medewerkster heeft dit echter pas later gezien. Verdachte heeft vervolgens aan de medewerkster een screenshot van een WhatsAppbericht toegezonden, waarmee hij de betaling van de koopsom wilde aantonen. Verdachte heeft bij de medewerkster het vertrouwen gewekt dat betaald was en daardoor de goederen mee gekregen. Verdachte heeft echter niets aan [naam 3] betaald. De medewerkster heeft twee maanden later op facebook een vriendschapsverzoek van verdachte ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de medewerkster van [naam 3] op onderdelen steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Verbalisant [verbalisant] heeft verdachte immers aan de hand van de screenshot die de medewerkster van het facebookprofiel heeft gemaakt, herkend. Verdachte heeft voorts ter zitting verklaard dat hij twee keer bij [naam 3] is geweest en spullen heeft meegekregen en dat het goed zou kunnen dat hij de screenshot heeft gemaakt.

Een en ander kan redelijkerwijs tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide klant. Door deze valse hoedanigheid en dit samenweefsel van verdichtsels, is bij [naam 3] vertrouwen gewekt waardoor zij bewogen is het bankstel, de kussens en de vazen af te geven aan verdachte.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 19 mei 2017 in Breda het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Feit 6

Voor het juridisch kader van oplichting verwijst de rechtbank naar wat zij hierboven onder feit 3 heeft opgemerkt.

Uit de aangifte volgt dat verdachte op 7 december 2017 zich heeft voorgedaan als bonafide klant. Hij is de winkel [naam 4] te Etten-Leur binnengelopen en heeft gezegd dat hij een kettingzaag wilde aanschaffen. Hierbij is de medewerker van de winkel voorgehouden dat hij deze op rekening wilde kopen, ten name van het bedrijf [naam 6] Verdachte heeft vervolgens ter plekke via een e-mail de Kamer van Koophandelgegevens van [naam 6] aan die medewerker ter beschikking gesteld. Verdachte heeft vervolgens de kettingzaag zonder te betalen meegenomen. Verdachte heeft bij de medewerker het vertrouwen gewekt dat hij of met name het bedrijf [naam 6] zouden betalen. Verdachte noch Justinus hebben echter aan [naam 4] betaald. Nadat de man die zich [verdachte] noemde de winkel met de kettingzaag had verlaten, bleek aan [naam 4] dat het bedrijf [naam 6] drie dagen daarvoor was opgeheven.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet wist dat het bedrijf [naam 6] was opgeheven. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte niet wist dat het bedrijf zeven dagen voordat hij de kettingzaag meenam was opgehouden te bestaan, aangezien verdachte overal bij betrokken was en alles voor het bedrijf deed. Daar komt bij dat verdachte zelf heeft verklaard dat er op dat moment al lang geen legale werkzaamheden meer waren en dat de bedrijfsvoering alleen nog maar uit dit soort zaken bestond.

Een en ander kan tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide klant. Voor de rechtbank is aannemelijk geworden dat door deze valse hoedanigheid en dit samenweefsel van verdichtsels bij [naam 4] vertrouwen is gewekt, waardoor zij bewogen is de kettingzaag af te geven aan verdachte. In het bijzonder heeft de rechtbank bij de beoordeling van het gewicht van de betreffende oplichtingsmiddelen als omstandigheden in aanmerking genomen dat verdachte gegevens van de Kamer van Koophandel heeft laten zien en deed alsof hij of het bedrijf gingen betalen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 december 2017 in Etten-Leur het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 6

