Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2245

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
C/02/384431 / JE RK 21-765
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

OTS en uithuisplaatsing. Problematiek jeugdzorg in Zeeland. Briedis, Intervence. Piketregeling. Geen GI beschikbaar, toch benoeming.

In Zeeland is, zoals ook uit deze zaak blijkt, op dit moment sprake van een zeer zorgelijke situatie. Ten gevolge van het opzeggen van het contract door de samenwerkende gemeenten met Stichting Intervence in december 2020, bestaat er bij Stichting Intervence en de andere in deze regio opererende GI’s een grote personele druk. Daar is nu bij gekomen dat het certificaat van Briedis recent is beëindigd, waardoor Briedis haar zaken binnen zes maanden dient af te stoten. Onder deze omstandigheden zijn de overige in Zeeland opererende GI’s op dit moment niet altijd in staat nieuwe casussen op te pakken. De kinderrechter stelt vast dat deze situatie in flagrante strijd is met de belangen van de minderjarigen in de regio Zeeland die gedwongen hulp nodig hebben. Hij dringt er daarom op aan dat de overheid deze urgente situatie op de kortst denkbare termijn tot een eind brengt.

De kinderrechter ziet zich nu voor de keuze gesteld om de verzoeken bij gebreke van een GI af te wijzen of ondanks de door de GI’s geuite bezwaren toch een GI te benoemen. De kinderrechter kan onder de omstandigheden van deze zaak niet anders dan toch een GI te benoemen, te weten Stichting Intervence. Deze minderjarige valt binnen de (algemene) doelgroep van Stichting Intervence, terwijl Stichting Intervence bovendien een jarenlange werkrelatie met Juvent heeft.

De kinderrechter zal deze zaak de komende tijd nader monitoren en zal daarom de verzoeken voor beperkte tijd toewijzen onder aanhouding van het restant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie: Middelburg

Zaaknummer: C/02/384431 / JE RK 21-765

Datum uitspraak: 30 april 2021

beschikking ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Middelburg,

betreffende

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[minderjarige] , voornoemd,

[belanghebbende] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

STICHTING INTERVENCE,

hierna te noemen: de Gecertifieerde Instelling (GI),

gevestigd te Middelburg.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 7 april 2021, ingekomen bij de griffie op 8 april 2021;

- de nagezonden akte van geboorte van [minderjarige] van de Raad van 13 april 2021, ingekomen

bij de griffie op 15 april 2021;

- de e-mail met een bijlage van de Raad van 23 april 2021, ingekomen bij de griffie op

23 april 2021.

Op 30 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad.

Opgeroepen en niet verschenen is:
- een vertegenwoordig(st)er van de GI;

- de minderjarige [minderjarige] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[minderjarige] woont bij de moeder.

Het verzoek

De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden.

Tevens verzoekt de Raad, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in de voorziening Radar voor 24-uurs zorg en opvoeding van Juvent te Middelburg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De standpunten

De Raad handhaaft de verzoeken. [minderjarige] is op [dag] april 2021 al feitelijk geplaatst in de behandelgroep [naam] van Juvent. Hij lijkt het daar goed te doen. De thuissituatie was voor de moeder onhoudbaar geworden. Bij [minderjarige] is sprake van ADHD, een oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een periodieke explosieve gedragsstoornis. Dit maakt dat hij veel aandacht nodig heeft en bij tijd en wijle (zeer) onhandelbaar is. De moeder is het eens met de maatregel. Zij heeft zelf hulp gezocht en is nu in staat met de situatie om te gaan. Dat neemt niet weg dat de gevraagde maatregel nodig is, omdat de moeder ook aangeeft niet standvastig te zullen kunnen zijn wanneer [minderjarige] het moeilijk krijgt binnen de behandelsetting. Zij is bang dat ze hem dan weer in huis zal nemen. De beide maatregelen zullen geruime tijd in beslag nemen voordat een positief resultaat te verwachten is.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij de afgelopen acht jaar aan het zoeken is geweest naar de juiste oplossing voor [minderjarige] . Gaandeweg is de problematiek van [minderjarige] verdiept en is zij uiteindelijk uitgeput geraakt. Zij is blij dat er nu instanties naast haar staan om op de moeilijke momenten de beslissingen te nemen. Het vervult haar van emotie dat ze [minderjarige] nu heeft afgestaan maar is ook blij omdat ze nu al merkt dat haar weerbaarheid weer toeneemt. Zij zit niet meer in de Ziektewet en heeft haar werk weer opgepakt. Zij kan nu werken zonder zich telkens af te moeten vragen of het wel goed gaat met [minderjarige] . Komende week zal [minderjarige] bij haar verblijven en zij heeft er vertrouwen in dat ze dit met hem op positieve wijze zal kunnen meemaken. Zij beaamt dat het gedwongen kader nodig is om haar op de moeilijke momenten te helpen met het vasthouden van de juiste behandeling voor [minderjarige] .

[minderjarige] is op de hoogte van deze procedure, maar is niet op de hoogte gesteld van de mogelijkheid om een kindgesprek te houden. Klaver4 heeft geadviseerd dat hem dit ernstig zal ontregelen terwijl van hem geen informatie te verwachten is. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter er daarom mee ingestemd dat [minderjarige] niet is uitgenodigd.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen wanneer dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De kinderrechter vindt dat de verzoeken van de Raad in beginsel kunnen worden toegewezen. De moeder is het eens met de verzoeken. Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt voldoende dat [minderjarige] nu is aangewezen op de hulp die hij bij Radar kan krijgen. Zijn ontwikkeling begon ernstig gevaar te lopen, ondanks alle inspanningen van de moeder en de hulpverlening die al was ingeschakeld. De problematiek van [minderjarige] zoals die door de Raad is beschreven, is met name in het laatste jaar verzwaard omdat hij nog geen passende behandeling heeft ontvangen en daarbij is gaan puberen.

