Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2248

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
26-07-2021
Zaaknummer
02-025643-21, 02-019358-21 (gevoegd), 02-207557-20 (gevoegd), 02-244878-20 (gevoegd) en 02-227018-18 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor diefstal, heling, het voorhanden hebben van munitie en het opzettelijk aanwezig hebben van diverse hoeveelheden drugs. Oplegging van de ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-025643-21, 02-019358-21 (gevoegd), 02-207557-20 (gevoegd),

02-244878-20 (gevoegd) en 02-227018-18 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 mei 2021

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg,

raadsvrouw mr. F.W.M. Hopmans, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. S.J. Huizenga, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier diefstallen dan wel heling, het in voorraad hebben van vals geld, het voorhanden hebben van kogelpatronen, het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine, MDMA, GHB, heroïne, xtc-pillen en hasjiesj en drugshandel.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 02-025643-21

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal en baseert zich daarbij op de 100 procent herkenning door de politie, het korte tijdsbestek en de inconsistente en ongeloofwaardige verklaring van verdachte.

Parketnummer 02-019358-21

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de valse bankbiljetten zelf heeft vervalst en dat hij wist dat de bankbiljetten vals waren. De officier van justitie acht de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen op basis van onder meer de bekennende verklaringen van verdachte.

Parketnummer 02-207557-20

De officier van justitie acht ten aanzien van feit 1 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in en het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine, MDMA en GHB. Met betrekking tot het ‘opzettelijk aanwezig hebben’ baseert zij zich op de aangetroffen drugs in de buddyseat van de snorfiets waarop verdachte reed en in de woning en het tuinhuis van zijn moeder en de bekennende verklaring van verdachte dat hij de drugs in zijn bezit had. Dat sprake is geweest van drugshandel, blijkt uit het feit dat er een weegschaal met sporen van gebruik is aangetroffen, de verklaring van een getuige dat verdachte op een dealer leek en de berichten die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen. Feit 2 kan worden bewezen aan de hand van het feit dat het contactslot van de snorfiets was beschadigd, er geen sleutel in zat en dat er sprake was van een weggeslepen framenummer. Dat zijn zaken waarop moet worden gelet als men ergens een snorfiets pakt of gebruikt. Feit 3 kan worden bewezen aan de hand van de bekennende verklaring van verdachte.

Parketnummer 02-244878-20

De officier van justitie acht ten aanzien van feit 1 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aangetroffen hoeveelheden in zijn bezit heeft gehad. Zij verwijst daarbij voor wat betreft de hoeveelheden drugs naar het dossier en vordert vrijspraak voor de ten laste gelegde heroïne. Feit 2 kan worden bewezen, omdat bij verdachte een behoorlijke hoeveelheid GHB is aangetroffen. Feit 3 kan worden bewezen aan de hand van de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 4, omdat vanaf de buitenkant niet was te zien dat de bromfiets was gestolen. Ten aanzien van feit 5 acht de officier van justitie de ten laste gelegde schuldheling wettig en overtuigend bewezen, omdat verdachte met zijn verklaring wil verhullen hoe hij aan de bromfiets is gekomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 02-025643-21

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte het feit heeft gepleegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat – ondanks de verklaring van de verbalisant – het onmogelijk is om verdachte op de camerabeelden te herkennen, omdat er geen duidelijke uiterlijke kenmerken op te zien zijn. Daarnaast is de scooter niet voor de woning van verdachte aangetroffen, maar in de straat. Voort is het onwaarschijnlijk en onaannemelijk dat verdachte in een tijdsbestek van negentien minuten een scooter bij de [supermarkt 1] heeft gestolen, naar een plek is gereden en vervolgens weer is teruggegaan. De vriendin van verdachte heeft immers verklaard dat zij hooguit vijftien minuten in de [supermarkt 1] is geweest.

