Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2196

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4683
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bpm

Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor 16 schade-auto’s waarbij gebruik is gemaakt van de taxatiemethode. Naar aanleiding van een hertaxatie door DRZ is een naheffingsaanslag opgelegd. In geschil is de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, of een correctie wegens btw/marge moet plaatsvinden in geval van een koerslijst van Autobiz en de hoogte van de (waardevermindering wegens) schade. De rechtbank heeft dat per auto beoordeeld en vermindert de naheffingsaanslag.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1187
NTFR 2021/1703
V-N 2021/27.25.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/4683 en 18/7755 tot en met 18/7769

uitspraak van 23 april 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 20 juni 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm), alsmede tegen de bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 1.427, ter zake van de volgende motorrijtuigen:

- Audi A4 Avant 2.0 TDI, met een VIN eindigend op [VIN 1] (zaaknummer 18/4683);

- Audi A4 Avant 2.0 TDIe, met een VIN eindigend op [VIN 2] (zaaknummer 18/7755)

- Audi A4 Avant 2.0 TDI, met een VIN eindigend op [VIN 3] (zaaknummer 18/7756)

- Audi A6 Avant 2.0 TDI, met een VIN eindigend op [VIN 4] (zaaknummer 18/7757)

- Audi A4 Avant 2.0 TDI, met een VIN eindigend op [VIN 5] (zaaknummer 18/7758)

- Mercedes Benz C-Klasse Estate 200 CDI, met een VIN eindigend op [VIN 6] (zaaknummer 18/7759):

- Audi A4 Avant 2.0 TDIe, met een VIN eindigend op [VIN 7] (zaaknummer 18/7760)

- Mercedes Benz C-Klasse Estate 200 CDI, met een VIN eindigend op [VIN 8] (zaaknummer 18/7761);

- Audi A4 Avant 2.0 TDI, met een VIN eindigend op [VIN 9] (zaaknummer 18/7762);

- Mercedes Benz C-Klasse Estate 200 CDI met een VIN eindigend op [VIN 10] (zaaknummer 18/7763);

- Audi A4 Avant 2.0 TDIe met een VIN eindigend op [VIN 11] (zaaknummer 18/7764);

- Mercedes-Benz C-Klasse Estate 180 CDI met een VIN eindigend op [VIN 12] (zaaknummer 18/7765);

- Audi A4 Avant 2.0 TDI met een VIN eindigend op [VIN 13] (zaaknummer 18/7766);

- Audi A4 Avant 2.0 TDI met een VIN eindigend op [VIN 14] (zaaknummer 18/7767);

- Audi A4 Avant 2.0 TDI met een VIN eindigend op [VIN 15] (zaaknummer 18/7768);

- Audi A4 Avant 2.0 TDIe met een VIN eindigend op [VIN 16] (zaaknummer 18/7769).

Zitting

Het onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019 te Breda (regiezitting). De meervoudige kamer heeft de onderhavige zaken op grond van artikel 8:10 van de Awb verwezen naar de enkelvoudige kamer. Het onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 12 maart 2021 te Breda. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 16.172;

- vermindert de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.397;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 338 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft in de periode 23 januari 2015 tot en met 17 augustus 2015 op aangifte de volgende bedragen aan Bpm voldaan:

- € 807 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 1] (hierna: auto 1);

- € 757 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDIe met VIN nummer [VIN 2] (hierna: auto 2);

- € 765 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 3] (hierna: auto 3);

- € 1.043 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A6 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 4] (hierna: auto 4);

- € 802 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 5] (hierna auto 5);

- € 819 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Mercedes Benz C-Klasse Estate 200 CDI met VIN nummer [VIN 6] (hierna: auto 6);

- € 903 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDIe met VIN nummer [VIN 7] (hierna: auto 7);

- € 1.030 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Mercedes Benz C-Klasse Estate 200 CDI met VIN nummer [VIN 8] (hierna: auto 8);

- € 869 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 9] (hierna: auto 9);

- € 809 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Mercedes Benz C-Klasse Estate 200 CDI met VIN nummer [VIN 10] (hierna: auto 10);

- € 1.062 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 2.0 TDIe met VIN nummer [VIN 11] (hierna: auto 11);

- € 749 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Mercedes-Benz C-Klasse Estate 180 CDI met VIN nummer [VIN 12] (hierna: auto 12);

- € 881 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 13] (hierna: auto 13);

- € 1.377 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 14] (hierna: auto 14);

- € 937 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDI met VIN nummer [VIN 15] (hierna: auto 15);

- € 823 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A4 Avant 2.0 TDIe met VIN nummer [VIN 16] (hierna: auto 16).

