Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2276

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
17-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7112 en 20_7113
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZORG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/7112 en 20/7113 ZORG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2021 in de zaken tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. P.C.J. Griep,

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 21 februari 2020 (primair besluit I) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van eiseres op voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2020 herzien en vastgesteld op € 0,-. Hieruit volgt dat eiseres het uitbetaalde voorschot van € 208,- moet terugbetalen.

In het besluit van 13 maart 2020 (primair besluit II) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van eiseres op voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2019 herzien en vastgesteld op € 892,-. Deze gewijzigde vaststelling leidt tot een terugvordering van € 297,-.

In het besluit van 23 april 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van eiseres op voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2020 herzien en vastgesteld op € 937,-.

In afzonderlijke besluiten van 25 mei 2020 (bestreden besluit I en II) heeft de Belastingdienst/Toeslagen de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en het recht van eiseres op zorgtoeslag voor het jaar 2020 gehandhaafd op € 937,- en voor 2019 gehandhaafd op € 892,-.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 juni 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van eiseres op zorgtoeslag voor het jaar 2019 definitief vastgesteld op € 892,-.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank op 1 april 2021.

Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde, en [vertegenwoordiger verweerder] namens de Belastingdienst/Toeslagen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft in 2014 een aanvraag om zorgtoeslag ingediend en zorgtoeslag toegekend gekregen. De Belastingdienst/Toeslagen beschouwt deze aanvraag als mede ingediend voor de volgende jaren.

Eiseres verbleef in de periode van 11 september 2019 tot en met 10 maart 2020 in Stuttgart (Duitsland) vanwege een afstudeerstage. In die periode heeft zij onafgebroken ingeschreven gestaan op een adres in Nederland conform de Basisregistratie personen. In de periode van 10 september 2019 tot 10 maart 2020 had eiseres geen zorgverzekering in Nederland.

Via de Basisregistratie inkomensgegevens (BRI) ontvangt de Belastingdienst/Toeslagen (onder andere) gegevens van zorgverzekeraars. In dit geval heeft de Belastingdienst/ Toeslagen op 20 december 2019 bericht ontvangen dat eiseres met ingang van 11 september 2019 haar zorgverzekering heeft beëindigd. Op 25 maart 2020 is het bericht ontvangen dat eiseres met ingang van 10 maart 2020 een zorgverzekering heeft afgesloten.

Naar aanleiding van deze berichten heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van eiseres op zorgtoeslag voor de jaren 2019 en 2020 herzien en opnieuw vastgesteld. Aan de besluiten tot herziening is ten grondslag gelegd dat eiseres voor de jaren 2019 en 2020 over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020 niet verzekerd is volgens de Zorgverzekeringswet en dus geen recht heeft op zorgtoeslag. Uit deze besluiten volgt dat eiseres over de genoemde periode te veel ontvangen zorgtoeslag moet terugbetalen, namelijk € 297,- over 2019 en € 208,- over 2020.

Het geschil

2. In geschil is of de Belastingdienst/Toeslagen op goede gronden heeft vastgesteld dat eiseres over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020 geen recht heeft op zorgtoeslag, omdat zij in die periode niet in Nederland verzekerd is geweest volgens de Zorgverzekeringswet, en dat zij het ontvangen voorschot over deze periode moet terugbetalen.

Standpunt eiseres

3. Eiseres voert aan dat zij op basis van haar inkomen recht heeft op zorgtoeslag over de gehele jaren 2019 en 2020. Zij wilde haar zorgverzekering bij VGZ tijdens haar stage laten doorlopen, maar VGZ en de SVB hebben haar verteld dat zij in Duitsland een zorgverzekering moest afsluiten. De voorwaarde aan de zorgtoeslag, dat zij in Nederland verzekerd moet zijn, vormt volgens eiseres een ontoelaatbare inbreuk op het beginsel van vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie en de artikelen 45 tot en met 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Ten onrechte wordt er verschil gemaakt tussen het recht op zorgtoeslag bij het verrichten van een betaalde stage in Nederland en bij een stage in een ander land binnen de Europese Unie.

Standpunt Belastingdienst/Toeslagen

4. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen is het recht van eiseres op zorgtoeslag over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020 terecht herzien naar € 0,- en zijn de betaalde voorschotten terecht teruggevorderd.

Wettelijk kader

5. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Oordeel rechtbank

6. Zorgtoeslag is een tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering. Voor het bestaan van aanspraak op zorgverzekering dient premie te zijn betaald voor een zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet.1 Dit betekent dat een zorgverzekering moet zijn afgesloten bij een zorgverzekeraar die als werkgebied Nederland heeft.2 Vast staat dat eiseres over de periode van 10 september 2019 tot 10 maart 2020 geen premie heeft betaald voor een zorgverzekering in Nederland. Daaruit volgt dat eiseres in beginsel geen aanspraak kan maken op zorgtoeslag over de in geschil zijnde periode.