Parketnummer 02-019358-21

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw verzocht verdachte vrij te spreken, omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte het feit heeft begaan en dat de vervalsing hem bekend was. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer 02-207557-20

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het aanwezig hebben van de drugs. Voor wat betreft het overige ten laste gelegde – de drugshandel – heeft zij verzocht verdachte daarvan vrij te spreken, gelet op de ten laste gelegde periode en de verklaring van verdachte dat de drugs voor eigen gebruik waren. In de ten laste gelegde periode hebben slechts ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’ een bericht gestuurd, waarop verdachte niet heeft gereageerd en dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer 02-244878-20

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw verzocht om vrijspraak van het ten laste gelegde bezit van heroïne. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde drugs heeft de raadsvrouw verzocht verdachte enkel te veroordelen voor de hoeveelheden waarvan door het NFI is aangetoond dat het om harddrugs gaat. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft verzocht verdachte van de feiten 4 en 5 vrij te spreken, omdat verdachte niet wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof en hij dat ook niet had moeten vermoeden. Wat betreft feit 4 heeft een verbalisant geconstateerd dat vanaf de buitenkant niet te zien is dat de bromfiets van diefstal afkomstig is. Ten aanzien van feit 5 blijkt onvoldoende waardoor de schade aan de bromfiets is ontstaan, zodat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hij het ten laste gelegde heeft gepleegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Parketnummer 02-025643-21

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 27 januari 2021 is tussen 18.20 en 18.30 uur een scooter van het merk Tomos, voorzien van kenteken [kenteken 1] , gestolen. De scooter stond geparkeerd bij de [supermarkt 1] aan de Kerkwerve in Etten-Leur. Omstreeks 18.39 uur is de scooter in de [straat] ter hoogte van nummer [nummer 1] door de politie aangetroffen. Verdachte, die destijds op nummer [nummer 2] woonde, stapt op dat moment voor zijn woning uit een donkere Opel met een boodschappentas in zijn hand. Verdachte is zowel op de camerabeelden van de [supermarkt 1] als op de camerabeelden van de bewoners van de [straat] nummer [nummer 3] door verbalisanten herkend. Op de camerabeelden van de [supermarkt 1] is blijkens het proces-verbaal van bevindingen te zien dat een man bij de [supermarkt 1] staat en een blauwe [supermarkt 2] tas vast had. De verbalisant herkent hem als verdachte. Even later is een persoon te zien met dezelfde kleding aan die een witte snorfiets voortduwt en een blauwe [supermarkt 2] tas aan de linkerkant van het stuur heeft hangen. Uit het dossier blijkt dat op de camerabeelden van de bewoners van Cellostraat [nummer 3] is te zien dat een man op een witte scooter over de stoep voor de woningen van nummer [nummer 3] en verder reed en deze heeft weggezet op de plaats waar de scooter is aangetroffen. Verbalisant herkent de man voor 90 procent als verdachte. De man draagt exact dezelfde kleding als verdachte aan had toen de verbalisant hem in de [straat] zag. De man droeg een blauwe [supermarkt 2] tas. De man komt even later op de camerabeelden aanlopen, waarbij verbalisant hem herkent als verdachte, die zij ambtshalve kent. De kleding van de persoon die op deze camerabeelden is te zien komt overeen met de kleding die verdachte aanhad. De reistijd van de [supermarkt 1] naar de locatie van het aantreffen van de scooter betreft met een elektrische fiets drie minuten. De vriendin van verdachte heeft verklaard dat verdachte op 27 januari 2021 omstreeks 18.30 uur bij de [supermarkt 1] in Etten-Leur is geweest.

Verdachte heeft bij de politie (en later ook bij zijn verhoor voor de rechter-commissaris) verklaard dat hij op 27 januari 2021 omstreeks 18.30 uur niet bij de [supermarkt 1] is geweest. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij dat heeft verklaard, omdat hij bij zijn verklaring bij de politie hoog in zijn emotie zat en dat het klopt dat hij er wel was en dat het best kan zijn dat hij daar rond 18.30 uur is geweest.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van herkenningen het volgende voorop. Herkenning vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, handen, lengte, postuur, kleding en manier van lopen. Verschillende elementen spelen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen.

Bij de beoordeling van de herkenningen in de onderhavige zaak acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte herkend op camerabeelden van de bewoners van de [straat] [nummer 3] . [verbalisant 1] is al enige jaren wijkagent in Etten-Leur en kent verdachte ambtshalve vanuit haar wijkwerk, maar ook van eerdere aanhoudingen en controles. Begin januari 2021 heeft zij met verdachte een gesprek gehad. [verbalisant 1] heeft verdachte herkend aan zijn gezicht en postuur. Daar komt bij dat zij heeft vastgesteld dat de man op de camerabeelden dezelfde kleding aan had als verdachte. Daarnaast heeft verbalisant [verbalisant 2] verdachte herkend op de camerabeelden van de [supermarkt 1] . Verdachte heeft, voordat [verbalisant 2] de camerabeelden heeft bekeken, bij [verbalisant 2] een verklaring afgelegd. [verbalisant 2] heeft verdachte herkend aan zijn gezicht en postuur.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de herkenning van de verbalisanten betrouwbaar is. De verbalisanten waren dusdanig bekend met verdachte dat de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van de herkenningen te twijfelen. Daarnaast worden de herkenningen ondersteund door de herkenning op de camerabeelden van de kleding die verdachte die dag aanhad. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Gelet op het voorgaande, mede in aanmerking genomen de inconsistente verklaring van verdachte omtrent zijn aanwezigheid bij de [supermarkt 1] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde diefstal heeft begaan.