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het in de tenlastegelegde periodes niet goed met hem ging en dat hij veel heeft gedaan wat niet goed was. Hij kan zich nu echter niet alles meer herinneren. Hij was als gevolmachtigde van [naam 6] werkzaam. [pseudoniem 1] was de enig aandeelhouder en bestuurder. Samen met [pseudoniem 1] en nog een derde persoon heeft hij, nadat er ook gedurende slechts enkele maanden na oprichting gewone werkzaamheden waren verricht, zich bezig gehouden met huren van goederen en die vrij snel daarna aan een opkoper door te sluizen. Het was steeds een en dezelfde opkoper. Verdachte weet niet meer precies te vertellen wat hij gedaan heeft. Ze waren met z’n drieën en hebben alle drie geprofiteerd. De rechtbank stelt, naast hetgeen hierboven per feit is overwogen en vastgesteld, vast dat de modus operandi bij deze feiten overeenkomt met vele andere feiten waarvoor verdachte al is veroordeeld. Voor de feiten 3 subsidiair tot en met 6 is voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. De betrokkenheid van verdachte bij de feiten 1 en 2 komt wel uit het dossier naar voren, echter of hij degene was die de goederen onder zich had en vervolgens de goederen toe-eigende en wanneer en waar dat dan was, valt niet vast te stellen. Gelet op de verklaring van verdachte was hier, als hij al betrokken was, mogelijk sprake van een samenwerking, maar dat is ook niet ten laste gelegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 3, subsidiair

in de periode van 10 oktober 2017 tot en met 9 november 2017 in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de firma [naam 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, een graafmachine, door de firma [naam 1] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als [pseudoniem 1] van [naam 6] en (vervolgens) te communiceren met [naam 1] via het e-mailadres [mailadres 1] en het e-mailadres [mailadres 2] op te geven en een kopie van verdachte zijn ID-kaart per e-mail te verzenden via het e-mailadres [mailadres 3] ;

Feit 4

in de periode van 26 oktober 2017 tot en met 2 november 2017 in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten respectievelijk een groot en een klein aggregaat en een aanhangwagen, door de firma [naam 2] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als zijnde ene meneer [pseudoniem 2] en te informeren naar de huur van een aggregaat en een e-mail met het navolgende factuuradres te sturen: [mailadres 4] en met het adres van [naam 9] te Huizen en zijn, verdachte's, telefoonnummer in die e-mail te vermelden en zich voor te doen als zijnde een medewerker van [naam 9] en bij [naam 2] dat grote aggregaat en een aanhangwagen op te halen en te vertellen dat hij een kleinere aggregaat nodig had;

Feit 5

op 19 mei 2017 te Breda met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de meubelzaak [naam 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankstel en negen kussens en twee vazen, door in die winkel aan een medewerkster te vragen of die winkel een showmodel bankstel had en te vertellen dat hij, verdachte dit snel nodig had voor zijn vastgoed bedrijf genaamd " [naam 6] en in die winkel een bankstel en kussens en twee vazen uit te zoeken en vervolgens - nadat die medewerkster van die winkel een bon had opgemaakt - die bon te ondertekenen en met betrekking tot de betaling te vertellen dat hij contact zou opnemen met het hoofdkantoor zodat hij het volledige bedrag van 2900,- euro naar het IBAN nummer van die winkel kon overmaken en diezelfde middag wederom bij die winkel langs te komen teneinde genoemd bankstel, kussens en vazen op te halen en een WhatsApp-screenschot van de betaling van 2900,- euro aan die medewerkster van die winkel toe te zenden;

Feit 6

hij op 7 december 2017 te Etten-Leur met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een kettingzaag, door de winkel van [naam 4] binnen te lopen en aan een medewerker van [naam 4] aan te geven dat hij, verdachte, een kettingzaag wilde aanschaffen en dat hij deze op rekening wilde kopen ten name van het bedrijf [naam 6] en ter plekke middels e-mail de Kamer van Koophandel gegevens van [naam 6] aan die medewerker van [naam 4] ter beschikking te stellen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van tien maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het besluit van de voorwaardelijke invrijheidstelling in een andere zaak. Zij houdt daarbij rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de overschrijding van de redelijke termijn, welke is aangevangen met het verhoor van verdachte op 11 juli 2018.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging verdachte conform het rapport van GZ-psycholoog [naam 14] van 23 februari 2019 verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Ook verzoekt zij rekening te houden met artikel 63 Sr en de forse overschrijding van de redelijke termijn, welke al op 9 november 2017 is aangevangen, toen er sprake was van een verdenking. Ten slotte verzoekt zij rekening te houden met het feit dat verdachte in een proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) loopt, een baan en een woning heeft en negatieve netwerken achter zich heeft gelaten.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de ingeslagen goede weg doorkruisen. De verdediging bepleit daarom te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden, zoals door de officier van justitie gevorderd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van bedrijven. Verdachte deed zich respectievelijk voor als zijn werkgever en als iemand die werkzaam was voor een groot bouwbedrijf of voor een ander bestaand bedrijf en huurde in de hoedanigheid van een betalende, te vertrouwen klant diverse goederen. Verdachte deed zich bij twee andere bedrijven voor als bonafide klant en kreeg een bankstel, kussens, vazen en een kettingzaag mee, zonder hiervoor te betalen.

