Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2172

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
02-820579-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade. Samen met drie anderen heeft verdachte aangever tijdens een begrafenis meegenomen naar een bos en hebben zij hem daar zwaar lichamelijk letsel toegebracht, bestaande uit meerdere botbreuken in het aangezicht en een been breuk. Vervolgens is aangever zwaargewond meegenomen naar de koffietafel, om daarna in de avond te worden achtergelaten voor de deur van zijn toenmalige vriendin. Vrijspraak volgt voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarnaast volgt een veroordeling voor het vervoeren van cocaïne alsmede het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Verdachte is voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Hierbij is in grote mate rekening gehouden met de ouderdom van de zaak alsmede de overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820579-16

vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsvrouw: mr. G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat te Roermond

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22, 24 en 25 maart 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Korver, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 30 april 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met (een) ander(en):

  • -

    op 6 mei 2016 [aangever] al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (feit 1) en wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd (feit 2);

  • -

    op 9 januari 2016 1 kilogram cocaïne heeft vervoerd (feit 3);

  • -

    op 15 november 2016 1146 gram cocaïne voorhanden heeft gehad (feit 4).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie komt op basis van het dossier tot een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als medeplegers direct betrokken zijn geweest bij de zware mishandeling (feit 1) en de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2). Volgens de officier van justitie zijn de verklaringen van aangever [aangever] , niet alleen uitgebreid, maar ook gedetailleerd en – belangrijker nog – op hoofdlijnen consistent. Steeds noemt aangever deze vier namen van leden van [naam 1] als degenen die hem hebben mishandeld. De officier van justitie vindt het van belang dat aangever op dat moment niet wist – en ook niet kon weten – dat er camerabeelden waren waarop te zien is dat precies die vier personen gedurende een ruime twintig minuten afwezig waren bij de plechtigheid. Dit staat volgens de officier van justitie haaks op het scenario van verdachte, dat aangever de gebeurtenissen verzonnen zou hebben, omdat hij gevallen zou zijn met zijn motor. De officier van justitie meent dat de omstandigheid dat alleen aangever de verdachten aanwijst als daders niet aan een bewezenverklaring in de weg hoeft te staan. De verklaringen van aangever worden volgens de officier van justitie ondersteund door de camerabeelden bij het crematorium, waaruit niet alleen is af te leiden dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] samen met [aangever] twintig minuten weg zijn geweest bij de crematiegelegenheid, maar ook de manier waarop er wordt vertrokken, de afstand tot- en de interactie met elkaar, spreekt volgens de officier van justitie boekdelen. De officier van justitie concludeert verder uit de beelden dat er bij aangever geen fysieke beperking te zien is op het moment dat hij lopend uit beeld verdwijnt. Daar komt bij dat de motor van aangever op het moment waarop het letsel moet zijn ontstaan niet van het crematoriumterrein af is geweest, waardoor een ongeluk met zijn motor – én met het zware letsel dat hij daarbij zou hebben opgelopen – volgens hem is uitgesloten. De verklaringen van aangever vinden verder steun in het bij hem vastgestelde letsel, de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , de resultaten van het technisch onderzoek aan de motor waarbij er geen gebreken of omstandigheden zijn geconstateerd die passen bij een verkeersongeluk en het technisch onderzoek aan de Seat Arosa waarbij bloedsporen van aangever zijn aangetroffen alsmede de camerabeelden van het [naam 2] in Schiedam. De officier van justitie betoogt dat de voorbedachten rade inherent is aan de situatie, nu het niet anders kan zijn dan dat verdachte en de medeverdachten hebben gewerkt volgens een tevoren bedacht plan.