Parketnummer 02-019358-21

Feit 1

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte van feit 1 onder parketnummer 02-019358-21 dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat de bij verdachte aangetroffen bankbiljetten vals zijn, maar niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap van de valsheid had.

Feiten 2 en 3

Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaringen van verdachte, acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 02-207557-20

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat in de buddyseat van de snorfiets waarop verdachte op 23 april 2020 reed, in totaal ongeveer 550 gram amfetamine en 525 milliliter GHB is aangetroffen. In de woning van de moeder van verdachte, waar verdachte op dat moment tijdelijk verbleef, is op 25 april 2020 in totaal ongeveer 524 gram amfetamine en 30 gram MDMA aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen drugs van hem zijn.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de totale hoeveelheid aangetroffen drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad en dat verdachte een deel daarvan – namelijk de drugs, aangetroffen in de buddyseat van de snorfiets waarop verdachte reed – ook heeft vervoerd. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde drugshandel.

Feit 2

Verdachte reed op 23 april 2020 op een snorfiets van het merk AGM type VX50 met kenteken [kenteken 2] , terwijl dit kenteken bij een bromfiets van het merk Kymco behoorde. Er zat geen sleutel in de snorfiets, de ombouw van het cilinderslot ontbrak, het cilinderslot was beschadigd, op diverse plekken hingen kabels los en de accu lag bloot. Tevens had de snorfiets een weggeslepen framenummer.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de snorfiets van misdrijf afkomstig is en dat dit tevens voor een ieder al op het eerste gezicht duidelijk moet zijn geweest. Doordat het kenteken van de snorfiets niet correspondeert en het framenummer van de snorfiets is weggeslepen, valt echter niet meer te achterhalen of er ook aangifte van diefstal van deze snorfiets is gedaan.

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat de snorfiets van een vage vriend van hem is, waar hij verder niks over wil zeggen. In het tweede politieverhoor heeft verdachte verklaard dat deze persoon weleens ‘ [naam 3] ’ wordt genoemd, dat hij het voor de rest niet weet en dat hij niet weet hoe lang hij de snorfiets onder zich heeft.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de snorfiets. Gelet hierop, mede in aanmerking genomen de uiterlijke staat van de snorfiets, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de snorfiets wist dat de fiets door misdrijf was verkregen.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 02-244878-20

Feiten 1 en 3

Op 3 september 2020 zijn in de hotelkamer waarin verdachte verbleef diverse hoeveelheden drugs aangetroffen, te weten in totaal 0,8 liter GHB, 203,6 gram amfetamine, 1 gram MDMA, 51 pillen met MDMA en 18,3 gram hasjiesj. Verdachte heeft verklaard dat deze drugs van hem zijn. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de hotelkamer aangetroffen hoeveelheden drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 2

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 28 september 2020 twee flessen met daarin in totaal 675 milliliter GHB bij zich had in de buddyseat van een scooter. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze flessen met GHB opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 4

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte van feit 4 onder parketnummer 02-244878-20 dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dan wel redelijkerwijze had moeten vermoeden dat de bromfiets van misdrijf afkomstig was.

Feit 5

Uit het dossier volgt dat verdachte, terwijl hij op een gestolen snorfiets reed, tegen een boom is gereden. Verdachte heeft bij de politie verklaard niet te weten hoe hij aan de snorfiets kwam en dat hij niet wist dat deze van diefstal afkomstig is.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook van feit 5 onder parketnummer 02-244878-20 dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dan wel redelijkerwijze had moeten vermoeden dat de bromfiets van diefstal afkomstig is.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Parketnummer 02-025643-21

Primair:

op 27 januari 2021 te Etten-Leur een scooter (merk: Tomos, kleur: wit, kenteken: [kenteken 1] ), die aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 02-019358-21

