Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:233

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
AWB- 20_9873 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek inzake verlening omgevingsvergunning bedrijfshal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/9873 WABOA VV

uitspraak van 21 januari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] , [verzoeker 6] , [verzoeker 7] , [verzoeker 8] , [verzoeker 9] , [verzoeker 10] , [verzoeker 11] , en [verzoeker 12],

allen te [plaatsnaam] , verzoekers,

gemachtigde: ing. F. Beerens MSc,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder] , te [plaatsnaam] , vergunninghouder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 oktober 2020 (bestreden besluit) van het college, waarbij het college aan [naam vergunninghouder] een omgevingsvergunning heeft verleend om op het perceel aan [adres] te [plaatsnaam] een bedrijfshal te kunnen realiseren. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 januari 2021.

Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] . [naam vergunninghouder] is verschenen, samen met haar partner [naam partner] .

Overwegingen

1. Het college heeft bij besluit van 5 juni 2020 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend om op het perceel [adres] te [plaatsnaam] een bedrijfswoning en een bedrijfshal te kunnen realiseren.

Verzoekers wonen in [straatnaam 1] en [straatnaam 2] . Zij hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 juni 2020.

Het college heeft op 22 september 2020 van vergunninghouder een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning om op het perceel een bedrijfshal te kunnen realiseren op nagenoeg dezelfde locatie als in de eerdere aanvraag. De vorm van de hal wijkt ten opzichte van de eerdere aanvraag iets af. Blijkens de bij de aanvraag behorende tekeningen worden bij de bedrijfshal 14 parkeerplaatsen gerealiseerd en een laad- en loslocatie. De aanvraag ziet op de activiteiten “bouwen” en “het aanleggen van een inrit”. De inritten komen uit op [straatnaam 1] . De locatie van de inritten is dezelfde als de locatie van de inritten in het meldingsformulier van 23 juli 2020, waarmee vergunninghouder een verzoek heeft gedaan tot het aanleggen van twee inritten als bedoeld in artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2019 (APV).

Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “bouwen”.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Vast staat dat ter plaatse is gestart met bouwwerkzaamheden en dat deze bouwwerkzaamheden plaatsvinden op basis van de omgevingsvergunning zoals die bij het bestreden besluit is verleend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er dan ook voldoende gebleken van een spoedeisend belang van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Het is alleen mogelijk een voorlopige voorziening te treffen wanneer tegen hetzelfde besluit tegelijkertijd een ontvankelijk bezwaar aanhangig is (processuele connexiteit). Een bezwaar is onder meer niet-ontvankelijk als de indiener daarvan niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

Verzoekers wonen in [straatnaam 1] en [straatnaam 2] . Hun gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat de bedrijfshal niet vanaf ieder van de percelen van verzoekers zichtbaar zal zijn. Gelet daarop is er discussie mogelijk over de vraag of alle verzoekers als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Vast staat echter ook dat de bewoner van het direct aan het perceel grenzende buurperceel bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit en om een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is (ten minste) één van de verzoekers dan ook als belanghebbende aan te merken. Nu namens alle verzoekers dezelfde gronden zijn aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om nu een voorlopig oordeel te geven over de vraag of de overige verzoekers als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Het college dient die vraag wel te beantwoorden in de beslissing op bezwaar.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Van belang is de vraag of de vergunningverlening in de beslissing op bezwaar stand kan houden. Eventuele gebreken aan het bestreden besluit nopen niet automatisch tot het treffen van een voorlopige voorziening, wanneer deze gebreken in de beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld. Verder dient de beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

5. De voor de beoordeling relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

6. Het betoog van verzoekers komt er in de kern op neer dat er volgens hen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, zodat het college de vergunning voor de activiteit “bouwen” niet heeft kunnen verlenen zonder ook een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan”.

6.1

Ter onderbouwing daarvan hebben verzoekers aangevoerd dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat is getoetst aan het Parapluplan Parkeren Oisterwijk (Parapluplan). Daarnaast is volgens verzoekers in strijd met artikel 16.2.1, onder b van de planregels bij het bestemmingsplan Bedrijventerrein Oisterwijk geen rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, in voldoende mate zijn vastgesteld. Ook heeft het college in het bestreden besluit volgens verzoekers ten onrechte niet besloten op de aanvraag voor de activiteiten “aanleggen van een inrit”. Bij gebrek aan inritten kunnen de parkeerplaatsen die op grond van het bestemmingsplan op eigen terrein moeten worden gerealiseerd feitelijk niet worden bereikt en gebruikt. De inritten zullen volgens verzoekers niet kunnen worden gerealiseerd en gebruikt. Vanwege de ligging van de inritten boven een watergang is voor het aanleggen daarvan een vergunning nodig van het waterschap. Niet gebleken is dat die is aangevraagd. Bovendien staan ter hoogte van de inritten op gronden van de gemeente twee bomen die het feitelijke gebruik van de inritten belemmeren. Het is volgens verzoekers maar zeer de vraag of voor het kappen van die bomen een vergunning verleend zal worden.

6.2

De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Zoals het college heeft gesteld en door gemachtigde ter zitting is erkend, is een archeologisch rapport op grond van artikel 16.2.4, onder b van de planregels in dit geval gelet op de oppervlakte van de bedrijfshal niet vereist. In zoverre is er dan ook geen sprake van strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast heeft het college ter zitting naar voren gebracht dat de aanvraag is getoetst aan de Parapluplan en dat zich geen strijdigheid voordoet. Verzoekers hebben dat niet weersproken. Het feit dat in een bestreden besluit een kenbare motivering op dit punt ontbreekt, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de beslissing op bezwaar worden hersteld.

Ook het feit dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is besloten op de aanvraag voor de activiteit “aanleggen van een inrit”, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat anders dan verzoekers veronderstellen, er voor het aanleggen van de inritten geen omgevingsvergunning vereist is. In artikel 2.12 van de APV is weliswaar een meldingenstelsel opgenomen, maar een meldingenstelsel wordt anders dan een vergunningstelsel niet beheerst door artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo, uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:14). Vergunninghouder heeft op 23 juli 2020 door middel van een meldingenformulier een verzoek gedaan tot het aanleggen van twee inritten als bedoeld in artikel 2:12 van de APV. Omdat het college daarop niet binnen de daarvoor geldende termijn van acht weken heeft beslist, stond de APV na afloop van die termijn niet langer in de weg aan de aanleg van de inritten.

Met verzoekers is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het kunnen aanleggen en gebruiken van een inrit van belang is bij beantwoording van de vraag of sprake is van strijd met het bestemmingsplan, omdat wanneer de parkeerplaatsen niet ook daadwerkelijk bereikbaar zijn, er niet is voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen verplichting om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

In verzoekers’ stelling dat voor de aanleg van de inritten een vergunning van het waterschap vereist is, ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding om te oordelen dat de inritten daarom niet zouden kunnen worden aangelegd. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat gemachtigde ter zitting heeft erkend dat sprake is van een B-watergang, waarvoor op grond van algemene regels een dam met duiker mag worden aangelegd.

Daarnaast ziet de voorzieningenrechter in de stelling dat de toegang tot de inritten wordt belemmerd door bomen, geen aanleiding om aan te nemen dat de parkeerplaatsen feitelijk niet bereikbaar zouden zijn. De aanvraag van vergunninghouder om een kapvergunning voor deze twee bomen is weliswaar bij besluit van 24 november 2020 afgewezen door het college, maar vergunninghouder heeft ter zitting naar voren gebracht dat één van de twee inritten desondanks volledig kan worden gebruikt. De werkelijke locatie van de boom bleek af te wijken van de indicatieve locatie op de tekening bij de aanvraag. In werkelijkheid staat de boom direct naast de inrit. De parkeerplaatsen zijn via deze ene inrit bereikbaar, aldus vergunninghouder. Verzoekers hebben dat niet betwist. Dat het perceel via de inrit bereikbaar is strookt bovendien ook met de foto’s die onderdeel uitmaken van het procesdossier.

6.3

Verzoekers hebben verder aangevoerd dat het college in het bestreden besluit had moeten toelichten welke gevolgen het bestreden besluit heeft voor de eerder bij besluit van

5 juni 2020 aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning. Met het verlenen van de nieuwe omgevingsvergunning had de oude omgevingsvergunning moeten worden ingetrokken, aldus verzoekers.

Vast staat dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de locatie van de bedrijfshal ook al onderdeel uitmaakte van de oude omgevingsvergunning. Ten tijde van het bestreden besluit was vergunningverlening daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met de “anti-dubbeltelregel” uit het bestemmingsplan. Daarin is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat onvoldoende vast dat deze strijdigheid kan worden opgeheven bij het nemen van de beslissing op bezwaar. Hoewel de anti-dubbeltelregel niet meer in de weg staat aan vergunningverlening, wanneer de oude omgevingsvergunning in de nog te nemen beslissing op bezwaar wordt herroepen, gaat het te ver om daar in het kader van deze procedure op vooruit te lopen. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in aanmerking dat vergunninghouder niet om intrekking van de oude omgevingsvergunning heeft verzocht, zodat geenszins zeker is dat zij de voorkeur geeft aan het in stand blijven van de bij het bestreden besluit verleende omgevingsvergunning, boven de oude omgevingsvergunning.

7. Nu niet zeker is dat de strijdigheid met de anti-dubbeltelregel in de beslissing op bezwaar kan worden weggenomen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen en het bestreden besluit schorsen. Dat betekent dat vergunninghouder de bouwwerkzaamheden moet staken. Deze voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekers te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 21 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, zoor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, is bepaald,

c. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt -kort gezegd- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan: (a) het bouwbesluit, (b) de bouwverordening (c) het bestemmingsplan of (d) de redelijke eisen van welstand.

Het bestemmingsplan

Op grond van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Oisterwijk” geldt ter plaatse de enkelbestemming “bedrijventerrein” en de dubbelbestemming “Waarde-archeologie 5”.

Artikel 7 bevat de planregels voor de bestemming “Bedrijventerrein”.

7.1.2 (Parkeren) luidt als volgt:

a. Er dient voldoende parkeergelegenheid te zijn, ook bij een wijziging van functies in de bestaande bebouwing;

b. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.

Artikel 5.3 (Bestemmingsomschrijving parkeren) in het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Oisterwijk, 1ste herziening” bepaalt dat artikel 7, lid 7.1.2 wordt gewijzigd en als volgt komt te luiden:

a. Bij het bouwen, het uitbreiden of veranderen van functies (ook in bestaande gebouwen) dienen overeenkomstig het door de gemeente Oisterwijk vastgestelde parkeer- en stallingsbeleid, zoals opgenomen in de "Parkeerfondsverordening gemeente Oisterwijk 2010", voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig te zijn of te worden gerealiseerd en in stand te worden gehouden. De parkeerfondsverordening met de parkeernomen is als bijlage 1 bij deze regels gevoegd.

b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a indien in het plangebied, dan wel in de directe omgeving, op een andere wijze in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, met dien verstande dat aan de omgevingsvergunning financiële voorwaarden verbonden kunnen worden.

In artikel 16 van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Oisterwijk” zijn de planregels voor “Waarde-archeologie 5” vastgelegd.

16.2.1 (Bouwen) van de planregels luidt als volgt:

b. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

16.2.4 (Uitzonderingen) luidt als volgt:

Het bepaalde in lid 16.2.1 onder b, (…) is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

b. een bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²;

Artikel 18 (Anti-dubbeltelregel) van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Oisterwijk” bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

Deze bepaling is ook neergelegd in artikel 7 van bestemmingsplan Bedrijventerrein Oisterwijk, 1ste herziening.

Algemeen plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2019

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:

a. daarvan niet van tevoren via een door het college vastgesteld formulier melding is gedaan aan het college, onder indiening van de op het formulier gevraagde bijlagen;

b. het college het (laten) maken of het (laten) veranderen van de uitweg heeft verboden.

3. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen acht weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.