Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2171

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
02-820601-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade. Samen met drie anderen heeft verdachte aangever tijdens een begrafenis meegenomen naar een bos en hebben zij hem daar zwaar lichamelijk letsel toegebracht, bestaande uit meerdere botbreuken in het aangezicht en een been breuk. Vervolgens is aangever zwaargewond meegenomen naar de koffietafel, om daarna in de avond te worden achtergelaten voor de deur van zijn toenmalige vriendin. Vrijspraak volgt voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarnaast heeft verdachte opzettelijk hoeveelheden harddrugs, te weten amfetamine en cocaïne, voorhanden gehad en bovendien een wapen en munitie. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Hierbij is in grote mate rekening gehouden met de ouderdom van de zaak alsmede de overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820601-16

vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsvrouw: mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22, 24 en 25 maart 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Korver, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 30 april 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met (een) ander(en):

  • -

    op 6 mei 2016 [aangever] al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (feit 1) en wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd (feit 2);

  • -

    op 15 november 2016 18,533 kilogram amfetamine en 2,284 kilogram cocaïne (feit 3) en een wapen, te weten een omgebouwd gaspistool met 10 patronen (feit 4) voorhanden heeft gehad;

  • -

    op 13 januari 2017 55 gram heroïne voorhanden heeft gehad (feit 5).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie komt op basis van het dossier tot een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie is van mening dat verdachte van het onder 5 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat uit het NFI onderzoek blijkt dat het niet heroïne maar paracetamol betreft.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als medeplegers direct betrokken zijn geweest bij de zware mishandeling (feit 1) en de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2). Volgens de officier van justitie zijn de verklaringen van aangever [aangever] , niet alleen uitgebreid maar ook gedetailleerd en – belangrijker nog – op hoofdlijnen consistent. Steeds noemt aangever deze vier namen van leden van [naam 1] als degenen die hem hebben mishandeld. De officier van justitie vindt het van belang dat aangever op dat moment niet wist – en ook niet kon weten – dat er camerabeelden waren waarop te zien is dat precies die vier personen gedurende een ruime twintig minuten afwezig waren bij de plechtigheid. Dit staat volgens de officier van justitie haaks op het scenario van verdachte, dat aangever de gebeurtenissen verzonnen zou hebben, omdat hij gevallen zou zijn met zijn motor. De officier van justitie meent dat de omstandigheid dat alleen aangever de verdachten aanwijst als daders niet aan een bewezenverklaring in de weg hoeft te staan. De verklaringen van aangever worden volgens de officier van justitie ondersteund door de camerabeelden bij het crematorium, waaruit niet alleen is af te leiden dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] samen met [aangever] twintig minuten weg zijn geweest bij de crematiegelegenheid, maar ook de manier waarop er wordt vertrokken, de afstand tot- en de interactie met elkaar, spreekt volgens de officier van justitie boekdelen. De officier van justitie concludeert verder uit de beelden dat er bij aangever geen fysieke beperking te zien is op het moment dat hij lopend uit beeld verdwijnt. Daar komt bij dat de motor van aangever op het moment waarop het letsel moet zijn ontstaan niet van het crematoriumterrein af is geweest, waardoor een ongeluk met zijn motor – én met het zware letsel dat hij daarbij zou hebben opgelopen – volgens hem is uitgesloten. De verklaringen van aangever vinden verder steun in het bij hem vastgestelde letsel, de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , de resultaten van het technisch onderzoek aan de motor waarbij er geen gebreken of omstandigheden zijn geconstateerd die passen bij een verkeersongeluk en het technisch onderzoek aan de Seat Arosa waarbij bloedsporen van aangever zijn aangetroffen alsmede de camerabeelden van het [naam 2] in Schiedam. De officier van justitie betoogt dat de voorbedachten rade inherent is aan de situatie, nu het niet anders kan zijn dan dat verdachte en de medeverdachten hebben gewerkt volgens een tevoren bedacht plan.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 baseert de officier van justitie zich op de observaties, de bevindingen van verbalisanten ten aanzien van het onderzoek aan de aangetroffen sporttas in de woning van [naam 4] , zijnde de ex-vriendin van [verdachte] . Ook neemt de officier van justitie de onderzoeksbevindingen van de Forensische Opsporing ten aanzien van het wapen en de munitie en de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut ten aanzien van de aangetroffen cocaïne en amfetamine in aanmerking. Tot slot vindt hij de verklaring van [verdachte] dat hij deze verboden goederen vanuit het huis van zijn neef naar de woning van [naam 4] heeft gebracht van belang.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van aangever over de mishandeling onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Aangever is een fantast, die maar wat roept, liegt en steeds wisselend verklaart. Daar komt bij dat zijn verklaringen ook nog eens worden gestuurd door de verhorend verbalisanten die verkokerd naar het dossier kijken en allerlei aannames doen en conclusies trekken. Aangever wordt tijdens de verhoren telkens gevoed met informatie en stelt dan zijn verklaringen bij. Er kan niet worden vastgesteld op welke plek aangever is mishandeld. Ook de verklaringen van aangever over zijn letsel zijn ongeloofwaardig en komen niet overeen met wat de artsen constateren. Hierdoor kan een andere toedracht dan een mishandeling niet worden uitgesloten. Aangezien het crematoriumterrein op meerdere plaatsen, buiten het zicht van de camera, kon worden verlaten, hebben de conclusies gebaseerd op de camerabeelden volgens de verdediging nauwelijks of geen (bewijs)waarde. De verdediging is van mening dat er geen ondersteunend bewijs is voor de verklaringen en beschuldigingen van aangever en een val met de motor kan niet worden uitgesloten. Verdachte dient ook te worden vrijgesproken van de voorbedachten rade. Deze is namelijk gebaseerd op de contacten en gesprekken die hebben plaatsgevonden, terwijl deze voornamelijk gingen over het ordentelijk laten verlopen van de begrafenis. Buiten de verklaring van aangever blijkt nergens uit dat hij wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd of beroofd is gehouden, zodat verdachte volgens de verdediging ook van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