Het totale bedrag dat door belanghebbende is voldaan bedraagt € 14.433.

2.2.

De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de totale verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 32.847. Met dagtekening 13 december 2017 is aan belanghebbende voor de onder 2.1 vermelde auto’s een naheffingsaanslag Bpm opgelegd met een totaalbedrag van € 18.414 aan verschuldigde Bpm. Daarbij is tevens een bedrag van € 1.427 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.3.

Het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard1. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd met in totaal € 586, betrekking hebbend op de auto’s 2, 3 en 16. Dit resulteert erin dat na de uitspraak op bezwaar het totale bedrag aan verschuldigde (rest-) Bpm (€ 32.847 -/- € 586 =) € 32.261 bedraagt.

De in rekening gebrachte belastingrente is verminderd met € 45.

De inspecteur heeft een kostenvergoeding voor bezwaar van € 498 toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van een hoorgesprek met een waarde van € 249 per punt en een wegingsfactor 1).

2.4.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is daarbij tussen partijen in geschil:

- of de hertaxateur voldoende onafhankelijk is;

- of de historische nieuwprijs op de juiste wijze is vastgesteld (auto 2, 10, 11 en 14);

- of de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op de juiste wijze is vastgesteld;

- of de handelsinkoopwaarde die is vastgesteld aan de hand van een koerslijst van Autobiz dient te worden verminderd met een correctie wegens btw/marge (auto 2 en 16);

- of de waardevermindering wegens schade tot het juiste bedrag in aanmerking is genomen.

2.5.

Voorts is in geschil de hoogte van de immateriële-schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en de hoogte van de proceskosten.

2.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor alle auto’s de extra leeftijdskorting kan worden toegepast en dat voor auto 2, 11 en 14 het lagere tussentijdse tarief kan worden toegepast.

2.7.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat voor auto 9 de verschuldigde Bpm € 2.497 bedraagt inclusief de extra leeftijdskorting.

Onafhankelijkheid hertaxateur

2.8.

De rechtbank overweegt dat voor zover belanghebbende heeft betoogd dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, reeds omdat de hertaxateur niet deskundig, objectief en onafhankelijk is, deze beroepsgrond faalt. Het staat de inspecteur immers vrij zijn standpunt te onderbouwen op een wijze die hem goeddunkt, mits geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs of anderszins bewijs dat niet toelaatbaar is, wat hier niet het geval is. De belastingrechter zal vervolgens oordelen over het door beide partijen bijgebrachte bewijsmateriaal, op basis van zijn keuze, weging en waardering van het bewijsmateriaal.2

Historische nieuwprijs

Auto 14

2.9.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat voor auto 14 kan worden uitgegaan van de historische nieuwprijs van de inspecteur. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs voor auto 14 derhalve vast op € 47.107.

Auto 10

2.10.

De inspecteur is voor auto 10 bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 45.227. Deze nieuwprijs is afkomstig uit het taxatierapport van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Ter zitting heeft de inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst van Xray aangezien ook de handelsinkoopwaarde zoals vermeld op de koerslijst van Xray is gevolgd. Deze nieuwprijs bedraagt € 43.747. Daarbij doet hij tevens een beroep op interne compensatie.

2.11.

De rechtbank wijst het beroep op interne compensatie af omdat de naheffing met betrekking tot auto 10 op overige onderdelen volledig in stand blijft zodat bij auto 10 geen compensatie kan plaatsvinden. Voor zover de inspecteur zich beroept op interne compensatie met de door de rechtbank verlaagde naheffing van een andere auto wijst de rechtbank dit beroep af. Het is immers niet mogelijk om de (volgens de inspecteur) voor auto 10 meer verschuldigde Bpm bij een andere auto te heffen.

