Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2219

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1282 VV + 21_851
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beëindigen ziektewetuitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1282 ZW VV en 21/851 ZW

uitspraak van 30 april 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. C. van der Ent,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 februari 2021 van verweerder (bestreden besluit) inzake de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 30 november 2020 heeft het UWV de Ziektewetuitkering van verzoeker per 19 januari 2021 beëindigd. Uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek is gebleken dat verzoeker meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Dit betekent dat hij niet langer recht heeft op een Ziektewetuitkering.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 27 januari 2021, door het UWV ontvangen op 28 januari 2021, bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend. Uiterlijk op 11 januari 2021 had eiser bezwaar moeten instellen tegen het primaire besluit, maar het bezwaarschrift is door het UWV pas ontvangen op 28 januari 2021. Dat verzoeker eerder – namelijk op 5 januari 2021 zoals hij stelt – al bezwaar heeft ingesteld, is niet gebleken. Noch is gebleken dat er sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor verzoeker niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij wel tijdig bezwaar heeft gemaakt, namelijk op 5 januari 2021. Hij heeft hiervan geen kopie gemaakt en kan dit bezwaarschrift niet overleggen. Toen hij na twee weken nog geen ontvangstbevestiging had ontvangen, heeft hij op 19 januari 2021 telefonisch contact opgenomen met het UWV. Toen bleek dat het bezwaarschrift niet bekend was bij het UWV. Daarom heeft hij een nieuw bezwaarschrift geschreven en op 27 januari 2021 bij het UWV afgegeven. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat aan hem een Ziektewetuitkering wordt toegekend en uitbetaalt hangende de beroepsprocedure.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het primaire besluit dateert van 30 november 2020. Dit betekent, en is door verzoeker ook niet betwist, dat de bezwaartermijn liep tot en met 11 januari 2021. Verzoeker stelt dat hij binnen de bezwaartermijn, namelijk op 5 januari 2021, bezwaar heeft gemaakt, maar kan dit niet aantonen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie o.a. CRvB 29 oktober 2009, ELCI:NL:CRVB:2009:BK2520) ligt het op de weg van degene die zich bedient van een middel van verzending om aannemelijk te maken dat en wanneer het poststuk is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker met de enkele stelling dat hij het bezwaarschrift op 5 januari 2021 heeft verzonden niet aangetoond dat hij binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift ter post heeft bezorgd. Het risico voor het niet kunnen aantonen dat een bezwaarschrift daadwerkelijk binnen de bezwaartermijn is verzonden, moet dan ook - gelet op artikel 6:9, eerste lid van de Awb - voor rekening van verzoeker komen.

De bezwaartermijn is een fatale wettelijke termijn waarvan niet kan worden afgeweken.

Alleen als de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden waardoor de termijnoverschrijding gerechtvaardigd wordt kan niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven. De voorzieningenrechter is niet van dergelijke omstandigheden gebleken. Het UWV heeft daarom het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in stand blijven en dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 30 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.