De verdediging betoogt ten aanzien van de feiten 3 en 4 dat er sprake is van een vormverzuim, omdat er doelbewust een proces-verbaal is aangepast om de juiste gang van zaken te maskeren. De verdediging wijst daarbij op het feit dat de machtiging die op 14 november 2016 is ondertekend en verstrekt, op 15 november 2016 is aangevuld. Hierdoor is de waarheidsvinding belemmerd en het recht van verdachte op een eerlijk proces tekort gedaan, hetgeen volgens de verdediging dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs en vrijspraak van de feiten 3 en 4. De verdediging merkt ten aanzien van de feiten 3 en 4 verder op dat de spullen niet van verdachte waren, maar van zijn neef. Het ging om een omgebouwd gaspistool en patronen die niet met dit wapen verschoten konden worden. De verdediging verzoekt verdachte ook van feit 5 vrij te spreken, aangezien uit onderzoek volgt dat hetgeen is aangetroffen geen heroïne maar paracetamol blijkt te zijn. Bovendien is verdachte nooit in de schuur geweest waar het middel is aangetroffen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Op 9 mei 2016 kwam er bij de politie een telefonische melding binnen van een persoon genaamd [aangever] . Hij gaf aan dat hij in het [naam 2] in Schiedam lag met botbreuken naar aanleiding van een mishandeling binnen motorclub [naam 1] .

Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage blijkt dat [aangever] op 10 mei 2016 aangifte heeft gedaan van zware mishandeling gepleegd op 6 mei 2016 in de bossen in de omgeving van Bergen op Zoom. Aangever verklaarde dat hij op de begrafenis van de vader van [naam 5] aanwezig was. Daar werd hij door [verdachte] ([verdachte]) gevraagd om mee te lopen naar een auto en moest hij instappen. In de auto zaten verder ‘ [bijnaam] ’, [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] . Ze reden door een bos een zandpad op. Daar moest hij uitstappen en meelopen. Alle inzittenden van de auto liepen ook mee. Hij hoorde dat [medeverdachte 1] tegen ‘ [bijnaam] ’ zei dat hij moest uitkijken of er mensen aankwamen. ‘ [bijnaam] ’ stond op ongeveer 25 meter bij hem vandaan. De andere personen liepen in een kringetje om hem heen. Vervolgens werd hij tegen zijn lijf en hoofd geschopt en geslagen. Hij is een tijd bewusteloos geweest. Hij voelde dat hij niet meer kon lopen. Hij werd enige tijd later in zalencentrum [naam 6] neergezet. Op 8 mei 2016 kreeg hij in het ziekenhuis visite van een aantal leden van de [naam 7] . ‘ [bijnaam] ’ zei tegen hem dat hij moest voordoen alsof hij een ongeluk met de motor had gehad.

In aanvulling hierop verklaarde aangever op 23 mei 2016 dat [medeverdachte 2] hem in het bos van achter vast hield. Op het moment dat er een ouder stel voorbij was gelopen stak [verdachte] twee vingers in de lucht. Hierna werd hij geschopt en geslagen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangever onbetrouwbaar zijn, omdat hij onder meer steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat de politie daarbij sturend te werk is gegaan, zodat deze verklaringen niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

De rechtbank stelt vast dat aangever in een tijdsbestek van bijna drie jaar veelvuldig is gehoord en hij uitgebreide en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd. Ook de rechtbank constateert dat aangever op onderdelen tegenstrijdige en wisselende verklaringen heeft afgelegd en zij heeft de verklaringen van aangever dan ook met de nodige behoedzaamheid bekeken. De rechtbank stelt echter vast dat de verklaringen van aangever op hoofdlijnen hetzelfde zijn gebleven en dat verschillende essentiële onderdelen, ook op detailniveau, worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen.

Zo laten de camerabeelden van het toegangshek bij de ingang van het crematorium [naam 3] te Bergen op Zoom zien dat de door aangever genoemde personen op 6 mei 2016 iets vóór 13:00 uur het beeld uit lopen en ruim twintig minuten later pas weer in beeld verschijnen. Om 12.51.22 lopen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] linksaf de Gareelweg op. [verdachte] en aangever lopen om 12.52.51 uur samen over de Mastendreef, komend uit de richting van de Holleweg en gaan ook in de richting van de Gareelweg. De verklaring van aangever dat hij door [verdachte] werd aangesproken om mee te lopen komt dan ook naadloos overeen met hetgeen te zien is op de beelden. Dit terwijl aangever op het moment dat hij hierover verklaarde nog niet wist dat er camerabeelden zouden zijn waarop dat te zien zou zijn. Aangever keert, nadat hij met [verdachte] uit beeld verdwijnt, niet meer terug op de camerabeelden, terwijl zijn motor geparkeerd staat op de Gareelweg. Dit sluit volledig aan bij het feit dat aangever na de mishandeling is weggebracht. Dat wordt bevestigd door twee onafhankelijke getuigen. Getuige [getuige 1] , werkzaam in zalencentrum [naam 6] , verklaarde dat er op 6 mei 2016 een man ondersteund door twee anderen werd binnengedragen. Zij zag dat hij niet meer zelf kon lopen en bloed in zijn gezicht had, aan zijn neus ter hoogte van zijn oog. Zij hoorde in de gang dat de man met de motor was gevallen. Zij vond dat vreemd omdat de kleding van de man nog heel was. Ook getuige [getuige 2] , de eigenaar van zalencentrum [naam 6] , heeft gezien dat er op 6 mei 2016 een man binnen was gekomen, die zelf niet meer op zijn benen kon staan. Hij werd ondersteund door andere mensen.

Aangever heeft verder verklaard dat [verdachte] tegen de security van Eindhoven zei dat hij hem weg moest brengen. Ze zijn vervolgens met een zwarte Seat, type Erossa (de rechtbank begrijpt: Arosa) met aangever naar het clubhuis van Eindhoven zijn gereden. Onderweg ging de auto stuk en zijn zij overgestapt op een wit bestelbusje van de president van Eindhoven. Het betrof het busje van de bierwacht. De eigenaar van het restaurant waar zij onderweg stopten kwam op de parkeerplaats naar aangever toegelopen en vroeg wat er gebeurd was. Hij had gezegd dat hij was gevallen met de motor. Ook deze onderdelen van de verklaringen worden door objectieve bewijsmiddelen ondersteund.

Uit onderzoek is gebleken dat bij de uitvaart van de vader van [naam 5] een zwarte Seat Arosa, voorzien van kenteken [kenteken] is gezien. Het kenteken stond op naam van [naam 8] , een lid van motorclub [naam 1] , [naam 9] . Deze auto is later in beslag genomen. Op de autogordel van de passagierszijde werden bloedsporen aangetroffen, die bleken te matchen met het DNA-profiel van aangever. Verder bleek uit onderzoek dat de president van het [naam 10] , [naam 11] rijdt in een Renault Kangoo, met de belettering ‘ [naam 12] ’.

Getuige [getuige 3] , eigenaar van [naam 13] , gevestigd te Valkenswaard verklaarde in december 2016 dat hij zich kon herinneren dat hij ruim en half jaar geleden een persoon had aangesproken die een blauw oog had en een bebloed gezicht. Hij had de man gevraagd wat hij had gedaan. Die man had gezegd dat hij met zijn motor tegen een boom was gereden waarop getuige had gezegd dat het niet door een ongeluk was gekomen. Het was die dag mooi weer geweest en er zaten ook een paar leden van motorclub [naam 1] op zijn terras.

Ook de verklaring van aangever dat hij op 8 mei 2016 omstreeks 17:30 uur in het [naam 2] te Schiedam werd bezocht door een aantal leden van [naam 7] , waaronder [bijnaam] en sloper [naam 14] ([naam 14]) en de president en vicepresident van [naam 1] , [naam 15] , wordt ondersteund door camerabeelden. Uit onderzoek naar de camerabeelden van het [naam 2] bleek dat er op 8 mei 2016 omstreeks 17:14 uur een groep van vijf personen richting het ziekenhuis liep, waarvan er drie gekleed waren in hesjes van [naam 1] .

Getuige nummer [nummer] , werkzaam op de afdeling Chirurgie in het [naam 2] in Schiedam, verklaarde dat aangever bont en blauw was toen hij binnen kwam en dat hij vertelde dat hij in een hinderlaag was gelopen en in elkaar was geslagen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank de delen van de verklaringen van aangever, zoals opgenomen in de bewijsbijlage, betrouwbaar nu aangever met betrekking tot deze essentiële punten consistent en gedetailleerd heeft verklaard en de aangifte op deze onderdelen wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen.

Dit is anders voor de het onderdeel van de verklaring van aangever dat [medeverdachte 3] als vierde persoon betrokken is geweest bij de mishandeling. De rechtbank merkt hierbij op dat aangever eerst heel stellig en consequent heeft gezegd dat hij met ‘ [bijnaam] ’ [naam 16] bedoelt en voorts dat hij niet zelfstandig met de naam van [medeverdachte 3] is gekomen. Pas toen de politie naar aanleiding van de camerabeelden aangaf dat het niet [naam 16] kon zijn geweest, maar mogelijk [medeverdachte 3] betrof, is aangever met deze naam gekomen. De rechtbank gaat er wel van uit dat er een vierde persoon bij betrokken is geweest, maar dat niet met zekerheid kan worden gezegd wie die vierde persoon was.

Toedracht en letsel

De rechtbank constateert dat het opgelopen letsel van aangever past bij zijn verklaring dat hij meerdere malen tegen zijn hoofd en lijf is geschopt en geslagen.

Uit de medische informatie blijkt dat er bij aangever sprake was van een bloeduitstorting rondom zijn rechteroog, een gezwollen linkerbeen door een bloeduitstorting en dat zijn rechter kaakholte op twee plekken gebroken was. Ook was zijn oogkasbodem gebroken en zijn sleutelbeen uit de kom. De forensische arts constateerde tevens dat er sprake was van een dwarse breuk aan het linkerkuitbeen ter hoogte van de knie en een verbreding van de gewrichtsspleet tussen het sleutelbeen en de schouder rechts. De waargenomen breuken en weke delenzwellingen in het aangezicht en ter hoogte van de linkerknie zijn volgens de arts passend bij meerdere botsende geweldinwerkingen op het gelaat en tenminste één botsende geweldinwerking zijwaarts op de knie. De arts merkt hierbij op dat de breuken en de meeste weke delenzwellingen in het gelaat zich op locaties bevinden die door de meeste motorhelmen worden afgedekt.

De verdediging heeft betoogd dat aangever het letsel kan hebben opgelopen door een motorongeluk. Die stelling is echter niet nader onderbouwd. Allereerst valt niet in te zien waarom aangever de mishandeling zou verzinnen en specifiek de namen van deze personen zou noemen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de mishandeling in ieder geval moet hebben plaats gevonden tussen circa 13:00 en 15:00 uur. Uit de camerabeelden is af te leiden dat aangever om 12:52.51 uur samen met [verdachte] , lopend - zonder letsel – uit het beeld verdwijnt. Bij onderzoek van de gsm van aangever werd een selfie aangetroffen met daarop het hem toegebrachte letsel in zijn gelaat. Deze bleek te zijn gemaakt op 6 mei 2016 om 15:09.40 uur. In de tussenliggende periode is aangever gewond naar de aula van zalencentrum [naam 6] gebracht. Getuigen geven immers aan dat hij in de aula gewond werd binnengebracht. De rechtbank overweegt ook dat er honderden personen bij de begrafenis aanwezig zijn geweest, maar er desondanks niemand een motorongeluk heeft zien gebeuren waar aangever bij betrokken zou zijn geweest. Ook betrekt de rechtbank hierbij het feit dat de motorfiets, merk Suzuki, van aangever is onderzocht. Daarbij werden wel beschadigingen geconstateerd aan de rechterzijde van de motor maar geen gebreken die passen bij een verkeersongeval. Er zijn geen slijtplekken op de banden geconstateerd die passen bij een noodstop of schuiven over een wegdek en enige details met betrekking tot het ongeluk, onder meer over de toedracht of locatie danwel dat er medische hulp is ingeschakeld, zijn niet gegeven.

Het geschetste scenario wordt door de rechtbank dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. De rechtbank concludeert dat er sprake is geweest van zodanig uitgeoefend geweld dat aangever daardoor -het genoemde letsel heeft opgelopen. De rechtbank overweegt hierbij dat het letsel van aangever zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 303 Wetboek van Strafrecht.

Medeplegen

Zoals hiervoor is overwogen acht de rechtbank de verklaringen van aangever betrouwbaar en is er ook voldoende ondersteunend bewijs. Op grond van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat aangever door [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en nog een vierde persoon op 6 mei 2016 in het bos zwaar is mishandeld. De verklaring van verdachte dat hij die dag druk was met het regelen van de begrafenis en dat hij daarom het terrein even heeft verlaten, acht de rechtbank gelet op het vorenstaande dan ook onaannemelijk.

De vraag die de rechtbank voorts dient te beantwoorden is of verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het toebrengen van het letsel aan aangever.

De officier van justitie heeft ervoor gekozen om onder feit 1 het medeplegen ten laste te leggen. De rechtbank stelt in dat kader voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905). De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat er met betrekking tot de mishandeling sprake is geweest van een logistieke voorbereiding en een gezamenlijke uitvoering. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben vlak na elkaar het terrein verlaten. [verdachte] heeft aangever meegenomen naar de auto. In die auto zaten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en nog een persoon die aangever heeft aangeduid als “ [bijnaam] ”. Zij reden samen naar een afgelegen plek in het bos. Daar aangekomen zei [medeverdachte 1] tegen “ [bijnaam] ” dat hij op de uitkijk moest staan. De anderen liepen in een kringetje om aangever heen. [medeverdachte 2] pakte hem vervolgens van achteren vast. Op het moment dat een ouder stel voorbij kwam, werd gewacht tot de kust veilig was. Dit werd duidelijk gemaakt doordat [verdachte] twee vingers in de lucht stak. Daarna werd aangever mishandeld en raakte hij buiten bewustzijn. Tijdens deze mishandeling heeft aangever het letsel opgelopen zoals hiervoor verwoord.

Aangever heeft wisselend verklaard over wie hem de eerste klap heeft gegeven. Daarnaast weet hij zich van de mishandeling maar weinig te herinneren nu hij buiten bewustzijn is geraakt.

De rechtbank kan daardoor niet precies vaststellen wie welke geweldshandeling heeft verricht en wie het letsel heeft toegebracht. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet noodzakelijk om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de zware mishandeling te kunnen komen. Bij medeplegen ligt het accent namelijk op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Uit het handelen van verdachte en zijn mededaders blijkt dat zij een plan hadden en dat zij allemaal een zodanige significante en wezenlijke bijdrage aan het tenlastegelegde feit hebben geleverd dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en een vierde persoon en aldus van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR 28 februari 2012, NJ 2012/518). Daarbij vormt, aldus de Hoge Raad, de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar hoeft dit de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De gedragingen van verdachte en de mededaders voorafgaand aan de geweldpleging, zoals het vlak na elkaar verlaten van het terrein, het dirigeren van aangever om in te stappen in de auto, het gezamenlijk rijden naar een afgelegen plek en iemand op de uitkijk neer te zetten, duiden naar het oordeel van de rechtbank op een vooropgezet plan, waarbij onderlinge afspraken zijn gemaakt omtrent de voorbereiding en uitvoering van het delict. Uit deze handelingen leidt de rechtbank af dat verdachten het plan hebben opgevat om aangever te gaan mishandelen. Hieruit volgt dat verdachte gedurende enige tijd de gelegenheid heeft gehad om zich op zijn voorgenomen daad te beraden, en zich daar rekenschap van te geven.

Dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld, is niet gebleken. Contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan, zijn de rechtbank evenmin gebleken. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande in samenhang bezien kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte samen met anderen de ten laste gelegde zware mishandeling met voorbedachten rade heeft gepleegd.

Feit 2

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd, door hem te dwingen mee te lopen naar de auto en in te stappen om vervolgens met hem van de begraafplaats naar het bos circa 200 meter verderop te rijden waar hij is mishandeld.

Hoewel aangever heeft verklaard dat hij van [verdachte] moest meelopen en moest instappen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat de autorit van circa 200 meter tegen zijn wil, en dus wederrechtelijk, is gebeurd. Het enkele feit dat aangever daarna is mishandeld door de personen in de auto maakt dat niet anders. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Feit 3 en feit 4

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en dat dit vormverzuim er toe moet leiden dat de resultaten van het onderzoek moeten worden uitgesloten van het bewijs. Zij voert hiertoe aan dat de machtiging tot binnentreden op 14 november 2016 is opgesteld en dat er op die dag geen enkele relatie, althans niet bij politie en openbaar ministerie, bekend was tussen het adres aan de [adres 2] en verdachte en deze machtiging in strijd met de dagtekening op 15 november 2016 is aangevuld voor de inbeslagneming van een grote zwarte tas.

De rechtbank stelt het volgende vast. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben een proces-verbaal onderzoek in woning en ontstaan nieuwe verdenkingen, gedateerd 23 november 2016, opgemaakt, waarin zij de gang van zaken beschrijven. In dit proces-verbaal vermelden de verbalisanten dat uit onderzoek is gebleken dat het GBA-adres van verdachte [verdachte] tevens het woonadres was van zijn ouders en dat het vermoeden bestond dat hij mogelijk ook nog andere verblijfplaatsen had. Daarom werden meerdere bevelen ex artikel 126m Sv verstrekt om de overige verblijfplaatsen vast te stellen om tot aanhouding en doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris over te gaan. Tevens werd op dinsdag 15 november 2016 getracht door de inzet van een observatieteam van de politie de woon- of verblijfplaats van verdachte te achterhalen. Op 15 november 2016 te 9:30 uur heeft verbalisant [verbalisant 2] de woning van de ouders van [verdachte] aan de [adres 1] te Nieuwerkerk aan den IJssel doorzocht, maar [verdachte] daar niet aangetroffen. Door het observatieteam werd om 11:10 uur gezien dat [verdachte] parkeerde aan de [adres 2] ter hoogte van nummer [adres 2] te Capelle aan den IJssel. Gezien werd dat hij aanbelde, weer terug liep naar zijn auto en uit de achterklap een antracietkleurige tas met lang hengsel pakte en de woning binnen ging.

Na overleg met de officier van justitie werd omstreeks 16:10 uur besloten de woning aan de [adres 2] te doorzoeken ter aanhouding van [verdachte] , alsmede ter inbeslagneming van de grote zwarte tas.

Voor het binnentreden in de genoemde woning had verbalisant [verbalisant 1] op maandag 14 november 2016 voor verbalisant [verbalisant 2] een machtiging uitgeschreven voor de aanhouding van [verdachte] en de doorzoeking van de woningen [adres 1] te Nieuwerkerk aan den IJssel en [adres 2] te Capelle aan den IJssel een en ander afhankelijk van de bevindingen uit het onderzoek waaruit zou blijken in welke woning [verdachte] zou verblijven. Deze machtiging heeft [verbalisant 1] aangevuld voor de inbeslagneming van een grote tas. Omstreeks 17:10 uur belden verbalisanten aan en deed bewoonster [naam 4] open. Zij stond samen met haar dochter, welke tevens de dochter is van [verdachte] , op dit adres ingeschreven. Nadat zij haar mededeelden dat zij haar woning ter aanhouding van [verdachte] wilden doorzoeken, gaf zij aan dat zij hier geen bezwaar tegen had en aan alles volledig wilde meewerken. [verbalisant 1] zag op de benedenverdieping, achter een luik, een grote zwarte tas liggen. Hierop werd de situatie bevroren. Verbalisant [verbalisant 2] deelde aan [naam 4] mede dat zij contact op zou nemen met de officier van justitie om een doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris te laten verrichten. [naam 4] werd nogmaals nadrukkelijk op haar rechten gewezen. Zij gaf aan dat zij geen enkel bezwaar had tegen het feit dat haar woning werd doorzocht. Bij de doorzoeking ter aanhouding werd [verdachte] niet aangetroffen. Alvorens over te gaan tot een doorzoeking ter inbeslagneming werd [naam 4] als verdachte gehoord.

De rechtbank stelt voorop dat mevrouw [naam 4] , de bewoonster van de [adres 2] te Capelle aan den IJssel, tot tweemaal toe nadrukkelijk toestemming heeft gegeven om haar woning te doorzoeken. In zoverre kan niet worden gesproken over een onrechtmatige zoeking. Daar komt bij dat het gaat om haar woning en niet de woning van verdachte, zodat een eventuele onrechtmatigheid hem ook niet zou hebben geraakt.

De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat door de verbalisanten is gerommeld met de machtiging en dat dat dermate kwalijk en in strijd met de beginselen van de goede procesorde is, dat bewijsuitsluiting zou moeten volgen. De rechtbank overweegt in dat verband dat in het proces-verbaal uitvoerig het verloop is uiteengezet en dat ook is uitgelegd waarom er niet alleen voor het adres [adres 1] , maar ook voor het adres aan de [adres 2] een machtiging werd uitgeschreven. Anders dan de verdediging stelt was, zoals uit het voorgaande blijkt, op 14 november 2016 het adres [adres 2] in beeld als mogelijke locatie ter aanhouding en doorzoeking. Verder is in het proces-verbaal nadrukkelijk benoemd dat de machtiging van 14 november 2016 is aangevuld met de inbeslagneming ‘van een grote tas’. Niet kan dus worden gezegd dat de verbalisanten hebben getracht om hier “stiekem” nog iets aan de machtiging toe te voegen. De rechtbank ziet in de wijze waarop deze machtiging tot stand is gekomen dan ook geen reden om tot

bewijsuitsluiting over te gaan.

Nu verdachte van de enkele toevoeging aan de reeds bestaande en afgegeven machtiging tot binnentreden en doorzoeking aan de [adres 2] , niet enig nadeel heeft ondervonden of daadwerkelijk is getroffen in enig verdedigingsbelang, kan niet worden gezegd dat geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank gaat aan dit verweer van de verdediging dan ook voorbij.

De rechtbank acht op basis van de in de bewijsbijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat op 15 november 2016 in de sporttas in de woning aan de [adres 2] te Capelle verdovende middelen zijn aangetroffen.

Het betreft in totaal 18.530 kilogram amfetamine (pasta en poeder) inclusief verpakkingsmateriaal en 2.307 kilogram cocaïne inclusief verpakkingsmateriaal. Nu de rechtbank niet meer bewezen kan verklaren dan ten laste is gelegd zal de rechtbank de hoeveelheid cocaïne beperken tot 2.284 kilogram.

Gaspistool en patronen

In de sporttas werd verder een pistool en tien stuks munitie 6.35 met patroonhouder aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat de verboden spullen van zijn neef waren en dat hij ze in paniek in een sporttas heeft gedaan en naar de woning van zijn ex-partner aan de [adres 2] te Capelle aan den IJssel heeft gebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte niet alleen de wetenschap had van, maar ook de beschikkingsmacht had over de spullen.

De rechtbank wordt in deze visie gesterkt door de inhoud van het in de bijlage genoemde OVC-gesprek, waarin verdachte zegt dat hij net spullen had binnen gekregen, alles in een grote sporttas heeft gedaan en de tas bij zijn ex heeft afgegeven. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dit gesprek heeft gevoerd en dit gesprek ging over de spullen die hij bij zijn ex had neergezet.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte de verdovende middelen, het wapen en de munitie opzettelijk voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte ten aanzien van deze feiten op enig moment nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt. De rechtbank zal hem daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Feit 5

De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, aangezien uit het rapport van het NFI volgt dat het aangetroffen materiaal geen heroïne, maar waarschijnlijk paracetamol, bevat.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 6 mei 2016 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen, aan