Er geldt een uitzondering op deze hoofdregel. De persoon die een periode uitsluitend niet in Nederland woont wegens studieredenen blijft verzekerd op grond van de volksverzekeringen indien die periode aansluitend is aan het wonen in Nederland.3

Het standpunt van eiseres, dat zij uitsluitend voor studieredenen in Duitsland was en wel verzekerd wilde blijven in Nederland, kan haar niet baten.4 Vast staat dat zij in de betreffende periode niet verzekerd was in Nederland. Voor zover haar verblijf in Duitsland uitsluitend om studieredenen was en zij door het advies van de VGZ en de SVB (mogelijk) onjuist zou zijn voorgelicht, wat daar ook van zij, maakt het voorgaande niet anders.

Ook is geen sprake van inbreuk op beginselen van vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie en de artikelen 45 tot en met 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Eiseres werd niet beperkt in haar bewegingsvrijheid en kon zich vrij bewegen en vestigen in Nederland en Duitsland. Dat zij niet voldoet aan de voorwaarden om zorgtoeslag te ontvangen in Nederland is niet het gevolg van inbreuk op beginselen van vrij verkeer, maar het gevolg van het verzekerd zijn in Duitsland.

Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel kan niet worden gevolgd. Er is geen sprake van gelijke gevallen bij het verrichten van een betaalde stage in Nederland en een stage in een ander land binnen de Europese Unie. Het criterium voor het recht op zorgtoeslag is namelijk niet of een betaalde stage in een bepaald land wordt verricht, maar het betalen van premie voor een zorgverzekering in Nederland. Vast staat dat eiseres geen premie heeft voldaan voor een Nederlandse zorgverzekering.

Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat de rechtbank dit verder buiten bespreking laat.

Conclusie

7. De Belastingdienst/Toeslagen heeft op goede gronden vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op zorgtoeslag over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 maart 2020, en het uitbetaalde bedrag aan zorgtoeslag over deze periode teruggevorderd. De beroepen zullen daarom ongegrond worden verklaard.

8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 6 mei 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet op de zorgtoeslag (Wzt):

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is geregeld, verstaan onder:

b. zorgverzekering: de schadeverzekering, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet;

c. verzekerde: de persoon, bedoeld in artikel 1, onder f, of in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet, vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van die wet;

e. zorgtoeslag: een tegemoetkoming in een premie dan wel in een bestuursrechtelijke premie als bedoeld in artikel 18d of 18e van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 1, tweede lid, van de Wzt:

De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

Artikel 2 van de Wzt:

1. Indien de normpremie voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, heeft de verzekerde aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil.

6. De aanspraak op een zorgtoeslag wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.

Artikel 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen:

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen, wordt een wijziging in de omstandigheden en van de leeftijd van de belanghebbende, de partner of een medebewoner die zich voordoet na de eerste dag van de maand, in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.

Artikel 1, van de Zorgverzekeringswet:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

d. zorgverzekering: een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen daarover bij of krachtens deze wet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven gaan;

e. verzekeringsplichtige: degene die op grond van artikel 2 verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren.

Artikel 2, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet:

Degene die ingevolge de Wet langdurige zorg en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.

Artikel 29, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet:

Het werkgebied van een zorgverzekeraar is Nederland.

Artikel 1.2.1. van de Wet langdurige zorg (Wlz):

Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.

Artikel 2.1.1., eerste lid, van de Wlz:

Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Artikel 2.1.1., vierde lid, van de Wlz:

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB 1999):

Verzekerd op grond van de volksverzekeringen blijft de persoon die een periode uitsluitend niet in Nederland woont wegens studieredenen indien die periode aansluitend is op het wonen in Nederland.

Artikel 12, eerste lid, van het BUB 1999:

Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.

1 Artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet op de zorgtoeslag (Wzt), gelezen in verbinding met artikel 2, eerste lid, van de Wzt en artikel 1 van de Zorgverzekeringswet.

2 Artikel 29 van de Zorgverzekeringswet.

3 Artikel 8 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.

4 Waarbij de rechtbank nog opmerkt dat eiseres ter zitting heeft aangegeven een stagevergoeding in Duitsland te hebben ontvangen. Deze wordt, bijvoorbeeld in het sociale zekerheidsrecht, als inkomen aangemerkt, zie onder meer CRvB 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8536.