Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2236

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6782
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6782 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. L.C.W. Wingens,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 9 januari 2020 (primaire besluit I) hebben het college en de burgemeester van de gemeente Tilburg (de burgemeester) aan eiser een last onder dwangsom opgelegd in verband met illegale prostitutie op het perceel aan het [perceel] in [plaatsnaam] .

In het besluit 20 februari 2020 (primaire besluit II) hebben het college en de burgemeester een verbeurde dwangsom van € 1.000,- ingevorderd.

In het besluit van 21 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II, voor zover genomen door het college, ongegrond verklaard. In datzelfde besluit heeft de burgemeester het bezwaar van eiser, voor zover gericht tegen het burgemeestersbesluit, gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van 23 maart 2021. Hierbij waren eiser en zijn gemachtigde aanwezig. Namens het college waren mr. S.J.J. Koks en mr. M.J. Hümmels aanwezig.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1

Uit het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 6 november 2019 en het mutatierapport van 14 november 2019, beide van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel (AVIM), blijkt het volgende.

Medewerkers van AVIM hebben een advertentie gevonden op www.kinky.nl. In de advertentie werd door een (transgender) vrouw seks tegen betaling aangeboden. Het bij de advertentie behorende telefoonnummer is gebeld door de medewerkers van AVIM voor een afspraak, waarna het adres [perceel] in [plaatsnaam] (de woning) werd doorgegeven als bezoekadres.

Op woensdag 6 november 2019 om 19.00 uur heeft de politie een bezoek gebracht aan de woning, die door eiser werd gehuurd. Dit bezoek vond plaats naar aanleiding van de signalen dat er op dat moment illegale prostitutie zou plaatsvinden in de woning. De politie heeft in de woning, behalve eiser en een andere man, twee sekswerkers met de Braziliaanse nationaliteit aangetroffen. Eén van de sekswerkers is verhoord door de politie. Zij heeft verklaard dat zij die dag waren aangekomen in de woning en dat zijzelf daar twee klanten had ontvangen. Volgens de sekswerker kwam de eigenaar rond half 5 á 5 uur en wist hij dat zij daar prostitutie bedreven, of anders had hij het kunnen weten, omdat zij bijna naakt was toen hij aankwam. Twee toezichthouders van de gemeente zijn ter plaatse gekomen en zij hebben vastgesteld dat de woning werd gebruikt voor prostitutieactiviteiten.

1.2

Bij brief van 3 december 2019 hebben zowel het college als de burgemeester aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om aan hem een last onder dwangsom op te leggen. De burgemeester baseert zijn bevoegdheid hiertoe op overtreding van artikel 97 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het college baseert zijn bevoegdheid daartoe op overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eiser heeft per e-mail een zienswijze tegen dit voornemen naar voren gebracht.

1.3

In het primaire besluit I hebben het college en de burgemeester, onder weerlegging van de zienswijze, aan eiser een last onder dwangsom opgelegd in verband met illegale prostitutie in de woning. De last houdt in dat eiser de overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 97 van de APV per direct beëindigd en beëindigd houdt. Eiser kan dit doen door geen prostitutieactiviteiten meer in zijn woning te laten verrichten. Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding met een maximum van € 3.000,-.

1.4

Uit het ‘verslag van binnentreden in een woning’ van 21 januari 2020 blijkt dat twee toezichthouders van de gemeente Tilburg op 20 januari 2020 met een machtiging van de burgemeester daartoe, zijn binnengetreden in de woning. Zij troffen daar, behalve eiser, een dame aan die zou hebben verklaard dat zij als prostituee werkzaam was en voor haar werkzaamheden de zolderkamer in de woning te gebruiken. Op de zolderverdieping stond alleen een bed en een nachtkastje. Hier lag een zeer grote hoeveelheid condooms en glijmiddel. Voor het bed stond een tas met gebruikte condooms, tissues en natte doekjes.

1.5

Bij brief van 24 januari 2020 heeft het college aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt over te gaan tot invordering van een verbeurde dwangsom. Daartoe stelt het college dat toezichthouders op 20 januari 2020 hebben geconstateerd dat eiser zijn woning nog steeds of wederom gebruikt voor prostitutiepraktijken. Dit betekent dat eiser niet aan de last heeft voldaan en een dwangsom van €1.000,- heeft verbeurd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I en een zienswijze ingediend tegen het voornemen een dwangsom in te vorderen.

