Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2280

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 8815
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting, belastingplicht Limited Liability Partnerschip (LLP).

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende voor de vennootschapsbelasting als een niet-transparant lichaam moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de beroepen van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod niet slagen. Ook de stelling van belanghebbende dat er een arbeidsvergoeding is uitbetaald welke in mindering op het belastbaar bedrag dient te komen, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-5-2021
V-N Vandaag 2021/1180
FutD 2021-1600 met annotatie van Fiscaal up to Date
FutD 2021-1600
NTFR 2021/1794
NLF 2021/1085 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer: BRE 18/8815

uitspraak van 4 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2014 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van € 120.000 en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 4.990 (aanslagnummer: [aanslagnummer] V.46.0112).

1.2.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 29 januari 2018, door de inspecteur ontvangen op 30 januari 2018, bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 november 2018 het bezwaar ongegrond verklaard, de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd en het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar bij brief met 27 december 2018, ontvangen door de rechtbank op 28 december 2018, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 338.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft de inspecteur een nader stuk met dagtekening 8 maart 2021 ingediend. Alle stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021 te Breda.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak naar partijen wordt gezonden.

1.6.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is door de rechtbank op 8 april 2021 een brief van de inspecteur ontvangen. Hierin is opgenomen dat partijen gepoogd hebben na de zitting een compromis te bereiken en dat dit niet is gelukt. Een afschrift van deze brief is ter informatie aan belanghebbende verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 2 januari 2014 naar het recht van het Verenigd Koninkrijk en heeft de rechtsvorm van een Limited Liability Partnership (hierna: LLP).

2.2.

Belanghebbende heeft twee members: [participant 1] en [participant 2] (hierna: de participanten). [participant 1] is middellijk (100%) aandeelhouder en bestuurder van [participant 2] De participanten zijn mondeling een LLP agreement overeengekomen.

2.3.

De activiteiten van belanghebbende bestonden volgens een tot de gedingstukken behorend uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel uit het leveren van adviesdiensten en het detacheren van personeel op het gebied van documentaire dienstverlening.

2.4.

Belanghebbende heeft een nihilaangifte vennootschapsbelasting 2014 ingediend en in de aangifte de volgende opmerking opgenomen: “een Engelse LLP is niet belastingplichtig voor de vpb”.

2.5.

De inspecteur heeft in het kader van de beoordeling van de aangifte een verzoek om nadere informatie gedaan. Naar aanleiding van de reactie van belanghebbende heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) als niet-transparant lichaam dient te worden aangemerkt, zodat belanghebbende in de heffing van vennootschapsbelasting dient te worden betrokken.

2.6.

De inspecteur heeft vervolgens het door belanghebbende aangegeven belastbaar bedrag bij de aanslagregeling gecorrigeerd en heeft de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2014 aan belanghebbende opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van € 120.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de inspecteur € 4.990 aan belastingrente in rekening gebracht.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag vennootschapsbelasting 2014 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld de beantwoording van de vraag of belanghebbende voor de Nederlandse belastingheffing als niet-transparant lichaam kan worden aangemerkt. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of het belastbaar bedrag juist is berekend.

3.2.

Niet in geschil is dat belanghebbende vennootschapsbelastingplichtig is, indien belanghebbende als niet-transparant lichaam kwalificeert.

3.3.

Belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag en de beschikking belastingrente. Subsidiair concludeert zij tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de aanslag en de beschikking belastingrente op nihil. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: nadere stukken ter zitting

4.1.

Ter zitting heeft belanghebbende nadere stukken overgelegd. Hoewel belanghebbende deze stukken te laat heeft ingediend1 en belanghebbende voor deze handelwijze geen goede reden had, heeft de rechtbank de stukken toegelaten tot het geding. In dit geval verzet de goede procesorde zich daar naar het oordeel van de rechtbank niet tegen.2 De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen het belang van een behoorlijk verloop van de procedure, waaronder mede wordt verstaan een voorspoedig verloop, het belang van belanghebbende bij het inbrengen van deze stukken, de beperkte omvang van de stukken en de mogelijkheid van de inspecteur om ter zitting kennis te nemen van de stukken gecombineerd met het voorbehoud dat als de rechtbank gevolgen zou verbinden aan de nadere stukken de inspecteur de gelegenheid zou worden geboden om op de stukken te reageren.

Vraag 1: kwalificeert belanghebbende voor de Nederlandse belastingheffing als niet-transparant lichaam?

4.2.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende als niet-transparant lichaam kwalificeert door te verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 20063 en naar het besluit van de Staatssecretaris van 11 december 2009, nr. CPP2009/519M (hierna: het besluit) waarin deze jurisprudentie is uitgewerkt.4 Ook verwijst de inspecteur naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 20205, waarin voor een volgens de inspecteur soortgelijke LLP is bepaald dat deze niet transparant is voor de Nederlandse belastingheffing.

4.3.