De slachtoffers van deze oplichtingspraktijken hebben veelal forse financiële schade geleden doordat de facturen niet werden betaald of de goederen niet werden geretourneerd. Het gedrag van verdachte getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de betreffende slachtoffers.

Bij het bepalen van de strafsoort en strafmaat houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij reeds meermalen voor veel soortgelijke feiten is veroordeeld. Zelfs de in België aan verdachte opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk vier en vijf jaar hebben kennelijk geen enkele indruk gemaakt op verdachte. Hij toonde een enorme hardleersheid door zich schuldig te blijven maken aan oplichtingspraktijken, waarbij hij hardwerkende ondernemers keer op keer aanzienlijk benadeelde, uitsluitend voor zijn eigen gewin. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 Sr van toepassing is.

De rechtbank betrekt bij het bepalen van de strafmaat voorts, met instemming van verdachte, het rapport van GZ-psycholoog [naam 14] van 23 februari 2019 dat in een andere strafzaak over verdachte is opgesteld. Het rapport dateert weliswaar van wat langer geleden, maar gaat over soortgelijke strafbare feiten die in dezelfde periode als de nu bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd. Uit het rapport blijkt dat bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid en een stoornis in het gebruik van cocaïne (matig, in langdurige remissie), die elkaar versterkten en elkaar in stand hielden. Ook was bij verdachte sprake van beperkte copingvaardigheden. Hierdoor was hij minder goed in staat met voor hem oplopende druk als gevolg van zijn relatieproblemen, financiële problemen en een tegen hem en zijn bedrijf aangespannen civiele procedure om te gaan en viel hij sneller terug in middelengebruik. De psycholoog is van mening dat de feiten daardoor in verminderde mate aan hem zijn toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies van de psycholoog over en houdt daar bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening mee.

Ook houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de termijnoverschrijding. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is aangevangen. Dit kan anders zijn als sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak dat de redelijke termijn is aangevangen met het verhoor van verdachte op 11 juli 2018. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ruim negen maanden, overschreden, terwijl geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze overschrijding tot een matiging van de op te leggen straf van 10 procent moet leiden.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf eveneens rekening met hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte loopt in een proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft inmiddels een baan en huisvesting en heeft afstand gedaan van de personen die een slechte invloed op hem hebben.

De rechtbank acht, onder deze omstandigheden en gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend. Voor de maatschappij is het ook van belang dat verdachte de in de VI opgelegde voorwaarden blijft nakomen en op het rechte pad blijft. Zij zal aan verdachte daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Aangezien de rechtbank verdachte vrijspreekt van de feiten 1 en 2 en de officier van justitie bij haar eis is uitgegaan van een veroordeling voor deze feiten, zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden is. Met die voorwaardelijke straf wordt geprobeerd te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten. De rechtbank ziet aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de straf, zoals door de officier van justitie geëist, de bijzondere voorwaarden te verbinden die ook in het besluit van de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn opgenomen, te weten een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, het meewerken aan en een actieve inspanning verrichten voor het verkrijgen en het behouden van woonruimte en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding, het tonen van een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de behandeling en het tonen van openheid van zaken ten aanzien van zijn financiële situatie.

