Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2222

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1002 VV + 21_1355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering op grond van Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 8-6-2021
FutD 2021-1865 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1002 TOZO VV en BRE 21/1355 TOZO

uitspraak van 30 april 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

en

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 januari 2021 van verweerder inzake de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft kunnen plaatsvinden, heeft verweerder bij besluit van 2 februari 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan tijdens het beroep bij de rechtbank.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 26 mei 2020 is aan verzoeker en zijn echtgenote een uitkering op grond van de Tozo toegekend over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 voor de kosten van levensonderhoud.

Bij besluit van 11 juni 2020 is aan hen € 10.157,- aan bedrijfskapitaal toegekend op grond van de Tozo.

Op 20 januari 2021 heeft verzoeker een uitkering op grond van de Tozo 3 aangevraagd voor de maanden januari 2021 tot en maart 2021. Zijn restaurant is dicht en daarom heeft hij geen inkomsten daaruit. Het inkomen van zijn partner bedraagt € 1.900,- per maand.

Bij besluit van 21 januari 2021 (primair besluit) is de aanvraag afgewezen omdat het maandelijkse inkomen van zijn partner van € 1.900,- te hoog is om in aanmerking te komen voor een Tozo 3 uitkering.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Vanaf de Tozo 2 is er een toets op het inkomen van de partner. Belanghebbende heeft in de aanvraag aangegeven dat het inkomen van zijn partner € 1.900,- per maand bedraagt. Dit inkomen is hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm die € 1.536,34 per maand bedraagt. De Tozo regeling is bedoeld om te kunnen voorzien in de kosten van het levensonderhoud. Voor het betalen van (zakelijk) vaste lasten zijn andere regelingen in het leven geroepen, bijvoorbeeld de TVL en TOGS regeling. Het gezamenlijk inkomen van belanghebbenden is hoger dan de voor hen geldende bijstandsnorm en daarom komen zij niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Tozo 3.

2. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij en zijn gezin niet kunnen rondkomen van € 1.900,- per maand. Van dit bedrag moeten zij hun vaste lasten en de vaste lasten van het restaurant betalen. Dit betekent 2x huur, 2x gas/water/licht en 2x gemeentelijke heffingen. Zij hebben twee jonge kinderen te onderhouden en zijn aan het einde van hun Latijn. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat aan hem een Tozo uitkering wordt toegekend.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4. Voor de beoordeling is van belang dat artikel 5, eerste lid, van de Tozo 3 bepaalt, voor zover van belang, dat de aanvrager verklaart en informatie verstrekt (…) dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19 voorzien van een toelichting; dat hij voor de kalendermaanden waarover algemene bijstand wordt aangevraagd, verwacht een in aanmerking te nemen inkomen te hebben dat lager is dan de bijstandsnorm. Op grond van lid twee van dit artikel betrekt de gehuwde zelfstandige bij de verklaring het inkomen van beide echtgenoten.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op de aanvraag heeft ingevuld dat zijn echtgenote inkomsten uit arbeid heeft van € 1.900,- per maand. Vaststaat dat de bijstandsnorm in januari 2021 € 1.536,34 per maand bedraagt. Het gezamenlijk inkomen van verzoeker en zijn echtgenote ligt boven de bijstandsnorm. Dat leidt tot de conclusie dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Tozo 3.

6. Conclusie

Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

7. Ten overvloede

De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker buiten zijn schuld om in een lastig financiële situatie is komen te verkeren en dat dit veel stress en onzekerheid met zich brengt. De voorzieningenrechter geeft verzoeker mee om (nogmaals) in overleg met de gemeente te treden om te bezien of er andere mogelijkheden zijn voor financiële hulp. Zo wijst de verweerder in het bestreden besluit op de mogelijkheid een aanvraag te doen voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Dit betreft de opvolger van de Tegemoetkoming schade COVID-19 (TOGS).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 30 april 2021 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.