Feit 2:

op 20 januari 2021 te Etten-Leur, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 43 kogelpatronen van het kaliber .22 Longrifle, en

- 12 kogelpatronen, soort van het kaliber 6,35 mm (.25 AUTO), en

- 4 kogelpatronen, soort van het kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

op 20 januari 2021 te Etten-Leur, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25,3 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Parketnummer 02-207557-20

Feit 1:

in de periode van 23 april 2020 tot en met 25 april 2020 te Etten-Leur, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 1074 gram amfetamine en 30 gram MDMA van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en

- ongeveer 525 milliliter van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 2:

op 23 april 2020 te Etten-Leur, een goed, te weten een snorfiets, merk: AGM VX50, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 3:

op 25 april 2020 te Etten-Leur, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten drie kogelpatronen van het kaliber 6,35 Browning, voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 02-244878-20

Feit 1:

op 3 september 2020 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- 800 ml van een materiaal bevattende GHB en

- 51 pillen van een materiaal bevattende MDMA en

- 204,6 gram van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA

zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 2:

op 28 september 2020 te Etten-Leur opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 675 ml van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 3:

op 3 september 2020 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 18,3 gram hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar. Zij heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte sprake is van langdurig middelengebruik, persoonlijkheidsproblematiek en een verstandelijke beperking. Er zijn geen beschermende factoren, de kans op recidive is hoog en de kans op het onttrekken aan voorwaarden is hoog. Zonder hulp kan verdachte geen normaal leven opbouwen. Verdachte heeft meerdere hulpverleningstrajecten doorlopen en de ISD-maatregel is het laatste redmiddel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht geen ISD-maatregel op te leggen, maar te volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met strikte voorwaarden. Zij heeft daartoe bepleit dat een strakker kader nog een mogelijkheid is. Er was een traject uitgestippeld, maar bij het onderdeel ‘detox’ is het fout gegaan. Er kan worden gedacht aan begeleid wonen. Verdachte heeft inzicht in de onjuistheid van zijn handelen en hij hoeft – omdat hij al langere periode nuchter is – niet meer te detoxen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een scooter en heling van een bromfiets. Dit zijn ergerlijke feiten waarmee verdachte geen respect heeft getoond voor andermans eigendom. Voorts veroorzaken dergelijke misdrijven naast schade en hinder gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer. Door zich schuldig te maken aan heling heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor door misdrijf verkregen goederen. Daarnaast heeft verdachte in totaal 62 kogelpatronen in zijn bezit gehad. Het voorhanden hebben van munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich mee. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van in totaal 1.303,9 gram amfetamine, 30 gram MDMA, 51 pillen MDMA en twee liter GHB. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid, waardoor het aanwezig hebben en de handel daarvan verboden is. Alleen al met het voorhanden hebben van een dergelijke grote hoeveelheid harddrugs heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het drugsmilieu. Het is immers duidelijk dat dergelijke hoeveelheden bestemd zijn voor de handel.

De rechtbank constateert dat verdachte zich ook eerder meermalen schuldig heeft gemaakt aan vermogenscriminaliteit en overtredingen van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich, ondanks eerdere straffen en gedurende een proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, nog steeds bezighoudt met het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van Novadic-Kentron van 8 april 2021, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van langdurig middelengebruik, persoonlijkheidsproblematiek en een verstandelijke beperking. Verdachte heeft geen probleembesef, overschat zichzelf en heeft geen inzicht in zijn handelen en gedrag. Hij beschikt over onvoldoende copingsvaardigheden en zelfinzicht om veranderingen langdurig te realiseren en te behouden en in combinatie met zijn pro-criminele houding blijft het delictgedrag in stand. De afgelopen jaren is er met de inzet van de reclassering en verschillende hulpverleningsinstanties een variatie aan hulpverlening ingezet in de vorm van klinische en ambulante behandelingen en begeleidingstrajecten, maar dat heeft tot op heden onvoldoende geleid tot gedragsverandering. Klinische opnames zijn meermalen voortijdig wegens wangedrag door de betreffende kliniek of door verdachte zelf beëindigd. Er is bij verdachte geen sprake van beschermende factoren en het recidiverisico en het risico op het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als hoog.