Om de verdere ontwikkeling van [minderjarige] veilig te stellen, maar ook om zijn moeder weer in de gelegenheid te stellen er volledig en krachtig voor hem te zijn, is het nodig [minderjarige] onder toezicht te stellen en hem uit huis te plaatsen.

De kinderrechter stemt in met de door de Raad geformuleerde doelen, te weten:

- [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele en duidelijke opvoedingssituatie.

- [minderjarige] krijgt de mogelijkheid om dit schooljaar in groep 8 af te ronden binnen de vertrouwde omgeving van zijn huidige basisschool [naam] .

- [minderjarige] krijgt de specialistische behandeling die noodzakelijk is voor het aanpakken van zijn kindeigenproblematiek. Zowel [minderjarige] als de moeder staan hiervoor open en werken hier aan mee.

- [minderjarige] wordt gestimuleerd door de moeder en haar netwerk om vol te houden en zich te houden aan de hulpverleningsafspraken.

- [minderjarige] heeft een positieve relatie met de moeder waarbij hij voldoende emotionele ondersteuning van haar krijgt.

- De moeder krijgt de rust en ruimte om te werken aan het vergroten van haar draagkracht en het herstellen van de band met [minderjarige] op afstand.

De kinderrechter kan alleen een ondertoezichtstelling uitspreken wanneer hij daartoe een GI kan machtigen. De Raad heeft de kinderrechter aanvankelijk verzocht om Briedis te benoemen als GI. Briedis heeft laten weten deze opdracht niet te kunnen aanvaarden. Ook de overige in aanmerking komende GI’s hebben de Raad gemeld een opdracht niet te kunnen aanvaarden omdat zij deze op dit moment niet zullen kunnen uitvoeren. De Raad heeft de kinderrechter verzocht om desalniettemin een beslissing op de verzoeken te nemen.

De kinderrechter stelt in dat verband allereerst vast dat de piketregeling die de GI’s onderling hebben afgesproken er kennelijk toe leidt dat onderhavige zaak niet als spoedzaak wordt aangemerkt en daarom niet meteen wordt opgepakt door de dienstdoende GI. Hoewel [minderjarige] momenteel feitelijk behandeling ontvangt is deze aanpak naar het oordeel van de kinderrechter niet zonder meer te begrijpen. De moeder staat door deze ontwikkeling immers nog steeds alleen in haar gezag terwijl zij uitdrukkelijk, en door de Raad ondersteund, stelt deze verantwoordelijkheid niet volledig te kunnen dragen.

De bovenstaande vaststellingen geven aanleiding tot de volgende overweging.

In Zeeland is, zoals ook uit deze zaak blijkt, op dit moment sprake van een zeer zorgelijke situatie. Ten gevolge van het opzeggen van het contract door de samenwerkende gemeenten met Stichting Intervence in december 2020, bestaat er bij Stichting Intervence en de andere in deze regio opererende GI’s een grote personele druk. Daar is nu bij gekomen dat het certificaat van Briedis recent is beëindigd, waardoor Briedis haar zaken binnen zes maanden dient af te stoten. Onder deze omstandigheden zijn de overige in Zeeland opererende GI’s op dit moment niet altijd in staat nieuwe casussen op te pakken. De kinderrechter stelt vast dat deze situatie in flagrante strijd is met de belangen van de minderjarigen in de regio Zeeland die gedwongen hulp nodig hebben. Hij dringt er daarom op aan dat de overheid deze urgente situatie op de kortst denkbare termijn tot een eind brengt.

De kinderrechter ziet zich nu voor de keuze gesteld om de verzoeken bij gebreke van een GI af te wijzen of ondanks de door de GI’s geuite bezwaren toch een GI te benoemen. De kinderrechter kan onder de omstandigheden van deze zaak niet anders dan toch een GI te benoemen, te weten Stichting Intervence. Deze minderjarige valt binnen de (algemene) doelgroep van Stichting Intervence, terwijl Stichting Intervence bovendien een jarenlange werkrelatie met Juvent heeft.

Stichting Intervence zal, al dan niet door middel van de bureaudienst, binnen de wettelijke termijn contact moeten leggen met de moeder en zich van de casus op de hoogte moeten stellen. Ook zal op korte termijn een gezinsmanager moeten worden aangewezen die de zaak verder kan oppakken.

De kinderrechter zal deze zaak de komende tijd nader monitoren en zal daarom de verzoeken voor beperkte tijd toewijzen onder aanhouding van het restant. De ontwikkelingen in deze zaak zullen dan verder worden besproken tijdens de hierna te noemen mondelinge behandeling.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] onder toezicht van de Stichting Intervence, gevestigd te Middelburg, met ingang van 30 april 2021 tot 30 augustus 2021;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in de voorziening [naam] voor 24-uurs zorg en opvoeding van Juvent te Middelburg voor de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat het restant van de verzoeken zal worden behandeld tijdens de mondelinge behandeling door de kinderrechter op 12 augustus 2021 om 09.00 uur welke zal plaatsvinden in het gebouw van deze rechtbank te Middelburg aan de Kousteensedijk 2, en bepaalt dat deze beschikking geldt als oproeping voor alle betrokkenen;

bepaalt dat [minderjarige] niet zal worden opgeroepen voor een kindgesprek in het kader van die nadere mondelinge behandeling.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021 door mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.F. Hol als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 mei 2021.

(TH)

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.