Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2268

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
17-09-2021
Zaaknummer
AWB- 19_1707
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/1707 ZW

uitspraak van 4 mei 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J.J. van Vliet,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 maart 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.J.M. van Eijk.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend, om vervolgens advies in te winnen bij een onafhankelijk deskundige: [naam psychiater] (psychiater). Deze heeft onderzoek verricht en daarvan op 18 augustus 2020 schriftelijk verslag uitgebracht. Eiser en het UWV hebben daarop schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is tot en met 31 januari 2017 werkzaam geweest als veiligheidscoördinator. Met ingang van 1 februari 2017 is aan eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW) toegekend. Die uitkering liep tot 15 juli 2018. Op 10 juli 2018 heeft eiser bij het UWV gemeld dat hij vanaf 9 juli 2018 ziek is met psychische klachten (vermoeidheidsklachten, concentratieproblemen).

Met ingang van 16 juli 2018 is aan eiser een voorschot op een ZW-uitkering toegekend. Bij besluit van 7 augustus 2018 heeft het UWV eiser gemeld dat hij vanaf 16 juli 2018 geen WW-uitkering meer ontvangt. Een tegen dat besluit ingediend bezwaarschrift is door het UWV bij besluit van 14 november 2018 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 september 2018 is aan eiser per 16 juli 2018 een ZW-uitkering toegekend. Na medisch onderzoek heeft het UWV bij besluit van 26 november 2018 (primair besluit) eiser kenbaar gemaakt dat hij vanaf 1 december 2018 weer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk en dat zijn ZW-uitkering wordt beëindigd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiser heeft

beëindigd per 1 december 2018.

3. Wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

4. Arbeidsmaatstaf

De rechtbank stelt vast dat het werk als veiligheidscoördinator als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt.

5. Medische beoordeling

Het bestreden besluit is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

5.1.

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur en heeft het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat ten aanzien van de (mogelijk) mentale problemen van eiser geen psychopathologie kan worden geduid. Volgens de verzekeringsarts kan wel ingevoeld, verondersteld en onderkend worden dat eiser sociaal-maatschappelijke problemen heeft die hem raken. Hier volgen volgens de verzekeringsarts echter geen evidente beperkingen in de zin van de ZW uit. Eventuele beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts niet het gevolg van een te objectiveren ziekte en/of gebrek, maar van andere omstandigheden. Daarbij merkt de verzekeringsarts op dat ook het consulteren van een psycholoog op zich niet maakt dat er sprake is van een ziekte of dat er beperkingen zijn voor het laatst verrichte werk. De verzekeringsarts is tijdens het onderzoek niet gebleken dat de concentratie, het geheugen en de stemming beperkt zijn. Eiser maakt volgens de verzekeringsarts een alerte, adequate, heldere en geconcentreerde indruk. Ook worden zijn dagelijkse taken en verantwoordelijkheden normaal ingevuld. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat het ziekteproces dusdanig verbeterd is dat eiser voldoende belastbaar is om weer in de maatgevende arbeid te hervatten.

De verzekeringsarts b&b heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd en is aanwezig geweest bij de telefonische hoorzitting op 29 januari 2019. De verzekeringsarts b&b heeft daarbij – onder meer – kennis genomen van de omschrijving van de inhoud en de belasting in het werk van eiser als veiligheidscoördinator, opgesteld door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b). De verzekeringsarts b&b heeft ook kennis genomen van de informatie van zijn psycholoog van GGZWNB van 14 januari 2019 die eiser in bezwaar heeft overgelegd.

De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat niet wordt voorbijgegaan aan de aanwezige problematiek bij eiser, noch aan het feit dat eiser moeilijke tijden heeft doorgemaakt of zich in een moeilijke situatie bevindt (financieel, sociaal). Evenwel kan naar het oordeel van de verzekeringsarts b&b niet worden gesteld dat eiser ongeschikt is voor de maatgevende arbeid op basis van ziekte of gebrek.

5.2.

Eiser heeft aangevoerd dat hij zich met ingang van 9 juli 2018 ziek heeft gemeld met vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. Door zijn huisarts is hij doorverwezen naar de praktijkondersteuner GGZ (POH GGZ) en vervolgens is hij weer doorverwezen naar de Basis GGZ (BGGZ). Eiser geeft aan dat de BGGZ de diagnose ‘gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis’ heeft gesteld en dat die diagnose ook is onderbouwd. Eiser merkt op dat de behandeling weliswaar is gestopt, maar dat het de bedoeling was om de behandeling te doen hervatten na terugkeer van eiser in Nederland, en dat dit door het verloop van de ziekte bij zijn moeder anders is gelopen. Daarnaast speelden en spelen bij eiser ook nog andere kwesties zoals huisvestingsproblemen en moeilijke arbeidsrechtelijke procedures. Dat alles heeft volgens eiser gezorgd voor de tot op heden voortdurende klachten.

Eiser heeft verder ten aanzien van de maatstaffunctie aangevoerd dat de functie een aanhoudende concentratie en een scherpe geest vereist. Eiser vindt dat hij vanwege de (aanhoudende) vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen niet in staat kan worden geacht om daaraan te voldoen. Ter zitting heeft eiser opgemerkt dat hij ervan uitgaat dat de beschrijving door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van de maatgevende functie (veiligheidscoördinator) klopt.

5.3.

De door de rechtbank geraadpleegde deskundige [naam psychiater] heeft in haar rapportage van 18 augustus 2020 op basis van eigen onderzoek en de beschikbare medische stukken geconcludeerd dat bij eiser sprake is en op de datum in geding sprake was van een aanpassingsstoornis, persisterend (chronisch) met gemengd angstige en sombere stemming. Deze stoornis leidt volgens haar evenwel niet tot beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. De deskundige heeft daarbij opgemerkt dat ervan mag worden uitgegaan dat eiser op de datum in geding in staat was om zijn eigen werk als veiligheidscoördinator te verrichten.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen tot een juist medisch oordeel zijn gekomen. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. De rechtbank kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige haar oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek – waarbij een deel van de anamnese is verricht door GZ-psycholoog [naam GZ- psycholoog] – alsmede op alle in het dossier aanwezige op de gesteldheid van eiser betrekking hebbende stukken. Aangezien de deskundige haar bevindingen genoegzaam heeft gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat de deskundige op zorgvuldige wijze tot haar standpunt is gekomen. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat een deel van de anamnese is verricht door een GZ-psycholoog, doet aan de zorgvuldigheid van het onderzoek niet af. De reactie van eiser op dit rapport geeft geen aanleiding om de bevindingen en conclusies van de deskundige niet te volgen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser zijn reactie niet heeft onderbouwd met nieuwe medische stukken. Eiser heeft zijn reactie gemotiveerd met verwijzing naar de medische informatie van GGZ in het dossier, en van die informatie heeft de deskundige ook kennis genomen, zo blijkt uit het deskundigenrapport.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd per 1 december 2018.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Proceskosten

Er is geen reden een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 4 mei 2021 en openbaar gemaakt door middels van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.