1.6

In het primaire besluit II heeft het college een verbeurde dwangsom van € 1.000,- ingevorderd. Het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom heeft op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op de ingevorderde dwangsom.

1.7

In het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. In datzelfde besluit heeft de burgemeester het bezwaren van eiser gegrond verklaard. De last is dus vervallen voor zover het overtreding van artikel 97 van de APV betreft.

2. Omvang geschil

Ter zitting is desgevraagd verklaard dat eiser alleen beroep heeft willen instellen tegen het bestreden besluit, voor zover dat is genomen door het college. De beroepszaak met kenmerk BRE 20/6783 GEMWT tegen het bestreden besluit, voor zover dat is genomen door de burgemeester, is ten onrechte aangelegd en wordt door de rechtbank als ingetrokken beschouwd.

3. Beroepsgronden

3.1

Ten aanzien van de controle op 6 november 2019 stelt eiser dat er naar zijn weten geen prostitutie heeft plaatsgevonden in de woning. Hij heeft op verzoek van een vriend (de andere aanwezige man) toestemming gegeven aan de twee dames om een paar nachten in zijn woning te verblijven. De dag van de controle was de eerste dag dat zij in de woning waren. Eiser is die dag rond 18.30 uur thuis gekomen en heeft niets meegekregen van prostitutieactiviteiten. De dame heeft verklaard dat zij het geld voor het gebruiken van de woning niet aan de eigenaar moest betalen, maar aan ene ‘ [naam persoon] ’. Dit is een aanwijzing dat eiser verder geen betrokkenheid had. De verklaring van de dame, dat eiser het wist of had kunnen weten omdat zij bijna naakt was toen hij aankwam, laat de mogelijkheid open dat eiser niet op de hoogte was. Zij trekt namelijk zelf de conclusie dat hij het had kunnen weten, aangezien zij bijna naakt was. Eiser geeft aan dat zij een badjas aanhad op het moment dat hij thuiskwam. Daaruit hoeft eiser nog niet te hebben afgeleid dat er geen andere verklaring mogelijk was dan dat zij in de prostitutie zou werken en dat die werkzaamheden ook nog eens in zijn woning plaatsvonden. De twee klanten die ze zou hebben ontvangen, kan ze hebben ontvangen toen eiser niet in de woning was. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen, zo stelt eiser.

3.2

Ten aanzien van de controle op 20 januari 2020 stelt eiser dat de aangetroffen mevrouw, [persoon2] , een vriendin van hem uit Portugal is. Hij weet dat zij werkzaamheden als prostituee verricht, maar zij heeft dat niet in zijn woning gedaan. De aangetroffen condooms zijn van hemzelf. Mevrouw heeft niet in haar eigen taal (Portugees) kunnen verklaren. Ook is zij erg gestuurd in haar verklaring.

In beroep heeft eiser een Engelstalige verklaring van [persoon2] ingebracht, waarin zij verklaart dat zij in januari 2020 een paar dagen bij eiser heeft verbleven, dat zij als escort werkt, maar dat zij nooit een klant heeft ontvangen in eisers woning.

Eiser stelt dat het college dient af te zien van de invordering van de dwangsom, ook vanwege zijn slechte financiële situatie. Hij is van mening dat hij in zijn goede naam wordt aangetast door de beweringen van het college.

4. Wettelijk kader

De relevante wet- en regelgeving is, ten behoeve van de leesbaarheid, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Bevoegdheid tot opleggen van de dwangsom

5.1

Het college heeft zijn bevoegdheid om handhavend op te treden gebaseerd op overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op grond van dat artikel is het verboden een woning in strijd met het bestemmingsplan te (laten) gebruiken.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat prostitutieactiviteiten in strijd zijn met het gebruik van de woning dat is toegestaan op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Reeshof West 2015’.

5.2

Eiser stelt dat hij geen weet had van de prostitutieactiviteiten en dat hij dus, zo begrijpt de rechtbank, niet is aan te merken als overtreder.