Belanghebbende stelt dat zij transparant is en dat het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006 niet ziet op haar situatie, nu het in die zaak niet om een LLP ging.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende een naar buitenlands recht opgericht samenwerkingsverband is. Voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende naar Nederlandse fiscale maatstaven al dan niet als transparant heeft te gelden, is (onder meer) het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006 van belang. In het arrest van de Hoge Raad is, voor zover hier relevant, bepaald:

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de LLC voor Nederlandse fiscale doelen niet transparant is. Het heeft dat oordeel gebaseerd op de overwegingen (i) dat de participanten in casu slechts aansprakelijk zijn tot hun inleg, (ii) dat de onderneming van de LLC in casu eigendom is van de LLC en (iii) dat de onderneming van de LLC ook overigens in casu niet feitelijk voor rekening en risico van de participanten wordt gedreven. Voorzover dat oordeel is gebaseerd op de uitleg van de LLC-agreement en het recht van de Staat Delaware, is het niet onbegrijpelijk. Het oordeel geeft voor het overige geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

4.5.

Anders dan belanghebbende meent, is de rechtbank van oordeel dat de genoemde criteria ook als uitgangspunt dienen te worden genomen bij de beoordeling of belanghebbende als wel of niet transparant lichaam moet worden aangemerkt.

Tussenvraag: (i) zijn de participanten in casu slechts aansprakelijk tot hun inleg?

4.6.

Volgens de inspecteur moet deze vraag bevestigend worden beantwoord, omdat op basis van de Britse wetgeving de participanten in een LLP beperkt aansprakelijk zijn voor het handelen van de LLP. De inspecteur verwijst in dit kader onder andere naar de LLP Act 2000 en de LLP Regulations 2001, alsmede naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2020 (zie 4.2).

4.7.

Belanghebbende bestrijdt de conclusie van de inspecteur en stelt dat een kenmerk van een kapitaalvennootschap is dat inbreng van kapitaal voor alle firmanten verplicht is, in ruil voor beperkte aansprakelijkheid. Het inbrengen van kapitaal is niet aan de orde bij een LLP en [participant 1] kan als participant van de LLP in privé aansprakelijk worden gesteld, aldus belanghebbende.

4.8.

De rechtbank dient op dit punt te beoordelen of de aansprakelijkheid van de participanten in belanghebbende beperkt is tot hun inleg. Hiervoor is beslissend in hoeverre de participanten volgens het recht van het land van oprichting aansprakelijk zijn voor de schulden van belanghebbende.6

4.9.

Het Gerechtshof Den Haag heeft in de uitspraak van 11 augustus 20207, de Britse wetgeving ten aanzien van het aansprakelijkheidsvraagstuk van een Britse LLP geanalyseerd. De analyse is weergegeven in rechtsoverweging 5.2.2. tot en met 5.2.4. van die uitspraak. De Britse wetgeving en de daarop gebaseerde analyse, zijn ook van toepassing op belanghebbende. De rechtbank maakt de analyse weergegeven in die rechtsoverwegingen tot de hare.

4.10.

Hieruit volgt dat belanghebbende civielrechtelijk een rechtspersoon is die, met uitzondering van anderen, aansprakelijk is voor de door haar aangegane verbintenissen. Slechts in uitzonderlijke gevallen, waarin veelal sprake is van onrechtmatig of verwijtbaar handelen ten nadele van schuldeisers, kan een participant verplicht worden bij te dragen in het tekort van de LLP ten tijde van insolventie. Daarnaast kan een participant aansprakelijk gesteld worden in bepaalde bijzondere situaties. De achtergrond van deze uitzonderingen, die bovendien zijn ontleend aan het kapitaalvennootschapsrecht (company law), is het zorgdragen voor een voldoende niveau van bescherming van schuldeisers. De hiervoor bedoelde uitzonderingen bewerkstelligen niet dat als hoofdregel heeft te gelden dat de participanten aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van een LLP. Daarbij dient tot slot te worden opgemerkt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de onder Brits recht bestaande mogelijkheid om de aansprakelijkheid contractueel uit te breiden gebruik is gemaakt, zodat het uitgangspunt blijft gelden dat belanghebbende zelf aansprakelijk is voor de door haar aangegane verbintenissen.8 De rechtbank concludeert daarom dat de participanten in belanghebbende slechts aansprakelijk zijn tot hun inleg.

Tussenvraag: (ii) is de onderneming van de LLP in casu eigendom van de LLP?

4.11.

De inspecteur heeft bepleit dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en verwijst naar de Britse wetgeving. Belanghebbende heeft het standpunt van de inspecteur op dit punt niet bestreden. Nu de bevestigende beantwoording van deze vraag niet in geschil is, zal de rechtbank daarvan uitgaan.

Tussenvraag: (iii) wordt de onderneming van de LLP ook overigens in casu niet feitelijk voor rekening en risico van de participanten gedreven?

4.12.

De inspecteur heeft bepleit dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en verwijst naar de Britse wetgeving. Belanghebbende heeft het standpunt van de inspecteur op dit punt niet bestreden. Nu de bevestigende beantwoording van deze vraag niet in geschil is, zal de rechtbank daarvan uitgaan.

