Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2240

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6843 WABOA

uitspraak van 3 mei 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 3 juni 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 20 april 2020 (bestreden besluit) van verweerder over een verleende omgevingsvergunning.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen om het beroepschrift binnen de daarvoor bepaalde termijn in te dienen. De griffier heeft eiser bij brief van 11 december 2020 erop gewezen dat het beroep niet binnen die termijn is ingesteld en heeft daarbij de gelegenheid geboden de reden van de termijnoverschrijding toe te lichten.

Ter verklaring van de termijnoverschrijding heeft eiser aangevoerd dat hij gedurende de beroepstermijn in beslag werd genomen door het zoeken naar oplossingen voor weggevallen inkomsten als gevolg van de Corona-pandemie en eiser verzoekt dan ook om coulance. Voorts voert eiser aan dat verweerder in de voorliggende procedure zelf ook geregeld termijnen niet heeft gehaald en afspraken niet is nagekomen. Eiser heeft als individu verder niet de middelen die een grote organisatie wel heeft. Als het beroepschrift niet inhoudelijk beoordeeld wordt, zal dat als gevolg hebben dat er procedures opgestart moeten worden om handhaving af te dwingen.

2. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gedagtekend 20 april 2020. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden. Het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb brengt dan mee dat de beroepstermijn is aangevangen op de dag na verzending van het bestreden besluit en is geƫindigd op 2 juni 2020.

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beroepschrift tijdig is ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Eiser heeft het beroepschrift op 3 juni 2020 bij de Centrale Balie van de rechtbank ingediend. Het beroepschrift is derhalve op 3 juni 2020 ontvangen. Er is de rechtbank niet gebleken van eerdere indiening dan wel op een andere wijze. Het beroepschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

3. Termijnen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden.

De rechtbank ziet in de door de eiser aangevoerde redenen geen aanleiding om niet-

ontvankelijk verklaring met toepassing van artikel 6:11 van de Awb achterwege te laten.

Daartoe overweegt de rechtbank dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat eiser, ten aanzien van de te late indiening van het beroepschrift, in verzuim is geweest.

De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden dat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn ingediend had kunnen worden. Eiser had voor de indiening zo nodig een gemachtigde kunnen inschakelen of had ervoor kunnen kiezen om de gronden van het beroep later in te dienen. Voor zover verweerder bepaalde termijnen niet heeft gehaald of afspraken niet is nagekomen, doet dat niet af aan de voor eiser geldende wettelijke termijn voor indiening van het beroepschrift. Dat is ter zake de aangegeven potentiƫle procedures om handhaving af te dwingen niet anders. Eiser is derhalve ten aanzien van de te late indiening van het beroepschrift in verzuim. Dit komt voor rekening en risico van eiser.

4. Een en ander leidt tot de slotsom dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank zal de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.

5. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, 6:9, eerste lid, 6:11 en 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.

Artikel 6:7 van de Awb luidt als volgt:

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:9 van de Awb luidt als volgt:

1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Awb luidt als volgt:

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb luidt als volgt:

Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien de voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.