De deskundige, mevrouw [naam 5] , reclasseringswerker bij Novadic-Kentron, heeft ter zitting het advies als volgt toegelicht. De reclassering heeft de afgelopen tien jaar veel ingezet, maar het reguliere toezicht is elke keer mislukt. Verdachte heeft forse middelenproblematiek gehad, maar er is ook sprake van andere problematiek. Hij heeft namelijk geen huisvesting meer. Binnen de ISD-maatregel kan worden gekeken naar wat verdachte op dat moment nodig heeft en bestaat ruimte en tijd om een plan op te stellen. Dat kan een klinisch traject of een praktisch traject zijn, zoals begeleid wonen of werk. Zonder het opleggen van de ISD-maatregel – een langdurig traject met een strak kader – is de kans groot dat verdachte terugvalt. Indien het in de extramurale fase van de ISD-maatregel misgaat, dan wordt verdachte direct teruggeplaatst. Bij maatregelen in een ander kader is er geen of onvoldoende vangnet. Het doel van het opleggen van de ISD-maatregel is het beschermen van de maatschappij en verdachte de kans te geven om een traject te doorlopen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist. De aan verdachte opgelegde straffen en behandeltrajecten hebben er eerder niet toe geleid dat verdachte zijn gedrag heeft veranderd. Dat verdachte nu wel zelfstandig tot gedragsverandering kan komen acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op zijn persoonlijkheid, delictverleden en eerdere mislukte behandeltrajecten, zoals door de reclassering toegelicht. De ISD-maatregel maakt het bovendien voor verdachte mogelijk om gedurende een langere periode middels behandeling te werken aan zijn verslavingsproblematiek en de onderliggende oorzaken daarvan. Ook zal het opleggen van de ISD-maatregel tot gevolg hebben dat verdachte voor de duur van de maatregel geen strafbare feiten kan plegen.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat wordt voldaan aan de formele vereisten die de wet (artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht) daaromtrent stelt. De door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl hij in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. De feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat verdachte eveneens voldoet aan de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’, zoals opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders). Tegen verdachte zijn over een periode van vijf jaren processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan tenminste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. De rechtbank overweegt voor wat betreft dit laatste vereiste dat het meest recente misdrijffeit dateert van 27 januari 2021 (parketnummer 02-025643-21). De misdrijffeiten onder de andere parketnummers waar dit vonnis op ziet en waarvoor verdachte wordt veroordeeld vallen binnen een periode van twaalf maanden, teruggerekend vanaf 27 januari 2021. Daarmee is ook aan dit vereiste voldaan (vergelijk HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:2).

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en daarnaast ter optimale bescherming van de maatschappij, acht de rechtbank het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Feit 3 onder parketnummer 02-244878-20 betreft een overtreding. De rechtbank zal verdachte hiervoor schuldig verklaren zonder oplegging van straf.

7 Het beslag

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 110,95 wordt verbeurdverklaard. De in beslag genomen telefoon dient te worden onttrokken aan het verkeer, want die is gebruikt bij de handel in harddrugs. De snorfiets dient te worden verbeurd verklaard en het kenteken – dat niet bij de snorfiets hoorde – dient te worden onttrokken aan het verkeer.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag aan verdachte dient te worden teruggegeven, omdat verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag waarschijnlijk afkomstig is van het weekgeld. Ook dient de telefoon te worden teruggegeven aan verdachte, omdat die niet is gebruikt voor handel en geen strafvorderlijk belang zich tegen teruggave verzet. Ten aanzien van het overige beslag refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen geldbedrag van € 110,95 en de telefoon aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen bromfiets, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De onttrekking aan het verkeer

Het in beslag genomen kenteken is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat parketnummer 02-207557-20 feit 2 is begaan met behulp van het kenteken. Verder is het kenteken van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang. Daarnaast is de in beslag genomen munitie, bestaande uit in totaal 59 kogelpatronen, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat parketnummer 02-019358-21 feit 2 is begaan met betrekking tot die voorwerpen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02-227018-18

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 15 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 1 juli 2019, ten uitvoer zal worden gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank niet zomaar een proeftijd heeft gekoppeld aan een langere gevangenisstraf, want het was de bedoeling dat verdachte geen strafbare feiten meer mocht plegen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht, indien de rechtbank zal overgaan tot oplegging van de ISD-maatregel, de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, zodat zo snel mogelijk met het ISD-traject kan worden gestart. Indien de rechtbank daartoe niet zal overgaan, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet overgaan, omdat naar het oordeel van de rechtbank de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 15 weken door het opleggen van de ISD-maatregel niet opportuun is.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 38m, 38n, 57, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens munitie en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van parketnummer 02-019358-21 feit 1 en parketnummer

02-244878-20 feiten 4 en 5;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 02-025643-21 primair:

diefstal

parketnummer 02-019358-21 feit 2 en parketnummer 02-207557-20 feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

parketnummer 02-019358-21 feit 3, parketnummer 02-207557-20 feit 1 en parketnummer 02-244878-20 feiten 1 en 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

parketnummer 02-207557-20 feit 2:

opzetheling

parketnummer 02-244878-20 feit 3:

handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Maatregel ten aanzien van parketnummer 02-025643-21 primair, parketnummer

02-019358-21 feiten 2 en 3, parketnummer 02-207557-20 feiten 1, 2 en 3 en parketnummer 02-244878-20 feiten 1 en 2

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

Strafoplegging ten aanzien van parketnummer 02-244878-20 feit 3:

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

* € 110,95 (goednummer 2186402);

* telefoontoestel (goednummer 2186398);

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het volgende in beslag genomen voorwerp, te weten:

* bromfiets (goednummer 2186347);

- verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

* kentekenplaat (goednummer 2186349);

* munitie, te weten 59 kogelpatronen (goednummer 2295671);

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02-227018-18 af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. van der Linden, voorzitter, mr. R.J.H. Goossens en mr. P.T. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 mei 2021.

Mr. Van der Linden en mr. Heblij zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 02-025643-21

Primair:

hij op of omstreeks 27 januari 2021 te Etten-Leur een scooter (merk: Tomos, kleur: wit, kenteken: [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen scooter onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 27 januari 2021 te Etten-Leur, een scooter (merk: Tomos, kleur: wit, kenteken: [kenteken 1] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Parketnummer 02-019358-21

Feit 1:

hij, op of omstreeks 20 januari 2021 te Etten-Leur, opzettelijk een of meer bankbiljetten van vijftig euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

Feit 2:

hij, op of omstreeks 20 januari 2021 te Etten-Leur, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- ongeveer 43 kogelpatronen van het kaliber .22 Longrifle, en/of

- ongeveer 12 kogelpatronen, soort van het kaliber 6,35 mm (.25 AUTO), en/of

- ongeveer 4 kogelpatronen, soort van het kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

hij, op of omstreeks 20 januari 2021 te Etten-Leur, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Parketnummer 02-207557-20

Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 23 april 2020 tot en met 25 april 2020 te Etten-Leur, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 1074 gram amfetamine en/of 30 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), zijnde amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB) en/of 4-methylmethcathinone (4-MMC), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, en/of

- ongeveer 525 milliliter GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van

die wet;

Feit 2:

hij op of omstreeks 23 april 2020 te Etten-Leur, althans in Nederland, een goed, te weten een snorfiets (merk: AGM VX50) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 3:

hij op of omstreeks 25 april 2020 te Etten-Leur, althans in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten drie (kogel)patronen van het kaliber 6,35 Browning, voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 02-244878-20

Feit 1:

hij, op of omstreeks 3 september 2020 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 1 gram van een materiaal bevattende heroïne en/of

- ongeveer 800 ml van een materiaal bevattende GHB en/of

- ongeveer 85, althans een (groot) aantal, pillen en/of tabletten (zogeheten “XTC-pillen” en/of “XTC-tabletten”), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), zijnde amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB) en/of

- ongeveer 222 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), zijnde amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB)

zijnde (telkens) heroïne en/of GHB en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), zijnde amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB) (telkens) zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

hij, op of omstreeks 28 september 2020 te Etten-Leur opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 675 ml, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3:

hij, op of omstreeks 3 september 2020 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 18,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 4 primair:

hij, op of omstreeks 28 september 2020 te Etten-Leur, een goed, te weten een bromfiets (kenteken [kenteken 3] , chassisnummer [nummer 4] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 4 subsidiair:

hij, op een tijdstip in de periode van 27 september 2020 tot en met 28 september 2020 te Etten-Leur een bromfiets (kenteken [kenteken 3] , chassisnummer [nummer 4] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Feit 5 primair:

hij, op of omstreeks 11 september 2020 te Breda, een goed, te weten een bromfiets/bromscooter (kenteken [kenteken 4] , chassisnummer [nummer 5] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 5 subsidiair:

hij op of omstreeks 11 september 2020 te Breda een bromfiets/bromscooter (kenteken [kenteken 4] , chassisnummer [nummer 5] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.