Tussenconclusie:

4.13.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat belanghebbende aangemerkt dient te worden als niet-transparant lichaam. Het gelijk op dit punt is aan de inspecteur.

Vertrouwensbeginsel

4.14.

In een geval als dit is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de inspecteur zich niet (langer) op het standpunt zou stellen dat belanghebbende niet-transparant is voor de Nederlandse belastingheffing.9

4.15.

Belanghebbende stelt dat hij aan de “Lijst gekwalificeerde buitenlandse samenwerkingsverbanden” behorende bij het besluit zoals die in het onderhavige jaar luidde (hierna: de lijst), het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat belanghebbende voor de Nederlandse belastingheffing als transparant moest worden aangemerkt. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. In paragraaf 7 van het besluit is met betrekking tot de lijst immers opgemerkt dat die een indicatief karakter heeft, omdat de kwalificatie in individuele gevallen anders kan uitpakken (bijvoorbeeld door verandering van wet- en regelgeving van het land van oprichting). In diezelfde paragraaf staat ook dat de belastingplichtige die zekerheid wil over de kwalificatie van het buitenlandse samenwerkingsverband, een verzoek kan indienen bij de inspecteur. Dat bevestigt het indicatieve karakter van de lijst. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan op dit punt niet slagen.

4.16.

Ook kan aan het stuk van de ontvanger met dagtekening 7 december 2018 geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend. Uit het stuk kon en mocht belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet afleiden dat de inspecteur zich niet, of niet langer, op het standpunt zou stellen dat belanghebbende niet-transparant is voor de Nederlandse belastingheffing. Daarom slaagt ook op dit punt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Het gelijk is aan de inspecteur.

Gelijkheidsbeginsel

4.17.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aangevoerd dat de gemachtigde van belanghebbende acht LLP’s als klant heeft, die in vergelijkbare situaties verkeren. Vier van deze acht LLP’s zijn door de inspecteur aangemerkt als transparant en de andere vier zijn aangemerkt als niet-transparant voor de Nederlandse belastingheffing.

4.18.

De rechtbank stelt voorop dat van schending van het gelijkheidsbeginsel sprake kan zijn indien (1) de inspecteur een begunstigend beleid voert, (2) ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of (3) de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden.

4.19.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur een begunstigend beleid heeft gevoerd of dat ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging. Voorts voldoet het beroep van belanghebbende niet aan de meerderheidsregel, reeds omdat ‘vier van acht’ geen meerderheid is.

Discriminatieverbod

4.20.

Volgens belanghebbende is sprake van discriminatie omdat in het Verenigd Koninkrijk een LLP wel als transparant wordt beschouwd. Nederland zou die kwalificatie dan moeten volgen. De inspecteur bestrijdt dat er sprake is van verboden discriminatie.

4.21.

Dit beroep faalt reeds omdat verschil in de fiscale behandeling van een LLP in het Verenigd Koninkrijk ten opzichte van de fiscale behandeling van een LLP in Nederland - als dit verschil al aannemelijk zou zijn gemaakt - niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie van belanghebbende in Nederland.

Vraag 2: is het belastbaar bedrag juist berekend?

4.22.

Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat belanghebbende als niet-transparant lichaam dient te worden gekwalificeerd, is nog in geschil of het belastbaar bedrag juist is berekend. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van loonkosten.

4.23.

Belanghebbende stelt dat sprake is van een vergoeding voor arbeid van [participant 1] ter grootte van € 120.000, die in aftrek dient te komen. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd aangegeven dat deze kostenpost blijkt uit de aangifte en het document “balans/winst- en verliesrekening”.

4.24.

De inspecteur stelt dat normaliter dergelijke loonkosten ten laste van het fiscale resultaat kunnen worden gebracht, maar dat dat in dit geval niet kan omdat de gestelde kosten niet aannemelijk zijn gemaakt. Er is geen loon betaald, aldus de inspecteur.

4.25.

De rechtbank stelt voorop dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat kosten zijn gemaakt. Belanghebbende heeft volstaan met een verwijzing naar de aangifte en het document “balans/winst- en verliesrekening” ter staving van haar standpunt. Nu uit deze stukken geen kosten blijken die samenhangen met een vergoeding voor arbeid, heeft belanghebbende haar standpunt niet aannemelijk gemaakt. Het gelijk op dit punt is aan de inspecteur.

Conclusie

4.26.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Datzelfde geldt ter zake van de belastingrente, waartegen belanghebbende geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 mei 2021 door mr. V.A. Burgers, voorzitter, mr. drs. M.H. van Schaik en mr. T.H.J. Verhagen, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Op basis van artikel 8:58, lid 1, van de Awb.

2 Zie ook Hoge Raad 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0721.

3 ECLI:NL:HR:2006:AX2034.

4 Onder paragraaf 3.4, paragraaf ‘kapitaalvennootschap’, tweede gedachtestreepje.

5 ECLI:NL:GHDHA:2020:2016.

6 Vgl. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2292.

7 ECLI:NL:GHDHA:2020:2016.

8 Zie ook Gerechtshof Den Haag,11 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2016, r.o. 5.2.5.

9 Vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.