Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:221

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6375
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6375 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2021 in de zaak tussen

[naam eisers], te [plaatsnaam], eisers,

gemachtigde: mr. J.G. Hage,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 6 juli 2018 (primair besluit) heeft het college aan [naam vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning [adres] te [plaatsnaam].

In het besluit van 22 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 8 december 2020. De zitting heeft met instemming van partijen digitaal plaatsgevonden. Eisers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger namens verweerder].

Overwegingen

1. Op 15 mei 2018 heeft [naam vergunninghouder] bij het college een omgevingsvergunning gevraagd voor vergroting van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam]. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een dakkapel op het voordakvlak en het maken van een opbouw op de bestaande uitbouw aan de achterzijde van de woning. Door deze opbouw wordt de bestaande hoogte van de uitbouw verhoogd van 2,70 meter naar 5,33 meter. De goothoogte bedraagt 3,10 meter.

Het bouwplan is op twee punten in strijd met de ter plaatse geldende beheersverordening “[naam beheersverordening]”. De goothoogte is 10 cm hoger dan toegelaten en de dakopbouw wordt tot op de grens met het buurperceel gerealiseerd, terwijl op grond van de beheersverordening een afstand van 2,50 meter in acht genomen dient te worden.

Bij het primaire besluit heeft het college [naam vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met de beheersverordening. Daarbij heeft het college voor de overschrijding van de goothoogte gebruik gemaakt van de in artikel 26, lid a, van de planregels opgenomen “10%-regel”. Voor de overschrijding van de afstand van 2,50 meter tot de zijdelingse perceelgrens heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, vierde lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Eisers wonen in de buurwoning aan de [adres eisers] te [plaatsnaam]. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit omdat zij vrezen dat het project zal leiden tot toename van schaduw op hun perceel, zodat zij niet meer buiten in de zon kunnen zitten op hun terras tussen de twee woningen.

Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2018. Bij uitspraak van

20 augustus 2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:3853) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 december 2018 vernietigd, omdat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en af te wegen belangen, in het bijzonder naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning op het perceel van eisers. Het college kan de afweging tussen het belang van vergunninghouder en het belang van eisers alleen maken als het college weet wat het realiseren van het bouwplan betekent voor het toetreden van zonlicht tot de woning en tuin van eisers. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard, onder verwijzing naar bezonningsdiagrammen opgesteld door bureau [naam bureau].

2. De voor de beoordeling relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

3. De bezonningsdiagrammen zien op de situatie per 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december, steeds voor de periode tussen 9.00 uur (9.30 voor 21 december) en 15.00 uur, met een interval van 1 uur.

Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de bezonningsdiagrammen blijkt dat vooral de ochtendperiode maatgevend is. Daarnaast kan volgens het college op basis van de diagrammen worden geconcludeerd dat de woning en tuin van eisers nog steeds als zodanig gebruikt kunnen worden, zodat van een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden geen sprake kan zijn.

Zoals de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van 20 augustus 2019 ligt niet de vraag voor of het bouwplan onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van de woning en tuin van eisers. Die vraag vormt de maatstaf bij de beoordeling van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 26 van de planregels met 10% van de in het beheersverordening voorgeschreven maximale maten af te wijken. Voor het verlenen van de vergunning voor de overschrijding van de afstand van 2,50 meter tot de zijdelingse perceelgrens heeft het college geen gebruik gemaakt van artikel 26 van de planregels, maar heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, vierde lid, van Bijlage II bij het Bor. Toepassing daarvan vergt een belangenafweging. Dat betekent dat hier de vraag voorligt of het college het belang van vergunninghouder in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eisers.