7 De benadeelde partijen

7.1

De vordering van de benadeelde partij [naam 7]
(feit 2)

De benadeelde partij [naam 7] vordert voor feit 2 een vergoeding van € 2.050,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

7.2

De vordering van de benadeelde partij [naam 2] (feit 4)

De benadeelde partij [naam 2] vordert voor feit 4 een vergoeding van
€ 22.600,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De materiële schade bestaat uit:

  • -

    Aanhanger dubbelassen [kenteken] € 1.600,-

  • -

    Aggregaat 100 KVA Cummins 6RT 5,9 G2 € 11.500,-
    met generator Stamford UCI274D

  • -

    Aggregaat 45 KVA Genmac € 9.500,-

Ontvankelijkheid

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu een stuk ontbreekt waaruit blijkt dat [naam 10] gemachtigd is om namens [naam 2] als benadeelde partij op te treden.

De rechtbank overweegt dat [naam 10] – werkzaam voor [naam 2] – kennelijk bevoegd is namens de rechtspersoon op te treden, daar zij namens [naam 2] aangifte heeft gedaan. Zij heeft ook ter terechtzitting een toelichting op de vordering gegeven en daarbij gezegd dat zij voor [naam 2] optreedt. Gelet op haar verbondenheid met de rechtspersoon, is zij geen (derde) gemachtigde als bedoeld in artikel 51c, derde lid, Wetboek van Strafvordering, die een bijzondere en schriftelijke volmacht nodig heeft om namens de rechtspersoon ter zitting op te treden.

Nu uit het voorgaande de verbondenheid van [naam 10] met de rechtspersoon volgt, acht de rechtbank – in lijn met ECLI:NL:HR:2018:2006 – de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering.

Materiële schade

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor de aanhangwagen overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij ter zitting heeft verklaard dat de dagwaarde van de aanhangwagen € 800,- betreft. Dit bedrag is door de verdediging niet weersproken. De rechtbank acht daarom een bedrag van € 800,- voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

Ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor de aggregaat 100 KVA overweegt de rechtbank, dat uit de bijgevoegde factuur blijkt dat een vergelijkbare, ongeveer even oude en gebruikte aggregaat € 10.500,- kost. De rechtbank acht daarom een bedrag van € 10.500,- voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

Met betrekking tot de gevorderde kosten voor de aggregaat 45 KVA overweegt de rechtbank dat deze schade voldoende is onderbouwd. Omdat geen rekening is gehouden met de afschrijving van de aggregaat, zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en de schade vaststellen op een bedrag van € 7.500,-.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 18.800,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 2 november 2017.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

7.3

De vordering van de benadeelde partij [naam 3] (feit 5)

De benadeelde partij [naam 15] h.o.d.n. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) vordert voor feit 5 een vergoeding van € 2.900,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank is van oordeel dat het gevraagde bedrag, mede gelet op de betwisting door de verdediging daarvan, en nu de omvang van de schade onvoldoende is onderbouwd, niet kan worden toegewezen. De koopsom wordt gevorderd, terwijl niet duidelijk is of dit ook de schade is die [naam 3] heeft geleden. Van belang is immers wat de goederen [naam 3] hebben gekost en niet wat hadden ze kunnen opbrengen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

7.4

De vordering van de benadeelde partij [naam 4] (feit 6)

De benadeelde partij [naam 4] vordert voor feit 6 een vergoeding van € 1.119,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De materiële schade bestaat uit:

- Kettingzaag € 1.119,-

Materiële schade

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde partij geleden schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 800,-. De benadeelde partij heeft immers ter zitting verklaard dat dit de inkoopprijs van de kettingzaag betreft. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 7 december 2017.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 3, subsidiair: Oplichting;

feit 4: Oplichting;

feit 5: Oplichting;

feit 6: Oplichting;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het onderhavige vonnis meldt bij de reclassering die in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling, met VI nummer 99-000359-57, toezicht houdt. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* dat verdachte zich onder behandeling stelt van De Waag, althans van een soortgelijke deskundige of zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die deskundige/zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen. Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar worden gegeven;

* dat verdachte zijn medewerking verleent aan en een actieve inspanning verricht voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding;

* dat verdachte een open, gemotiveerde en meewerkende houding toont met betrekking tot het toezicht en de behandeling;

* dat verdachte openheid van zaken toont ten aanzien van zijn financiële situatie;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partijen

[naam 7]

- verklaart de benadeelde partij [naam 7] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 7] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

[naam 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van
€ 18.800,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf

2 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] (feit 4), € 18.800,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 2 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 129 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[naam 3]

- verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 3] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

[naam 4]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 4] van

€ 800,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf

7 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 4] (feit 6), € 800,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 7 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 16 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, mr. D.L.J. Martens en mr. M.E. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 mei 2021.