Ten aanzien van feit 3 baseert de officier van justitie zich op de inhoud van de OVC-gesprekken, de camerabeelden, het feit dat werd vastgesteld dat de Audi van [verdachte] in de buurt van de woonwagen van [naam 3] is gezien en op de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting dat hij daar toen aanwezig is geweest. Ten aanzien van feit 4 baseert de officier van justitie zich op het bij de doorzoeking in de wasdroger in de schuur van de woning aangetroffen blok, het NFI rapport waaruit blijkt dat het cocaïne betreft en de verklaring van [naam 4] , de ex-partner van [verdachte] , dat alleen [verdachte] en zij de sleutel van de schuur hadden. De officier van justitie merkt hierbij op dat de feiten 3 en 4 elkaar versterken en ondersteunend zijn aan elkaar.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. De verdediging acht de verklaringen van aangever volstrekt onbetrouwbaar. De verklaringen van aangever [aangever] zijn namelijk innerlijk tegenstrijdig en bewijsbaar leugenachtig. Aangever past zijn verklaringen steeds aan wanneer hij door de verhorende verbalisanten daarop wordt gewezen. Er is volgens de verdediging geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Er is geen plaats delict bekend, geen DNA van verdachte aangetroffen, er is geen sprake van (telefonisch) contact en er zijn geen beelden. Het feit dat verdachte enige tijd niet op de camerabeelden te zien is, wil volgens de verdediging niet zeggen dat hij het terrein van de begraafplaats heeft verlaten. De camera bestrijkt slechts een gedeelte van de straat waarop aan beide zijden veel mensen stonden. Op grond van tijdstippen en afstanden worden harde conclusies ten aanzien van de verdachten getrokken, terwijl niet duidelijk is waar de mishandeling heeft plaatsgevonden en het terrein van de begraafplaats op meerdere manieren en op meerdere plaatsen, buiten het zicht van de camera, verlaten kan worden. Alle conclusies gebaseerd op de camerabeelden hebben naar de mening van de verdediging dus nauwelijks, althans geen (bewijs)waarde. Er dient dus vrijspraak te volgen voor feit 1.

Buiten de verklaring van aangever blijkt verder nergens uit dat hij wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd of beroofd is gehouden, zodat ook feit 2 niet kan worden bewezen en er vrijspraak dient te volgen. Zelfs als van de juistheid van zijn verklaringen wordt uitgegaan, volgt daaruit dat hij vrijwillig is meegelopen en vrijwillig in een auto is gestapt.

Het Openbaar Ministerie baseert haar verdenking ten aanzien van feit 3 slechts op een aantal OVC-gesprekken, waarvan de verdediging meent dat deze verkeerd zijn geïnterpreteerd. Verdachte is in de caravan van [naam 3] geweest en heeft daar cocaïne genomen, maar hij heeft niets meegenomen of gekocht. Vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient verdachte van feit 3 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 betoogt de verdediging dat er is sprake van een onrechtmatig doorzoeking, nu de machtiging tot binnentreden alleen was verstrekt voor de aanhouding van verdachte. De doorzoeking vond echter plaats nadat verdachte al was aangehouden en voordat de rechter-commissaris ter plaatse was en is volgens de verdediging niet rechtmatig. De wasdroger had niet mogen worden doorzocht en er is sprake van een onomkeerbaar vormverzuim. Gelet hierop dienen de resultaten van de onrechtmatige doorzoeking van het bewijs te worden uitgesloten en dient verdachte ook van feit 4 te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Op 9 mei 2016 kwam er bij de politie een telefonische melding binnen van een persoon genaamd [aangever] . Hij gaf aan dat hij in het [naam 2] in Schiedam lag met botbreuken naar aanleiding van een mishandeling binnen motorclub [naam 1] .

Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage blijkt dat [aangever] op 10 mei 2016 aangifte heeft gedaan van zware mishandeling gepleegd op 6 mei 2016 in de bossen in de omgeving van Bergen op Zoom. Aangever verklaarde dat hij op de begrafenis van de vader van [naam 5] aanwezig was. Daar werd hij door [medeverdachte 1] gevraagd om mee te lopen naar een auto en moest hij instappen. In de auto zaten verder ‘ [bijnaam] ’, [verdachte] en [medeverdachte 2] . Ze reden door een bos een zandpad op. Daar moest hij uitstappen en meelopen. Alle inzittenden van de auto liepen ook mee. Hij hoorde dat [verdachte] tegen ‘ [bijnaam] ’ zei dat hij moest uitkijken of er mensen aankwamen. ‘ [bijnaam] ’ stond op ongeveer 25 meter bij hem vandaan. De andere personen liepen in een kringetje om hem heen. Vervolgens werd hij tegen zijn lijf en hoofd geschopt en geslagen. Hij is een tijd bewusteloos geweest. Hij voelde dat hij niet meer kon lopen. Hij werd enige tijd later in zalencentrum [naam 6] neergezet. Op 8 mei 2016 kreeg hij in het ziekenhuis visite van een aantal leden van de [naam 7] . ‘ [bijnaam] ’ zei tegen hem dat hij moest voordoen alsof hij een ongeluk met de motor had gehad.

In aanvulling hierop verklaarde aangever op 23 mei 2016 dat [medeverdachte 2] hem in het bos van achter vast hield. Op het moment dat er een ouder stel voorbij was gelopen stak [medeverdachte 1] twee vingers in de lucht. Hierna werd hij geschopt en geslagen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangever onbetrouwbaar zijn, omdat hij onder meer steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat de politie daarbij sturend te werk is gegaan, zodat deze verklaringen niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

De rechtbank stelt vast dat aangever in een tijdsbestek van bijna drie jaar veelvuldig is gehoord en hij uitgebreide en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd. Ook de rechtbank constateert dat aangever op onderdelen tegenstrijdige en wisselende verklaringen heeft afgelegd en zij heeft de verklaringen van aangever dan ook met de nodige behoedzaamheid bekeken. De rechtbank stelt echter vast dat de verklaringen van aangever op hoofdlijnen hetzelfde zijn gebleven en dat verschillende essentiële onderdelen, ook op detailniveau, worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen.

Zo laten de camerabeelden van het toegangshek bij de ingang van het [bedrijfsnaam] te Bergen op Zoom zien dat de door aangever genoemde personen op 6 mei 2016 iets vóór 13:00 uur het beeld uit lopen en ruim twintig minuten later pas weer in beeld verschijnen. Om 12.51.22 lopen [verdachte] en [medeverdachte 2] linksaf de Gareelweg op. [medeverdachte 1] en aangever lopen om 12.52.51 uur samen over de Mastendreef, komend uit de richting van de Holleweg en gaan ook in de richting van de Gareelweg. De verklaring van aangever dat hij door [medeverdachte 1] werd aangesproken om mee te lopen komt dan ook naadloos overeen met hetgeen te zien is op de beelden. Dit terwijl aangever op het moment dat hij hierover verklaarde nog niet wist dat er camerabeelden zouden zijn waarop dat te zien zou zijn. Aangever keert, nadat hij met [medeverdachte 1] uit beeld verdwijnt, niet meer terug op de camerabeelden, terwijl zijn motor geparkeerd staat op de Gareelweg. Dit sluit volledig aan bij het feit dat aangever na de mishandeling is weggebracht. Dat wordt bevestigd door twee onafhankelijke getuigen. Getuige [getuige 1] , werkzaam in zalencentrum [naam 6] , verklaarde dat er op 6 mei 2016 een man ondersteund door twee anderen werd binnengedragen. Zij zag dat hij niet meer zelf kon lopen en bloed in zijn gezicht had, aan zijn neus ter hoogte van zijn oog. Zij hoorde in de gang dat de man met de motor was gevallen. Zij vond dat vreemd omdat de kleding van de man nog heel was. Ook getuige [getuige 2] , de eigenaar van [naam 6] , heeft gezien dat er op 6 mei 2016 een man binnen was gekomen, die zelf niet meer op zijn benen kon staan. Hij werd ondersteund door andere mensen.

Aangever heeft verder verklaard dat [medeverdachte 1] tegen de security van Eindhoven zei dat hij hem weg moest brengen. Ze zijn vervolgens met een zwarte Seat, type Erossa (de rechtbank begrijpt: Arosa) met aangever naar het clubhuis van Eindhoven zijn gereden. Onderweg ging de auto stuk en zijn zij overgestapt op een wit bestelbusje van de president van Eindhoven. Het betrof het busje van [naam 8] . De eigenaar van het restaurant waar zij onderweg stopten kwam op de parkeerplaats naar aangever toegelopen en vroeg wat er gebeurd was. Hij had gezegd dat hij was gevallen met de motor. Ook deze onderdelen van de verklaringen worden door objectieve bewijsmiddelen ondersteund.

Uit onderzoek is gebleken dat bij de uitvaart van de vader van [naam 5] een zwarte Seat Arosa, voorzien van kenteken [kenteken] is gezien. Het kenteken stond op naam van [naam 9] , een lid van motorclub [naam 1] , [naam 10] . Deze auto is later in beslag genomen. Op de autogordel van de passagierszijde werden bloedsporen aangetroffen, die bleken te matchen met het DNA-profiel van aangever.

Verder bleek uit onderzoek dat de president van het [naam 11] , [naam 12] rijdt in een Renault Kangoo, met de belettering ‘ [naam 8] ’.

Getuige [getuige 3] , eigenaar van [naam 13] , gevestigd te Valkenswaard verklaarde in december 2016 dat hij zich kon herinneren dat hij ruim en half jaar geleden een persoon had aangesproken die een blauw oog had en een bebloed gezicht. Hij had de man gevraagd wat hij had gedaan. Die man had gezegd dat hij met zijn motor tegen een boom was gereden waarop getuige had gezegd dat het niet door een ongeluk was gekomen. Het was die dag mooi weer geweest en er zaten ook een paar leden van motorclub [naam 1] op zijn terras.

Ook de verklaring van aangever dat hij op 8 mei 2016 omstreeks 17:30 uur in het [naam 2] te Schiedam werd bezocht door een aantal leden van [naam 7] , waaronder [bijnaam] en sloper [naam 14] ([naam 14]) en de president en vicepresident van [naam 1] , [naam 15] , wordt ondersteund door camerabeelden. Uit onderzoek naar de camerabeelden van het [naam 2] bleek dat er op 8 mei 2016 omstreeks 17:14 uur een groep van vijf personen richting het ziekenhuis liep, waarvan er drie gekleed waren in hesjes van [naam 1] .

Getuige nummer [nummer] , werkzaam op de afdeling [afdeling] in [naam 2] in [plaats] , verklaarde dat aangever bont en blauw was toen hij binnen kwam en dat hij vertelde dat hij in een hinderlaag was gelopen en in elkaar was geslagen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de delen van de verklaringen van aangever, zoals opgenomen in de bewijsbijlage, betrouwbaar nu aangever met betrekking tot deze essentiële punten consistent en gedetailleerd heeft verklaard en de aangifte op deze onderdelen wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen.

Dit is anders voor het onderdeel van de verklaring van aangever dat [medeverdachte 3] als vierde persoon betrokken is geweest bij de mishandeling. De rechtbank merkt hierbij op dat aangever eerst heel stellig en consequent heeft gezegd dat hij met ‘ [bijnaam] ’ [naam 16] bedoelt en voorts dat hij niet zelfstandig met de naam van [medeverdachte 3] is gekomen. Pas toen de politie naar aanleiding van de camerabeelden aangaf dat het niet [naam 16] kon zijn geweest, maar mogelijk [medeverdachte 3] betrof, is aangever met deze naam gekomen. De rechtbank gaat er wel van uit dat er een vierde persoon bij betrokken is geweest, maar dat niet met zekerheid kan worden gezegd wie die vierde persoon was.

Toedracht en letsel

De rechtbank constateert dat het opgelopen letsel van aangever past bij zijn verklaring dat hij meerdere malen tegen zijn hoofd en lijf is geschopt en geslagen.

Uit de medische informatie blijkt dat er bij aangever sprake was van een bloeduitstorting rondom zijn rechteroog, een gezwollen linkerbeen door een bloeduitstorting en dat zijn rechter kaakholte op twee plekken gebroken was. Ook was zijn oogkasbodem gebroken en zijn sleutelbeen uit de kom. De forensische arts constateerde tevens dat er sprake was van een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie en een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts. De waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn volgens de arts passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de knie. De arts merkt hierbij op dat de breuken en de meeste weke delenzwellingen in het gelaat zich op locaties bevinden die door de meeste motorhelmen worden afgedekt.

De verdediging heeft erop gewezen dat aangever zelf heeft verklaard dat hij een ongeluk heeft gehad met zijn motor en zo zijn letsel heeft verklaard. Verdachte [verdachte] heeft herhaalde malen verklaard dat hij niet weet wat er met aangever is gebeurd.

De rechtbank overweegt dat niet valt in te zien waarom aangever de mishandeling zou verzinnen en specifiek de namen van deze personen zou noemen als hij daadwerkelijk een ongeval met zijn motor zou hebben gehad. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de mishandeling in ieder geval moet hebben plaats gevonden tussen circa 13:00 en 15:00 uur. Uit de camerabeelden is af te leiden dat aangever om 12:52.51 uur samen met [medeverdachte 1] , lopend - zonder letsel – uit het beeld verdwijnt. Bij onderzoek van de gsm van aangever werd een selfie aangetroffen met daarop het hem toegebrachte letsel in zijn gelaat. Deze bleek te zijn gemaakt op 6 mei 2016 om 15:09.40 uur. In de tussenliggende periode is aangever gewond naar de aula van [naam 6] gebracht. Getuigen geven immers aan dat hij in de aula gewond werd binnengebracht. De rechtbank overweegt ook dat er honderden personen bij de begrafenis aanwezig zijn geweest, maar er desondanks niemand een motorongeluk heeft zien gebeuren waar aangever bij betrokken zou zijn geweest. Ook betrekt de rechtbank hierbij het feit dat de motorfiets, merk Suzuki, van aangever is onderzocht. Daarbij werden wel beschadigingen geconstateerd aan de rechterzijde van de motor maar geen gebreken die passen bij een verkeersongeval. Er zijn geen slijtplekken op de banden geconstateerd die passen bij een noodstop of schuiven over een wegdek en enige details met betrekking tot het ongeluk, onder meer over de toedracht of locatie danwel dat er medische hulp is ingeschakeld, zijn niet gegeven.

Het reeds in het dossier voorgestelde scenario wordt door de rechtbank dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. De rechtbank concludeert dat er sprake is geweest van zodanig uitgeoefend geweld dat aangever daardoor het genoemde letsel heeft opgelopen. De rechtbank overweegt hierbij dat het letsel van aangever zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 303 Wetboek van Strafrecht.

Medeplegen

Zoals hiervoor is overwogen acht de rechtbank de verklaringen van aangever betrouwbaar en is er ook voldoende ondersteunend bewijs. De verdediging heeft bepleit dat de doorzoeking van de woning van verdachte onrechtmatig is geweest. Dat betekent volgens de verdediging dat de daarbij aangetroffen schoen van verdachte met daarop bloed, niet voor het bewijs van feit 1 kan worden gebruikt. De rechtbank gebruikt de resultaten van het onderzoek, die overigens niet belastend waren voor verdachte, niet voor het bewijs. Om die reden zal op deze plaats niet op het verweer worden ingegaan. Het verweer zal wel bij feit 4 worden besproken.

Op grond van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat aangever door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en nog een vierde persoon op 6 mei 2016 in het bos zwaar is mishandeld.

De vraag die de rechtbank voorts dient te beantwoorden is of verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het toebrengen van het letsel aan aangever.

De officier van justitie heeft ervoor gekozen om onder feit 1 het medeplegen ten laste te leggen. De rechtbank stelt in dat kader voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905). De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat er met betrekking tot de mishandeling sprake is geweest van een logistieke voorbereiding en een gezamenlijke uitvoering. [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben vlak na elkaar het terrein verlaten. [medeverdachte 1] heeft aangever meegenomen naar de auto. In die auto zaten [medeverdachte 2] , [verdachte] en nog een persoon die aangever heeft aangeduid als “ [bijnaam] ”. Zij reden samen naar een afgelegen plek in het bos. Daar aangekomen zei [verdachte] tegen “ [bijnaam] ” dat hij op de uitkijk moest staan. De anderen liepen in een kringetje om aangever heen. [medeverdachte 2] pakte hem vervolgens van achteren vast. Op het moment dat een ouder stel voorbij kwam, werd gewacht tot de kust veilig was. Dit werd duidelijk gemaakt doordat [medeverdachte 1] twee vingers in de lucht stak. Daarna werd aangever mishandeld en raakte hij buiten bewustzijn. Tijdens deze mishandeling heeft aangever het letsel opgelopen zoals hiervoor verwoord.

Aangever heeft wisselend verklaard over wie hem de eerste klap heeft gegeven. Daarnaast weet hij zich van de mishandeling maar weinig te herinneren nu hij buiten bewustzijn is geraakt.

De rechtbank kan daardoor niet precies vaststellen wie welke geweldshandeling heeft verricht en wie het letsel heeft toegebracht. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet noodzakelijk om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de zware mishandeling te kunnen komen. Bij medeplegen ligt het accent namelijk op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Uit het handelen van verdachte en zijn mededaders blijkt dat zij een plan hadden en dat zij allemaal een zodanige significante en wezenlijke bijdrage aan het tenlastegelegde feit hebben geleverd dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een vierde persoon en aldus van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR 28 februari 2012, NJ 2012/518). Daarbij vormt, aldus de Hoge Raad, de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar hoeft dit de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De gedragingen van verdachte en de mededaders voorafgaand aan de geweldpleging, zoals het vlak na elkaar verlaten van het terrein, het dirigeren van aangever om in te stappen in de auto, het gezamenlijk rijden naar een afgelegen plek en iemand op de uitkijk neer te zetten, duiden naar het oordeel van de rechtbank op een vooropgezet plan, waarbij onderlinge afspraken zijn gemaakt omtrent de voorbereiding en uitvoering van het delict. Uit deze handelingen leidt de rechtbank af dat verdachten het plan hebben opgevat om aangever te gaan mishandelen. Hieruit volgt dat verdachte gedurende enige tijd de gelegenheid heeft gehad om zich op zijn voorgenomen daad te beraden, en zich daar rekenschap van te geven.

Dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld, is niet gebleken. Contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan, zijn de rechtbank evenmin gebleken. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande in samenhang bezien kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte samen met anderen de ten laste gelegde zware mishandeling met voorbedachten rade heeft gepleegd.

Feit 2

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd, door hem te dwingen mee te lopen naar de auto en in te stappen om vervolgens met hem van de begraafplaats naar het bos circa 200 meter verderop te rijden waar hij is mishandeld.

Hoewel aangever heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] moest meelopen en moest instappen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat de autorit van circa 200 meter tegen zijn wil, en dus wederrechtelijk, is gebeurd. Het enkele feit dat aangever daarna is mishandeld door de personen in de auto maakt dat niet anders. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Feit 3

Vaststaat dat verdachte op 9 januari 2016 bij [naam 3] op bezoek is geweest in zijn woonwagen op het adres [adres 2] te Den Haag. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij die dag bij [naam 3] in de woonwagen is geweest. Hij heeft ter zitting over het OVC-gesprek gezegd dat het er allemaal in staat. Verder heeft verdachte er niets over willen zeggen. Wel heeft hij ontkend cocaïne te hebben meegenomen.

Uit de opname van vertrouwelijke communicatie (OVC) blijkt dat er tussen verdachte, [naam 3] en [naam 17] wordt gesproken over ‘Poker’, ‘een Audi’, ‘Puma’, ‘J10’ en ‘Technomarie’. Een gedeelte van deze termen, zoals Poker, is bekend als logo’s van cocaïneblokken bij Europol en/of worden teruggevonden in de Europol Cocaine Logo Catalogue 2008. Dat er verder wordt gesproken over het koken van het product en over ammoniak, een lepel, weegschaal, water eruit halen en het op de punt wegen, ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank dat het hier steeds over cocaïne gaat. Uit de gesprekken kan worden afgeleid dat verdachte in de woonwagen van [naam 3] verschillende soorten cocaïne heeft gekookt/getest. Daarnaast wordt een aantal keer gesproken over hoeveelheden: van Audi zijn er 100, Technomarine zijn er 40, van Poker zijn er meer dan 40 en er wordt verschillende malen gesproken over een Poker. De rechtbank leidt af dat het hier gaat om eenheden, kennelijk blokken cocaïne. De verbalisant heeft in het proces-verbaal van de ontmoeting opgeschreven dat het bij deze eenheden hoogstwaarschijnlijk om blokken van 1 kilo cocaïne gaat.

Uit de inhoud van het OVC-gesprek ( [naam 3] : “Dan neem er een mee“. [naam 3] : “Heb je hem in de tas zitten” [verdachte] : “Ja heb ik”) leidt de rechtbank verder af dat verdachte iets heeft meegenomen. Uit de context van het gesprek kan worden afgeleid dat [verdachte] de Poker het beste vindt en dat [naam 3] hem verschillende malen aanbiedt een Poker mee te nemen en dat verdachte dit ook doet. Het gesprek gaat vervolgens verder over de prijzen. [naam 17] zegt tegen verdachte “rij rustig en denk erom de prijs was 25.” [naam 3] zegt dat hij eerlijk tegen ze zegt dat hij ze verkocht heeft voor 27 en hij ze voor 26 heeft. Uit eerdere politieonderzoeken met betrekking tot de handel in verdovende middelen blijkt dat de kiloprijs over het algemeen in een tiental wordt uitgedrukt. Een prijs van bijvoorbeeld

€ 27.000 wordt aangeduid als ’27’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat hetgeen door verdachte is meegenomen een waarde van € 25.000 à € 27.000 vertegenwoordigt. Aangezien de groothandelsprijs van 1 kilogram cocaïne ten tijde van het plegen van het delict, afhankelijk van kwaliteit, aanbod, vraag, beschikbaarheid en hoeveelheid varieerde van € 18.000 en € 35.000, concludeert de rechtbank dat de hiervoor genoemde prijs past bij 1 kilogram cocaïne.

Dat verdachte in een tas een lepel zou hebben meegenomen, zoals de verdediging heeft gesteld, acht de rechtbank mede gelet op het voorgaande, niet geloofwaardig.

De rechtbank acht op basis van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 januari 2016 een kilo cocaïne heeft vervoerd.

Feit 4

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en dat dit vormverzuim er toe moet leiden dat de resultaten van het onderzoek, waaronder de vondst van de cocaïne, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Zij voert hiertoe aan dat er sprake is van een onrechtmatige doorzoeking, aangezien er een machtiging is verleend voor het binnentreden van de woning ter aanhouding van [verdachte] en voor doorzoeking, maar niet voor de inbeslagneming. Verdachte was al aangehouden toen de cocaïne werd aangetroffen. Het doel van de machtiging was dus al bereikt. Daar komt bij dat de doorzoeking en de vondst van de cocaïne volgens de verdediging heeft plaatsgevonden voordat de rechter-commissaris ter plaatse was.

Door de hulpofficier van justitie was een schriftelijke machtiging verstrekt om de woning te betreden voor de aanhouding van [verdachte] en voor doorzoeking. Volgens het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, proces-verbaalnummer 335, is de opsporingsambtenaar op 15 november 2016 omstreeks 5:45 uur binnengetreden in de woning aan de [adres 3] te Oss. Om 6:09 uur werd de doorzoeking door de rechter-commissaris geopend. Uit het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot bevoegdheid binnentreden, proces-verbaalnummer 642, blijkt dat de opsporingsambtenaar de situatie in afwachting van de rechter-commissaris op grond van artikel 96 lid 2 Sv heeft bevroren en de doorzoeking ter inbeslagneming eerst is uitgevoerd in aanwezigheid en onder leiding van de rechter-commissaris.

De rechtbank is van oordeel dat het binnentreden in de woning en de doorzoeking niet onrechtmatig zijn geschied. Met toestemming van de hulpofficier van justitie is de woning binnengetreden. De doorzoeking ter beslagneming is in aanwezigheid en onder leiding van de rechter-commissaris uitgevoerd en dient dan ook als rechtmatig te worden beoordeeld. De rechtbank verwerpt het rechtmatigheidsverweer.

In de schuur behorende bij de woning is in de droger een geseald blok aangetroffen. Na onderzoek bleek het te gaan om 1146 gram cocaïne, inclusief verpakkingsmateriaal.

Uitgangspunt is dat een bewoner bekend wordt verondersteld met wat zich in zijn woning bevindt. Dit uitgangspunt strekt zich uit tot een bij de woning behorende schuur. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, indien de bewoner aannemelijk kan maken dat niet hijzelf maar een ander de feitelijke gebruiker was van de ruimte, en hijzelf hier niet langer toegang tot had. Dat van een dergelijke uitzondering sprake was, is gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat enkel verdachte en zijn partner [naam 4] over een sleutel van de schuur beschikten. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen van feit 3 dat verdachte zich bezig hield met de handel in blokken cocaïne.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte op 15 november 2016 ongeveer 1146 gram aan verdovende middelen opzettelijk voorhanden heeft gehad en komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van feit 4.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte ten aanzien van de feiten 3 en 4 op enig moment nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt. De rechtbank zal hem daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 6 mei 2016 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen, aan

[aangever] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten

* fracturen (o.a. de (rechter)kaakholte en de oogkas(bodem) en de neusbijholte en

het (rechter)jukbeen en het (linker)kuitbeen (ter hoogte van de knie) en

* een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen

heeft toegebracht door deze meermalen met (aanzienlijke/forse) kracht tegen diens hoofd en/of in diens gelaat en/of tegen diens overige lichaamsdelen te schoppen/trappen en/of stompen/slaan;

3.

op 9 januari 2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd,

1 kilogram/blok cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

op 15 november 2016 te Oss, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1146 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

(aangetroffen in een schuur behorende bij de woning van verdachte aan de

[adres 3] in Oss).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt er rekening mee te houden dat het een erg oude zaak betreft. Verdachte heeft al 242 dagen in voorarrest doorgebracht en een hernieuwde gevangenisstraf zou betekenen dat verdachte de sportschool die hij uitbaat, en waarvoor hij zijn uiterste best heeft gedaan om deze ondanks alle negatieve pers en de beperkende maatregelen rond COVID 19 te behouden, alsnog definitief zal moeten sluiten. Bij de aanhouding van verdachte destijds werd de deur van de woning uit haar sponningen geblazen, de ruimte er achter was verband/geschroeid. De pers was uitgenodigd dit spektakel te filmen en het filmpje circuleert tot op de dag van vandaag nog op het internet. Verdachte diende destijds zijn woning samen met partner en kinderen te verlaten. De relatie van verdachte met de moeder van zijn twee kinderen, is mede gelet op de impact van de zaak, beëindigd. De verdediging wijst verder op het feit dat verdachte geen lid meer is van [naam 1] , hij geen noemenswaardig strafblad heeft en hij na 14 juli 2017 niet meer in aanraking is gekomen met justitie en politie. Verdachte heeft zijn leven weer op orde. Hij woont met een nieuwe partner, hij ziet zijn kinderen en de sportschool zorgt voor inkomsten. Het opgebouwde rustige bestaan van verdachte zou volgens de verdediging door een hernieuwde gevangenisstraf geheel teniet worden gedaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zware mishandeling met voorbedachten rade. Het slachtoffer is op een begrafenis door verdachte en de medeverdachten met de auto naar een afgelegen plek gebracht waar hij vervolgens zwaar is mishandeld en buiten bewustzijn is geraakt. Daarna is hij naar de koffietafel van de begrafenis gebracht en werd hem te kennen gegeven dat hij moest zeggen dat hij een motorongeluk had gehad. Hij is daarna nog uren zwaargewond in een auto rondgereden zonder medische hulp in te schakelen. Uiteindelijk is hij bij zijn vriendin afgezet die hem naar het ziekenhuis heeft gebracht.

De rechtbank vindt dit een heel heftig feit. Het slachtoffer heeft als gevolg van de mishandeling diverse breuken opgelopen, waaronder zijn rechterkaakholte, oogkasboom en linkerkuitbeen. Het zeer gewelddadig karakter van het gepleegde feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Daar komt bij dat de rechtbank het moment van de mishandeling, te weten tijdens een begrafenis, respectloos vindt.

Verdachte heeft verder harddrugs vervoerd en in zijn bezit gehad. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid moet aangenomen worden dat deze bestemd was voor de handel. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs, waaronder cocaïne, stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Een aanzienlijk deel van de vermogensdelicten valt te herleiden tot de behoefte aan verdovende middelen bij armlastige gebruikers. Voorts zijn vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot grootschalige drugshandel. Ook brengt de handel in harddrugs mee dat een zwart-geld circuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor het vervoer en het bezit van dergelijke hoeveelheden harddrugs forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Het geldelijk gewin en de winstaspiraties die gepaard gaan met deze strafbare feiten zijn enorm en doorgaans de belangrijkste drijfveer om hieraan deel te nemen.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middelen van schoppen/trappen tegen het hoofd, geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 6 maanden. In deze zaak is strafverzwarend dat sprake is van medeplegen en van voorbedachten rade. Voor het vervoeren van 500-1000 gram harddrugs geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 4 maanden en voor het aanwezig hebben van 1000-1500 gram harddrugs een gevangenisstraf van minimaal 5 maanden.

De rechtbank slaat daarnaast acht op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 17 februari 2021, waaruit blijkt dat hij de afgelopen vier jaar niet in aanraking is geweest met politie en justitie, maar hij in het verleden wel is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

De rechtbank houdt ten slotte ten gunste van verdachte rekening met de ouderdom van de zaak en een forse overschrijding van de redelijke termijn, zoals genoemd in artikel 6 EVRM. Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (NJ 2008, 358), zal er bij de strafmaat rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en de hierna genoemde strafkorting worden toegepast.

Alles afwegend zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, mede nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, de oriëntatiepunten verschillen van de door de officier van justitie in deze zaak gebruikte uitgangspunten en de overschrijding van de redelijke termijn in aanzienlijke mate wordt meegewogen.

Normaal gesproken zou de rechtbank voor onderhavige feiten een gevangenisstraf van in totaal 18 maanden hebben opgelegd. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank nu een gevangenisstraf van 15 maanden passend en geboden. Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 Het beslag

7.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Het bezit van de ‘nephorloges’ is namelijk op grond van artikel 337 lid 1, sub e, van het Wetboek van Strafrecht strafbaar.

7.2

Teruggave

Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave van de op de beslaglijst opgenomen geldbedragen en de motorfiets. De rechtbank merkt hierbij op dat er naast beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ook conservatoir beslag ex artikel 94 a Sv op de geldbedragen rust en dit beslag blijft voortbestaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad;

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod;

feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 5 tot en met 10 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 4.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens, voorzitter, mr. Dekker en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 april 2021.