Over de belangenafweging heeft het college in het bestreden besluit opgemerkt dat uit de bezonningsstudie blijkt dat er in de ochtend mogelijk een geringe toename van schaduw is. Volgens het college is niet gebleken dat de opbouw een zodanige schaduw veroorzaakt dat als gevolg van de opbouw geen zonlicht meer kan toetreden tot de woning en de tuin van eisers. Er kan op basis van de bezonningsstudie dan ook niet gesteld worden dat de afname van het woongenot van eisers zwaarder dient te wegen dan de toename van het woongenot voor de vergunninghouder.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het college aan de belangenafweging niet de juiste feiten ten grondslag heeft gelegd. Anders dan het college stelt, leidt realisatie van de opbouw niet alleen tot een toename van schaduw in de ochtend, maar ook tot toename van schaduw in de middag in september.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bezonningsdiagrammen dat de schaduw niet alleen toeneemt in de ochtend, maar ook in de middag, te weten op 21 september tussen 12.00 uur en 14.00 uur. Eisers hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht opgemerkt dat het college in het bestreden besluit niet alle relevante feiten heeft vermeld. Er kleeft dan ook een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Ook de belangenafweging is in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt, nu het college heeft volstaan met de stelling dat de toename van de schaduw op het perceel van eisers niet onevenredig is, zonder ook het belang van vergunninghouder te benoemen en de belangen af te wegen.

In het verweerschrift heeft het college naar voren gebracht dat de woning van vergunninghouder erg klein was en dat door de vergroting van de woning een woning is ontstaan die toekomstbestendig is en die beschikt over het gebruikelijke woongemak. Dit weegt volgens het college zwaarder dan de minimale afname van het woongenot van eisers, door de toename van schaduw op hun perceel.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de belangenafweging hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college het belang van vergunninghouder in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eisers. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de schaduw op het perceel van eisers door de opbouw weliswaar toeneemt, maar dat de opbouw er niet toe leidt dat eisers in het geheel niet meer in de zon kunnen zitten, buiten op hun terras tussen de twee woningen. Op de momenten dat het terras tussen de woningen als gevolg van de opbouw in de schaduw ligt, is er blijkens de bezonningsdiagrammen bovendien elders op het perceel wel zon, in het bijzonder op het perceelsgedeelte tussen de woning van eisers en de achter op hun perceel gelegen schuur. Gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat eisers ook daar op hun perceel buiten kunnen zitten om van de zon te genieten en dat zij daar ook zitten.

4. Dat de belangenafweging inzichtelijk is gemaakt, laat onverlet dat daarvan niet bleek uit het bestreden besluit. De rechtbank ziet daarin dan ook aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Wel zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten, omdat de gebreken in het bestreden besluit uiteindelijk zijn hersteld.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college daarnaast in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 20 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wabo en Bor

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (…),

c. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een beheersverordening.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt -kort gezegd- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan: (a) het bouwbesluit, (b) de bouwverordening (c) de beheersverordening of (d) de redelijke eisen van welstand.

Op grond van het tweede lid, wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met de beheersverordening:

1º met toepassing van de in de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2º in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

De algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Basis voor afwijking afstand tot aan perceelsgrens

Artikel 4, vierde lid, van Bijlage II bij het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van de beheersverordening wordt afgeweken in aanmerking komt een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.

De beheersverordening

Ter plaatse geldt de beheersverordening “[naam beheersverordening]”. Op grond daarvan geldt op het perceel de bestemming “Wonen”.

Artikel 20.3.1. (Toelaatbare bebouwing) bepaalt dat het in aanvulling op het bepaalde in lid 20.1 is toegestaan om gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen waarbij de volgende bepalingen gelden:

a. Voor het bouwen van hoofdgebouw en gelden de volgende bepalingen:

1. (…)

5. de afstand van vrijstaande en twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen aan de niet aan-eengebouwde zijde tot de perceelsgrens mag niet minder dan 2.5 m te bedragen,

(…)

1. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 m;

b. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

1. (…)

6. de goothoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen;

Basis voor afwijking goothoogte

Artikel 26 (Algemene afwijkingsregels) bepaalt dat het bevoegd gezag - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning kan afwijken van dit plan voor:

a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;

b. (…);

c. de omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.