De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 27 juni 2017 tot en met 24 augustus 2017 te Tilburg opzettelijk een heftruck en/of vijf gasflessen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma [naam 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten op grond van een verhuur-overeenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht )

2.

hij in of omstreeks de periode van 06 januari 2018 tot en met 11 januari 2018 te Goirle opzettelijk een aanhanger, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten een verhuurovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht )

3.

hij in of omstreeks 10 oktober 2017 tot en met 9 november 2017 te Dongen opzettelijk een graafmachine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten een verhuurovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks 10 oktober 2017 tot en met 9 november 2017 te Dongen, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de firma [naam 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, een graafmachine, door de firma [naam 1] telefonisch te benaderen en/of zich voor te doen als [pseudoniem 1] en/of als werknemer van [naam 6] en/of (vervolgens) te communiceren met [naam 1] via het emailadres [mailadres 1] en/of het emailadres [mailadres 2] op te geven en/of (telkens) een kopie van verdachte zijn ID-kaart per mail te verzenden via het emailadres [mailadres 3] ;

( art 326 Wetboek van Strafrecht )

4.

hij in of omstreeks 26 oktober 2017 tot en met 2 november 2017 te Werkendam, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten respectievelijk een groot en/of een klein aggregaat en/of een aanhangwagen, door de firma [naam 2] telefonisch te benaderen en/of zich voor te doen als zijnde ene meneer [pseudoniem 2] en/of te informeren naar de huur van een aggregaat en/of een e-mail met het navolgende factuuradres te sturen: [mailadres 4] en/of met het adres van [naam 9] te Huizen en/of zijn, verdachte's telefoonnummer in die e-mail te vermelden en/of zich voorgedaan als zijnde een medewerker van [naam 9] en/of (vervolgens) bij [naam 2] dat grote aggregaat en/of een aanhangwagen opgehaald en/of en/of (vervolgens) (wederom) naar de zaak van [naam 2] te gaan en/of te vertellen dat hij een kleiner aggregaat nodig had;
( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2017 tot en met 2 november 2017 te Werkendam opzettelijk een groot en/of een klein aggregaat en/of een aanhangwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten een verhuurovereeenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht )

5.

hij op of omstreeks 19 mei 2017 te Breda, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de meubelzaak [naam 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankstel en/of negen kussens en/of twee vazen, door in die winkel aan een medewerkster te vragen of die winkel een showmodel bankstel had en/of verteld dat hij, verdachte dit snel nodig had voor zijn vastgoed bedrijf genaamd [naam 6] en/of in die winkel een bankstel en/of bijpassende kussens en/of twee vazen uitgezocht en/of (vervolgens) - nadat die medewerkster van die winkel een bon had opgemaakt - die bon ondertekend en/of met betrekking tot de betaling verteld dat hij contact zou opnemen met het hoofdkantoor zodat hij het volledige bedrag van 2900,-- Euro naar het IBAN nummer van die winkel kon overmaken en/of diezelfde middag wederom bij die winkel lagnsgekomen teneinde genoemd bakstel, kussens en vazen op te halen en/of een what`s-app screenschot van de betaling van 2900,-- euro aan die medewerkster van die winkel toe te zenden;
( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

6.

hij op of omstreeks 7 december 2017 te Etten-Leur, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een kettingzaag, door de winkel van [naam 4] binnen te lopen en/of aan een medewerker van [naam 4] aan te geven dat hij, verdachte, een kettingzaag wilde aanschaffen en/of dat hij deze op rekening wilde kopen ten name van het bedrijf [naam 6] en/of ter plekke middels e-mail de Kamer van Koophandel gegevens van [naam 6] aan die medewerker van [naam 4] ter beschikking te stellen;
( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht )