Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2288

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB- 19_2768
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2768 WIA

uitspraak van 7 mei 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. J. Heek,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 mei 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 6 november 2019. Eiseres was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Reitsma. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 1] als deskundige onderzoek zal verrichten. Deze heeft op 23 april 2020 schriftelijk verslag uitgebracht. Partijen hebben op dit verslag gereageerd.

Geen van de partijen heeft aangegeven dat zij nog op een zitting willen worden gehoord.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is werkzaam geweest als verzorgende IG voor 24 uur per week. Voor dat werk is zij uitgevallen vanwege nek- en rugklachten.

Bij besluit van 30 augustus 2018 (primair besluit) heeft het UWV aan eiseres een WIA-uitkering (loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend met ingang van 22 oktober 2018 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 - 100%. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat zij meent niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en daarom in aanmerking zou moeten komen voor een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering).

Bij brief van 7 februari 2019 is eiseres medegedeeld dat het UWV voornemens is het besluit van 30 augustus 2018 te herzien. Na een medische heroverweging in bezwaar is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 24,80%. Dit is minder dan 35% en daarom zal de WIA-uitkering worden beëindigd per 22 oktober 2020.

Op 15 februari 2019 heeft eiseres haar zienswijze tegen het voornemen ingediend.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is de beslissing om de WIA-uitkering per 22 oktober 2020 te beëindigen, gehandhaafd.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd per 22 oktober 2020.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiseres medische beperkingen heeft, en;

- of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

4.1

De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur en daarbij lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiseres is uitgevallen met al langer bestaande klachten die toch toenemen. Gekeken naar de origine, is er sprake van een probleem met tussenwervelschijven (degeneratief en slijtage). Er wordt met pijnbestrijding ingesprongen en eiseres volgt licht belastende fysiotherapeutische oefeningen. Een afwisseling van houding is belangrijk zonder grove belasting van de nek en rug. Er zijn beperkingen met gewicht en met ver reiken waarbij zaken ver van het lichaam verricht zouden moeten worden. Daarbij is het belangrijk dat eiseres actief is, mede vanwege een vaatprobleem wat zij met het been heeft gehad. Eiseres heeft arbeidsmogelijkheden, maar het is voorstelbaar dat het werk dat zij verrichtte voor haar te zwaar is. De verzekeringsarts verwacht dat met een adequate behandeling en oefentherapeutische behandeling er meer mogelijk wordt als eiseres minder pijn heeft dankzij het pijnteam, om het spiercorset te verbeteren en daarmee de klachten te verminderen.

4.2

De verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts 2] heeft eiseres gezien op de hoorzitting en heeft daarbij lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Vervolgens heeft verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts 3] de beschikbare medische informatie, waaronder de informatie van fysiotherapeut [naam fysiotherapeut] , orthopeed [naam orthopeed] en huisarts [naam huisarts] bestudeerd en een rapportage opgesteld. De verzekeringsarts b&b is van oordeel dat eiseres minder beperkt moet worden geacht dan de primaire verzekeringsarts heeft aangenomen. Het is haar niet duidelijk waarom de primaire verzekeringsarts zware beperkingen heeft aangenomen gezien de huidige inzichten bij chronische rug- en nekklachten. Conform die inzichten dienen patiënten met chronische rug- en nekklachten geactiveerd te worden. Zware beperkingen zullen leiden tot verdere operante conditionering en het versterken van het vermijdende gedragspatroon van eiseres. De verzekeringsarts b&b verwijst daarbij naar het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG), 74, nr. 10, 2018. Bij eiseres worden afwijkingen gevonden bij beeldvorming aan de rug en nek (discopathieën) die gevonden worden bij alle oudere mensen. De afwijkingen geven geen beperkingen/klachten bij oudere mensen. Er is bij eiseres geen sprake van wortelcompressie. Er bestaat daarom een discrepantie tussen de geobjectiveerde afwijkingen en de geclaimde klachten. De beperkingen zijn niet duurzaam omdat eiseres nog geen revalidatieprogramma heeft doorlopen met o.a. cognitieve gedragstherapie (dé behandeling volgens het NTvG). De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 januari 2019.

4.3

Naar aanleiding van het beroep heeft de verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts 3] bezien of er aanleiding is het eerder ingenomen standpunt te herzien. In dat kader heeft zij eiseres gezien op een hoorzitting. De verzekeringsarts b&b rapporteert dat de inzichten van het NTvG ook van toepassing zijn op de situatie van eiseres, namelijk: bij eiseres worden afwijkingen gevonden bij beeldvorming (o.a. discusdegeneratie, bulging, facetartrose) welke de geclaimde ernstige rugklachten niet kunnen verklaren omdat dergelijke afwijkingen talrijk voorkomen bij personen zonder rugklachten. De behandelingen hebben nagenoeg geen effect. Vanwege haar medicatiegebruik is beroepsmatig autorijden niet toegestaan. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 april 2019.

4.4

Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte de bevindingen uit het NTvG op haar van toepassing heeft verklaard, zonder dat deze ook concreet zien op haar situatie. Eiseres blijft van oordeel dat zij meer en aanvullend beperkt is en haar beperkingen duurzaam zijn en dat zij daarom in aanmerking zou moeten komen voor een IVA-uitkering. Uit het door haar overgelegde medisch advies van [naam verzekeringsarts 4] (verzekeringsarts / medisch adviseur) van 2 juli 2019 blijkt dat er geen aanleiding bestond de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 27 augustus 2018 naderhand te verminderen. Daarnaast acht [naam verzekeringsarts 4] haar ook beperkt op het item ‘hoofdbewegingen maken’ (4.17), heeft hij vastgesteld dat zij last heeft van allergieën (3.9.1.) en had volgens hem een beperking t.a.v. ‘koude’ moeten worden vastgesteld in verband met het syndroom van Raynaud.

4.5

Naar aanleiding van het aanvullend beroep heeft de verzekeringsarts b&b nogmaals bezien of er reden is het eerder ingenomen standpunt te herzien. De verzekeringsarts b&b meent van niet. De verminderde beweeglijkheid is niet te verklaren uit de geobjectiveerde afwijkingen. Er bestaat geen relatie tussen klachten/beperkingen en gevonden discopathieën. Eiseres heeft haar stelling allergisch te zijn niet eerder aangevoerd (bijvoorbeeld bij de bedrijfsarts) en ook niet onderbouwd. Zij claimt koude handen maar zover bekend heeft geen enkele arts (verzekeringsarts, bedrijfsarts, orthopeed) koude, dode, witte vingers geobjectiveerd. De primaire verzekeringsartsen hebben niet de diagnose ‘syndroom van Raynaud’ vastgesteld. Het kan wel zo zijn dat eiseres bij de bezwaarhoorzitting in het kader van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen na 45 minuten opstond, maar dit betreft een subjectief gegeven. Het is geenszins aan te nemen dat zij niet langer zou kunnen zitten. Het blijven bevestigen van het inactieve gedrag werkt anti-revaliderend.

4.6

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en een deskundige (verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 1] ) ingeschakeld. Deze heeft op 23 april 2020 een deskundigenrapport uitgebracht. De deskundige heeft eiseres gezien op een spreekuur, heeft lichamelijk onderzoek verricht en heeft alle beschikbare medische informatie bestudeerd waaronder het door de verzekeringsarts b&b aangehaalde artikel uit het NTvG. De deskundige wijkt op een aantal onderdelen af van de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde belastbaarheid en FML. Zo meent hij dat er – gelet op de pijnklachten en de vaker genoemde verhoogde spierspanning in de nekspieren – aanleiding is voor een lichte beperking in rubriek 5, item 8: kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag het hoofd in een bepaalde stand houden (ongeveer 4 uur). Dat er beperkingen zijn in de belastbaarheid van de lage rug, leidt geen twijfel. Derks is het echter met [naam verzekeringsarts 3] eens dat deconditionering en inadequaat pijnvermijdend gedrag in belangrijke mate medebepalend is voor de ervaren beperkingen. Dat er sprake is van inadequaat pijngedrag blijkt zijns inziens uit meerdere inconsistenties tussen de door eiseres ervaren beperkingen / getoond gedrag en de onderliggende verklarende afwijkingen / beperkingen zoals ten aanzien van hurken, heffen van de beide armen, kracht zetten met de handen en lopen. Hij kan deze ervaren beperkingen onvoldoende rijmen met de klinische en radiologische bevindingen. Hij is het daarom grotendeels eens met de beperkingen zoals reeds aangenomen. Wel dient er zijns inziens ten aanzien van rubriek 5, item 2 ‘zitten tijdens werk’ een aanvullende beperking te worden aangenomen, namelijk ‘beperkt, kan ongeveer een half uur achtereen zitten (maaltijd) met de toelichting: incidenteel kan betrokkene één uur achtereen zitten. Voor rubriek 5, item 1 geldt ‘licht beperkt kan zo nodig gedurende het grootste deel van de werkdag zitten (niet meer dan 8 uur)’. [naam verzekeringsarts 1] ziet geen aanleiding structurele beperkingen aan te nemen voor ‘dode witte vingers’. Ondanks dat er geen sluitend bewijs is voor de aanwezigheid voor nikkel en/of zink allergieën, ziet [naam verzekeringsarts 1] in het verhaal van eiseres toch aanleiding een beperking voor nikkel aan te nemen. Verder meent hij dat gelet op het feit dat eiseres onregelmatig Tramadol neemt (afhankelijk van de klachten), een verdergaande beperking nodig is voor rubriek 2, item 10 (beperkt voor autorijden). Hij acht eiseres wel in staat om met het OV te reizen, maar wil voor rubriek 2, item 1 een beperking aannemen: eiseres is voor vervoer aangewezen op hulp van anderen, met als toelichting: betrokkene is niet geschikt voor personen- en /of goedervervoer. Zij is wisselend geschikt zelfstandig auto te rijden maar wel in staat om met het OV te reizen.

4.7

In haar reactie heeft eiseres laten weten zich in de bevindingen van de deskundige gesteund te voelen in haar standpunt dat het bestreden besluit zowel een onjuiste medische als arbeidskundige grondslag ontbeert.

4.8

Het UWV heeft het deskundigenrapport voorgelegd aan de verzekeringsarts b&b. Deze heeft zich in haar rapportage van 31 mei 2020, met uitzondering van de door de deskundige voorgestelde beperking op punt 2, item 10, achter het deskundigenrapport geschaard. De aanvullende beperkingen zijn neergelegd in de FML van 31 mei 2020.

4.9

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. De motivering van de deskundige is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De verzekeringsarts b&b heeft alle door de deskundige voorgestelde wijzigingen in de FML van 31 mei 2020 overgenomen, behoudens de voorgestelde beperking ten aanzien van het vervoer van/naar werk. De verzekeringsarts b&b heeft gemotiveerd dat eiseres op dit aspect niet beperkt dient te worden geacht, omdat een normaalwaarde op dit aspect betekent “kan autorijden of fietsen, of zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer”. De rechtbank kan deze motivering volgen, want eiseres kan fietsen en gebruik kan maken van het OV.

4.10

Nu de FML in beroep is gewijzigd, volgt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5. Geschiktheid voor de functies

5.1

Rekening houdend met de in beroep aangepaste FML van 31 mei 2020, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: documentalist cargo service (Sbc-code 484010), medewerker backoffice (Sbc-code 532040) en medewerker receptie (Sbc-code 315120).

5.2

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiseres geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar de rapportages van de arbeidsdeskundige b&b van 7 mei 2019 en van 2 juli 2020. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiseres de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij de geduide functies niet kan verrichten omdat er volgens haar een overschrijding is op het aspect ‘zitten tijdens werktijd’. Ook meent zij dat zij niet het vereiste opleidingsniveau heeft voor twee van de geduide functies. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Zoals het UWV in de reactie van 17 maart 2021 heeft toegelicht, is de door Derks genoemde beperking ten aanzien van het aspect ‘zitten’ wel volledig overgenomen in 5.1.2 en 5.2.1. van de FML van 31 mei 2020 en is hiermee dus rekening gehouden bij het duiden van geschikte functies. De arbeidsdeskundige heeft toegelicht dat in de gehandhaafde functies als opleiding ten hoogste een MBO-diploma op MBO-niveau 3 zonder specifiek vereiste opleiding, óf een opleiding op MBO-niveau 3 zonder diploma eisen en zonder een specifieke vereiste opleidingsrichting wordt gevraagd. Er worden geen eisen aan ervaring gesteld. In één van de functies dient er na indiensttreding een interne functiegerichte opleiding op opleidingsniveau 4 gevolgd te worden. Eiseres heeft MBO-niveau 3 behaald en heeft een diploma tot wijkziekenverzorgende op MBO-niveau 3 behaald. Dit leidt volgens het CBBS tot een opleidingsniveau 4. De arbeidsdeskundige acht eiseres daarom in staat om na de indiensttreding een interne functiegericht bedrijfsopleiding op opleidingsniveau 4 te volgen. Er zijn immers geen cognitieve beperkingen vastgesteld op grond waarvan het volgen van een opleiding op niveau 4 voor haar niet mogelijk zou zijn.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht beëindigd per 22 oktober 2020.

7. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, omdat, zoals hiervoor is overwogen, het UWV pas in beroep de medische geschiktheid van eiseres voor de functies voldoende heeft toegelicht. In zoverre was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand omdat deze functies wel terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd en het bestreden besluit ook voor het overige de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Dit betekent dat er inhoudelijk niets verandert. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

8. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijze na deskundigenbericht, met een waarde per punt van € 534, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier op 7 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.