Auto 2 en 11

2.12.

De inspecteur stelt voor auto 2 en 11 dat uitgegaan moet worden van de historische nieuwprijs zoals vermeld in de gebruikte koerslijst. Hij is van mening dat, als eenmaal gebruik gemaakt wordt van een koerslijst, ook alle elementen van die koerslijst toegepast moeten worden.

2.13.

Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs dient te worden berekend aan de hand van het wettelijke systeem uitgaande van de netto catalogusprijs, te vermeerderen met Btw en Bpm. Die bedragen opgeteld leveren de historische nieuwprijs op, aldus belanghebbende.

2.14.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 10, tweede lid, in samenhang met artikel 9, derde en vierde lid van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2015; hierna: Wet Bpm) de historische nieuwprijs wordt gevormd door de som van de netto catalogusprijs te vermeerderen met Btw en Bpm. De aldus berekende historische nieuwprijs wordt ingevolge artikel 10, eerste, tweede en zevende lid van de Wet Bpm gebruikt ter bepaling van de vermindering van de verschuldigde Bpm bij een gebruikte personenauto. Uit het zevende lid van artikel 10 Wet Bpm blijkt tevens dat bij de berekening van die vermindering een koerslijst slechts dient om de handelsinkoopwaarde te bepalen en niet ter vaststelling van de historische nieuwprijs. Gelet hierop is met betrekking tot dit punt het gelijk aan belanghebbende.

2.15.

De rechtbank stelt de nieuwprijs voor auto 2 vast op € 47.659 en voor auto 11 op € 49.573.

Overige auto’s

2.16.

De rechtbank leidt uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting af dat de historische nieuwprijs voor de overige auto’s niet in geschil is. Voor een overzicht van de nieuwprijzen verwijst de rechtbank naar tabel 1 in de bijlage.

Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat

Auto 6, 8, 10 en 13

2.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat voor auto 6, 8, 10 en 13 respectievelijk € 12.460, € 14.238, € 10.810 en € 11.874 bedraagt.

Auto 1 tot en met 5, 7, 11, 12, 14, 15 en 16

2.18.

De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen hebben ter bepaling van de handelsinkoopwaarde marktonderzoek gedaan en hebben daarbij een gemiddelde vraagprijs van vergelijkbare auto’s berekend. Deze vraagprijs is vervolgens verminderd met een zogenaamde handelsmarge. Die handelsmarge bestaat uit de winstmarge en het verschil tussen de vraagprijs en de uiteindelijk verkregen verkoopprijs. Namens de inspecteur heeft de hertaxateur van DRZ die handelsmarge per auto, zo leidt de rechtbank uit de stukken af, vastgesteld op 14 tot 16%. Vervolgens heeft de hertaxateur de aldus berekende handelsinkoopwaarde vergeleken met de handelsinkoopwaarde van diverse koerslijsten en omdat toepassing van een koerslijst in alle gevallen gunstiger was, heeft hij de handelsinkoopwaarde vastgesteld aan de hand van de meest gunstige koerslijst. Belanghebbende heeft voor de verschillende auto’s een handelsmarge in aanmerking genomen die varieert van 11,67 % tot 59,8% en daaruit de handelsinkoopwaarde afgeleid. Die waarde is steeds lager dan die van de inspecteur.

2.19.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op de inspecteur rust.3

De inspecteur heeft uiteindelijk de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat gebaseerd op de (laagste) koerslijsten. Naar het oordeel van de rechtbank kan een koerslijst, die immers is gebaseerd op vele transacties in de markt, doorgaans een goede indicatie geven van de waarde van vergelijkbare auto’s. Hiermee heeft de inspecteur, behoudens tegenbewijs, met betrekking tot de handelsinkoopwaarde, dan ook aan zijn bewijslast voldaan.

2.20.

Belanghebbende heeft als tegenbewijs aangevoerd zijn op marktonderzoek gebaseerde berekeningen die leiden tot een lagere handelsinkoopwaarde van de auto’s. De rechtbank overweegt dat deze methode, die in eerste instantie ook door de inspecteur is gebruikt ter bepaling van de handelsinkoopwaarde op zich is toegestaan, mits daar wel de juiste invulling aan wordt gegeven.

In dat verband stelt de rechtbank voor auto 1, 3, 4 en 5 vast dat de gemiddelde vraagprijs die de taxateur van belanghebbende in haar taxatierapport vermeldt, niet de gemiddelde vraagprijs is van de drie vraagprijzen die daar staan vermeld. Dit betekent dat de door belanghebbende vastgestelde gemiddelde vraagprijs van die auto’s alleen al daarom niet als onderbouwing kan dienen voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.

2.21.

De rechtbank stelt voor auto 2, 7, 11, 12, en 14 tot en met 16 vast dat de gemiddelde vraagprijs die de taxateur van belanghebbende in haar taxatierapport vermeldt wel (nagenoeg) de gemiddelde vraagprijs betreft van de vraagprijzen die daar staan vermeld. Dat betekent dat deze gemiddelde vraagprijzen in beginsel wel als basis voor de berekening van de handelsinkoopwaarde van die auto’s zouden kunnen dienen. Echter, de marges die belanghebbende vervolgens voor deze auto’s in aanmerking neemt staan niet genoemd in het taxatierapport en zijn niet onderbouwd. De rechtbank heeft deze handelsmarges daarom zelf berekend en stelt vast dat de handelsmarges van de auto’s sterk uiteenlopen (zie 2.18). Voor alle auto’s, behalve voor auto 15, is door belanghebbende een (aanzienlijk) hogere handelsmarge in aanmerking genomen dan de handelsmarge van 14-16% die de inspecteur heeft gehanteerd. Belanghebbende heeft hier in haar stukken, noch ter zitting een nadere toelichting op of onderbouwing van gegeven. Tegenover de betwisting van de inspecteur heeft belanghebbende de door hem gehanteerde percentages dan ook voor alle auto’s, behalve voor auto 15, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is derhalve van oordeel dat ook voor deze auto’s niet kan worden uitgegaan van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals door belanghebbende bepleit.

2.22.

Voor auto 15 is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende de door haar bepleite handelsinkoopwaarde wel aannemelijk heeft gemaakt. Voor deze auto heeft belanghebbende de gemiddelde vraagprijs goed vastgesteld en heeft zij een handelsmarge gebruikt (11,67%) die lager is dan die van de inspecteur (14,67%). Dit leidt tot een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 10.889, hetgeen lager is dan de door inspecteur verdedigde handelsinkoopwaarde. De rechtbank gaat voor auto 15 derhalve uit van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 10.889.

2.23.

Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende voor auto 1 tot en met 5, 7, 11, 12, 14 en 16 het in 2.19 vermelde tegenbewijs niet geleverd en sluit de rechtbank voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan bij de koerslijsten zoals door de inspecteur overgelegd en waar de inspecteur van uit is gegaan. Voor een overzicht van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat per auto verwijst de rechtbank naar tabel 1 in de bijlage.

Dient een correctie wegens btw/marge op de koerslijst Autobiz te worden toegepast?

2.24.

De inspecteur heeft voor auto 2 en 16 gebruik gemaakt van een koerslijst van Autobiz. Belanghebbende heeft gesteld dat in dat geval een correctie wegens btw/marge moet worden toegepast aangezien dit een koerslijst betreft waarvan niet is uitgesloten dat die uitgaat van btw-auto’s. In dat geval dient een correctie van tenminste 5% plaats te vinden, aldus belanghebbende.

2.25.

De rechtbank overweegt dat na het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:45) vast staat dat ter bepaling van de verschuldigde Bpm mag worden uitgegaan van een marge-auto als referentieauto. Niet in geschil is dat een marge-auto minder waard is dan een btw-auto. Belanghebbende heeft in het onderhavige geval echter niet aannemelijk gemaakt dat de koerslijst van Autobiz uit btw-auto’s bestaat op grond waarvan een correctie wegens btw/marge moet worden toegepast. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:1069). De rechtbank overweegt echter dat in die situatie sprake was van koerslijst van AutotelexPro, waarbij de directeur van AutotelexPro had verklaard dat in de betreffende koerslijst alleen btw-auto’s waren opgenomen. Het standpunt van belanghebbende wordt derhalve verworpen.

Waardevermindering wegens schade

2.26.

Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk te maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade. Beide partijen hebben daartoe een taxatierapport overgelegd waarin een gedetailleerde omschrijving van de schade is opgenomen en ter onderbouwing daarvan foto’s zijn overgelegd van de auto’s. Verder heeft de taxateur van DRZ bij iedere auto “bevindingen/opmerkingen t.a.v. de opgegeven waardevermindering” in zijn taxatierapport opgenomen. Hierin geeft hij (per schade-onderdeel) commentaar op de door belanghebbende opgevoerde schade en verwijst hij ter ondersteuning van zijn standpunt naar de overgelegde foto’s.

2.27.

De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.

2.28.

De rechtbank overweegt met betrekking tot alle auto’s in zijn algemeenheid dat zij achterstallig onderhoud en het NL taal programmeren niet aanmerkt als schade.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat bij het merendeel van de auto’s een schadepost voor de vervanging van velgen is opgenomen. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de velgen weliswaar meer dan gebruiksschade vertonen en een aftrek dus op zijn plaats is, maar dat volledige vervanging niet nodig is. Dat leidt tot een lager schadebedrag dan door belanghebbende is opgevoerd. De rechtbank volgt de inspecteur hierin.

Auto 1 tot en met 4, 6, 7, 10, 11, 12, 14 en 16

2.29.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat rekening moet gehouden met een hoger bedrag aan schade dan de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag in aanmerking heeft genomen. De inspecteur heeft bij een groot aantal door belanghebbende opgevoerde schadeposten gemotiveerd betwist dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op de foto’s in de taxatierapporten zijn strepen zichtbaar op de auto’s. Beide partijen hebben ter zitting verklaard dat dit krijtstrepen zijn die door de taxateur op de auto worden gezet en waartussen de schade zich zou bevinden. De rechtbank kan de schade enkel vaststellen aan de hand van de overgelegde foto’s. Eventuele onduidelijkheden die als gevolg daarvan zijn ontstaan dienen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van belanghebbende te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de foto’s dermate onduidelijk dat zij niet kan vaststellen dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade die zich tussen de krijtstrepen zou bevinden. Voor zover de inspecteur wel schade in aanmerking heeft genomen heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat dat bedrag te laag is.

2.30.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waarmee de inspecteur reeds rekening heeft gehouden.

Auto 5

2.31.

Met betrekking tot auto 5 is de rechtbank is van oordeel dat de inspecteur onvoldoende rekening heeft gehouden met herstelkosten voor de schade aan het dak. Op de foto’s is zichtbaar dat op het dak putjes aanwezig zijn, waarvan niet aannemelijk is dat deze zijn ontstaan uitsluitend door normaal gebruik van de auto. De rechtbank neemt daarvoor een extra bedrag aan schade in aanmerking van € 933, waarvan 75%, ofwel € 700, in aftrek komt. Daarvan uitgaande stelt de rechtbank de waardevermindering wegens schade voor auto 5 vast op € 4.131.

Auto 8

2.32.

Belanghebbende heeft schade opgevoerd tot een bedrag van € 9.082. De inspecteur gaat uit van een schade van € 3.183. De rechtbank leidt uit de stukken van DRZ af dat voor deze auto niet is gesteld dat sprake is van normale gebruiksschade. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat hij het door belanghebbende toegepaste uurtarief aan arbeidsloon heeft geaccepteerd. De inspecteur heeft de door belanghebbende gestelde schade daarmee onvoldoende betwist. De rechtbank gaat derhalve uit van een schade van € 9.082 waarvan zij 72%, ofwel € 6.539, als waardevermindering in aanmerking neemt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitgegaan moet worden van een hoger percentage dan 72% aan waardevermindering wegens schade.

Auto 13 en 15

2.33.

De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 13 een bedrag van € 10.781 aan schade gecalculeerd. Belanghebbende heeft 72% van dat bedrag als waardevermindering op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De taxateur van de inspecteur heeft de schade voor auto 13 gecalculeerd op een bedrag van € 719 waarvan 77%, te weten een bedrag van € 552, als waardevermindering op de handelsinkoopwaarde in mindering is gebracht.