5.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor het onrechtmatig gebruik van de woning moet eiser dus aannemelijk maken dat hij niet wist en niet kon weten dat de woning aldus werd gebruikt.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. In de eerste plaats mag uitgegaan worden van de juistheid van het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de politie van 6 november 2019. Eiser was in ieder geval fysiek aanwezig op het moment dat de politie kwam en de twee sekswerkers aantrof in de woning. Eén van de sekswerkers heeft tegenover de politie uitvoerig verklaard over de reden voor hun aanwezigheid, namelijk om in de woning klanten te ontvangen in hun hoedanigheid als prostituee en dat zijzelf al klanten had ontvangen. Zij heeft uitgelegd hoe dat in de praktijk gaat wanneer er een woning wordt geregeld. Zij heeft verklaard dat eiser wist of kon weten van de prostitutieactiviteiten, gelet op het feit dat zij bijna naakt was. De verklaring van eiser dat beide dames een badjas droegen, omdat de één net uit bad kwam en de ander er net in wilde, acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op de reden die zij zelf gaven voor de schaarse wijze waarop zij gekleed waren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist en ook niet kon weten dat de woning voor prostitutieactiviteiten werd gebruikt. Dat niet rechtstreeks aan eiser werd betaald en dat hij mogelijk (nog) niet aanwezig was ten tijde van het klantbezoek, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser als huurder in beginsel verantwoordelijk mag worden gehouden voor het onrechtmatig gebruik van zijn woning.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het college eiser terecht heeft aangemerkt als overtreder en dus bevoegd was om aan hem een last onder dwangsom op te leggen vanwege overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

6. Gebruikmaking van de bevoegdheid

6.1

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, en in dit geval het bijzondere belang van het tegengaan van illegale prostitutie en mensenhandel, dient het college in beginsel van zijn handhavende bevoegdheid gebruik te maken. Bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken zijn gesteld noch gebleken.

6.2

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn genomen. Het dossier biedt daar geen aanknopingspunten voor. Eiser is ook in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.

7. Invordering van de verbeurde dwangsom

7.1

Ten aanzien van de verbeurte van de dwangsom overweegt de rechtbank als volgt.

De in beroep ingebrachte Engelstalige verklaring van mevrouw [persoon2] dat zij een vriendin van eiser is en dat zij in de woning geen werkzaamheden als prostituee heeft verricht, strookt niet met hetgeen zij eerder verklaarde tegen de toezichthouder van de gemeente, die van dat gesprek ook een verslag heeft opgemaakt op ambtsbelofte. Evenmin strookt deze verklaring met hetgeen op de zolderverdieping door de toezichthouders werd aangetroffen. Ter zitting hebben de gemachtigden van het college toegelicht dat deze mevrouw in het Engels tegen de toezichthouder heeft verklaard en dat er op het moment van de controle ook een afspraak stond om seks te hebben voor geld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden heeft kunnen stellen dat eiser niet aan de last heeft voldaan en dat een dwangsom van € 1.000,- is verbeurd. Dit betekent tevens dat het college bevoegd was tot invordering van de verbeurde dwangsom.

7.2

Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend.2 Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

7.3

Eiser stelt dat het college dient af te zien van de invordering van de dwangsom vanwege zijn slechte financiële situatie. Verder is eiser is van mening dat hij in zijn goede naam wordt aangetast door de beweringen van het college.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiser gestelde, maar niet onderbouwde, financiële situatie en de aantasting van zijn goede naam, onvoldoende bijzondere omstandigheden. Die omstandigheden maken niet dat het college in dit geval geheel of gedeeltelijk van invordering van de verbeurde dwangsom van € 1.000,- af moest zien.

8. Conclusie

Aangezien de beroepsgronden van eiser niet slagen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J Schouw, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 30 april 2021 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Gemeentewet (Gmw)

Artikel 125, eerste en tweede lid:

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:1, eerste en tweede lid:

1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Artikel 5:21:

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:32, eerste lid:

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Artikel 5:37, eerste lid:

1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Artikel 5:39, eerste lid:

Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, - voor zover hier van belang-:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

Bestemmingsplan Reeshof West 2015

14.1

Bestemmingsomschrijving

14.1.1

Functie

De voor ´Wonen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen, met dien verstande dat er sprake is van grondgebonden woningen;

  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  3. parkeer- en stallingsvoorzieningen;

  4. bouwwerken van algemeen nut.

Artikel 14.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend:

c.de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen detailhandel, ambachtelijk of industrieel bedrijf, anders dan toegelaten op grond van 14.1.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:288 en 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:363.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:797 en 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:769.