2.34.

Voor auto 15 heeft de taxateur van belanghebbende de schade gecalculeerd op een bedrag van € 8.180 waarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering is gebracht.

De taxateur van de inspecteur heeft de schade gecalculeerd op € 1.251 en 75% daarvan, te weten een bedrag van (afgerond) € 936 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.

2.35.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schade € 10.781 (auto 13) respectievelijk € 8.180 (auto 15) bedraagt. Tegenover de betwisting van de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in dat bedrag geen normale gebruiksschade is begrepen. Belanghebbende is dan ook van een te hoog bedrag aan schade uitgegaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voor beide auto’s van een te laag bedrag aan schade is uitgegaan. Zo is er op de foto’s bij auto 13 rechtsvoor duidelijk loszittend plaatwerk zichtbaar, zijn er deuken in de bumpers en is een flinke lakbeschadiging zichtbaar. Ook bij auto 15 zijn op de foto’s een deuk en lakschade zichtbaar. Daar heeft de inspecteur geen of onvoldoende rekening mee gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is, in tegenstelling tot waar de inspecteur vanuit gaat, voor een deel sprake van meer schade dan waarmee de inspecteur reeds rekening heeft gehouden.

2.36.

Nu beide partijen het bedrag van de schade niet aannemelijk hebben gemaakt stelt de rechtbank de schade voor auto 13 in goede justitie vast op € 3.000 en voor auto 15 op € 2.000. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat van het door hem gehanteerde percentage kan worden uitgegaan. De rechtbank vermindert de handelsinkoopwaarde voor auto 13 met € 2.310 (77% van € 3.000) en voor auto 15 met € 1.500 (75% van € 2.000).

2.37.

Voor een overzicht van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat per auto verwijst de rechtbank naar tabel 1 in de bijlage.

Vermindering naheffingsaanslag

2.38.

De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, met een bedrag van € 1.656 naar € 16.172. Voor een overzicht van de bedragen verwijst de rechtbank naar de tabel 2 in de bijlage. Het beroep is om die reden gegrond verklaard.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

2.39.

Belanghebbende heeft in haar pleitnota een verzoek gedaan om toekenning van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift op 11 januari 2018 door de inspecteur is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 23 april 2021 gedaan en dus afgerond 40 maanden na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Nu er geen reden is om van dit uitgangspunt af te wijken, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 16 maanden.

2.40.

De rechtbank overweegt dat het hier gaat om één naheffingsaanslag. De omstandigheid dat nageheven wordt ter zake van zestien auto’s, maakt – anders dan belanghebbende betoogt – niet dat sprake is van aanspraak op zestien maal een afzonderlijke schadevergoeding. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat – als gevolg van interne registratierichtlijnen - administratief bij de rechtbank zestien zaaknummers zijn aangemaakt. Aangezien sprake is van één naheffingsaanslag, is sprake van één zaak. Gelet hierop geldt eenmaal het tarief van € 500 per half jaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft dan recht op een vergoeding van immateriële schade van afgerond 3 x € 500 is € 1.500.

2.41.

Voor de verdeling van de schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister van Justitie en Veiligheid (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 20 juni 2018. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 6 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase niet is overschreden. Dit betekent dat de termijnoverschrijding voor het geheel wordt toegerekend aan de beroepsfase. De Staat dient daarom het volledige bedrag van € 1.500 te betalen. De rechtbank merkt de Minister van Justitie en Veiligheid in zoverre mede aan als partij in dit geding.

3 Proceskosten

3.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van één zaak (zie 2.40) en ziet daarom geen aanleiding een factor in aanmerking te nemen wegens samenhang.

3.2.

In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur een kostenvergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten toegekend van € 498, waarbij een wegingsfactor 1 (gemiddeld) voor de zwaarte van de zaak is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank dient die wegingsfactor 1,5 te bedragen (zie 3.3). Ook in zoverre wordt de uitspraak van de inspecteur vernietigd.

3.3.

De proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna; Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.397 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1,5). De rechtbank kent gelet op de hoeveelheid auto’s een wegingsfactor toe van 1,5. De rechtbank neemt het verschijnen ter zitting voor de meervoudige kamer van 27 februari 2019 niet mee in de proceskostenvergoeding voor de onderhavige zaak. Voor deze meervoudige zitting is reeds in vijf uitspraken van zaken die eveneens eerder op die regiezitting zijn behandeld, een vergoeding toegekend van in totaal € 3.702. De rechtbank acht het niet redelijk om daar nogmaals een vergoeding voor toe te kennen.

3.4.

Belanghebbende heeft tevens recht op vergoeding van het griffierecht.

Deze uitspraak is op 23 april 2021 gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Tabel 1

Historische nieuwprijs

Handels- inkoopwaarde in onbeschadigde staat

Waardevermindering wegens schade

Handels-

Inkoopwaarde in beschadigde staat

Afschrijvings- percentage

Historische bruto-Bpm

Rest-Bpm

Auto 1

42.899

12.134

2.407

9.727

77,33%

8.659

1.963

Auto 2

47.659

12.600

1.626

10.974

76,97%

7.712

1.775

Auto 3

48.177

13.109

4.213

8.896

81,53%

8.948

1.652

Auto 4

55.492

16.300

3.585

12.715

77,09%

11.586

2.654

Auto 5

44.032

13.652

4.131

9.521

78,38%

8.836

1.910

Auto 6

47.676

12.460

3.168

9.292

80,51%

9.012

1.756

Auto 7

43.913

14.264

2.250

12.014

72,64%

7.712

2.110

Auto 8

47.556

14.238

6.539

7.699

83,81%

8.931

1.445

Auto 9

nvt

nvt

nvt

nvt

71,000%

8.999

2.609

Auto 10

45.227

10.810

4.620

6.190

86,31%

9.156

1.2504

Auto 11

49.573

14.649

2.718

11.931

75,93%

11.126

2.677

Auto 12

43.880

12.363

3.010

9.353

78,69%

8.022

1.709

Auto 13

45.336

11.874

2.310

9.564

78,90%

8.908

1.879

Auto 14

47.107

14.646

1.094

13.552

71,23%

10.965

3.154

Auto 15

46.740

10.889

1.500

9.389

79,91%

9.077

1.823

Auto 16

44.034

13.250

417

12.833

70,86%

6.806

1.983

Rest-Bpm oordeel rechtbank (A)

Extra leeftijds-

korting (B)

Reeds op aangifte betaalde Bpm (C)

Sub-

totaal

(D)

(=A-B-C)

Naheffings-aanslag na uitspraak op bezwaar (E)

Verschil

(=E-D)

Auto 1

1.963

315

807

841

865

24

Auto 2

1.775

43

757

975

1.053

78

Auto 3

1.652

28

765

859

859

0

Auto 4

2.654

64

1.043

1.547

1.547

0

Auto 5

1.910

30

802

1.078

1.216

138

Auto 6

1.756

44

819

893

912

19

Auto 7

2.110

44

903

1.163

1.163

0

Auto 8

1.445

88

1.030

327

960

633

Auto 9

2.609

112

869

1.628

1.726

98

Auto 10

1.250

32

809

409

409

0

Auto 11

2.677

337

1.062

1.278

1.400

122

Auto 12

1.709

257

749

703

703

0

Auto 13

1.879

158

881

840

1.156

316

Auto 14

3.154

78

1.377

1.699

1.777

78

Auto 15

1.823

64

937

822

972

150

Auto 16

1.983

50

823

1.110

1.110

0

Totaal

32.349

1.744

14.433

16.172

17.828

1.656

Tabel 2

1 De inspecteur heeft het bezwaar abusievelijk ongegrond verklaard.

2 Vergelijk ECLI:NL:GHSHE:2018:5260.

3 Hoge Raad 16 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4811 en Gerechtshof ’s Hertogenbosch, 30 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:323.

4 De rechtbank berekent de verschuldigde Bpm op € 1.253. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag echter van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 6.180 uitgegaan waardoor de verschuldigde Bpm lager uitkomt. De rechtbank zal van dit lagere bedrag uitgaan.