[aangever] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten

* fracturen (o.a. de rechter kaakholte en de oogkasbodem en de neusbijholte en het rechterjukbeen en het linkerkuitbeen (ter hoogte van de knie) en

* een ontwrichting ter hoogte van het sleutelbeen

heeft toegebracht door deze meermalen met (aanzienlijke/forse) kracht tegen diens hoofd en/of in diens gelaat en tegen diens overige lichaamsdelen te schoppen/trappen en/of stompen/slaan;

3.

op 15 november 2016 te Capelle aan den IJssel opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres 2] )

* ongeveer 18,530 kg amfetamine, althans een (grote) hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine en

* 2,284 kg cocaïne

zijnde amfetamine en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

op 15 november 2016 te Capelle aan den IJssel, een wapen van categorie III, te weten een (omgebouwd) (gas)pistool (merk Ekol, type Tisa Sport, kaliber 8mm PAK) en munitie van categorie III, te weten 10 patronen (merk Geco, kaliber 6.35mm) voorhanden heeft

gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de eis van de officier van justitie veel te hoog is en verzoekt om rekening te houden met de ouderdom van de zaak, de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat verdachte niet heeft gehandeld in verdovende middelen, maar slechts in paniek een tas met spullen heeft verplaatst. Verdachte heeft de zorg voor drie kleine kinderen, hij heeft een vaste baan voor 40 uren per week bij [naam 17] en heeft gebroken met zijn verleden en de motorclub. Verder heeft verdachte zich altijd netjes gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Er dient rekening mee te worden gehouden dat per 1 mei 2021 de nieuwe VI-regeling ingaat, die qua faseren en VI heel ongunstig voor verdachte uitpakt, hetgeen volgens de verdediging dan ook moet worden verdisconteerd in de straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zware mishandeling met voorbedachten rade. Het slachtoffer is op een begrafenis door verdachte en de medeverdachten met de auto naar een afgelegen plek gebracht waar hij vervolgens zwaar is mishandeld en buiten bewustzijn is geraakt. Daarna is hij naar de koffietafel van de begrafenis gebracht en werd hem te kennen gegeven dat hij moest zeggen dat hij een motorongeluk had gehad. Hij is daarna nog uren zwaargewond in een auto rondgereden zonder medische hulp in te schakelen. Uiteindelijk is hij bij zijn vriendin afgezet die hem naar het ziekenhuis heeft gebracht.

De rechtbank vindt dit een heel heftig feit. Het slachtoffer heeft als gevolg van de mishandeling diverse breuken opgelopen, waaronder zijn rechterkaakholte, oogkasboom en linkerkuitbeen. Het zeer gewelddadig karakter van het gepleegde feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Daar komt bij dat de rechtbank het moment van de mishandeling, te weten tijdens een begrafenis, respectloos vindt.

Verdachte heeft verder een grote hoeveelheid harddrugs (cocaïne en amfetamine) in zijn bezit gehad. Het bezit van een dergelijke omvang drugs acht de rechtbank een ernstig feit. Harddrugs, waaronder cocaïne en amfetamine, bevatten immers stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs

schade en overlast voor de samenleving. Een aanzienlijk deel van de vermogensdelicten valt te herleiden tot de behoefte aan verdovende middelen bij armlastige gebruikers. Voorts zijn vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot grootschalige drugshandel. Ook brengt de handel in harddrugs mee dat een zwart-geld circuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor het bezit van dergelijke grote hoeveelheden harddrugs lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Het geldelijk gewin en de winstaspiraties die gepaard gaan met deze strafbare feiten zijn enorm en doorgaans de belangrijkste drijfveer om hieraan deel te nemen.

Voorts heeft verdachte een naar scherpschietend vuurwapen omgebouwd gaspistool en tien patronen – die echter niet met dit wapen verschoten konden worden – aanwezig gehad. Dit levert een zeer ernstig gevaar op voor de veiligheid van de samenleving, hetgeen de rechtbank verdacht kwalijk neemt.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middelen van schoppen/trappen tegen het hoofd, geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 6 maanden. In deze zaak is strafverzwarend dat sprake is van medeplegen en van voorbedachten rade. Het aanwezig hebben van meer dan 20.000 gram harddrugs, heeft als uitgangspunt een gevangenisstraf van minimaal 36 maanden en ook op het voorhanden hebben van een vuurwapen staan enkele maanden gevangenisstraf.

De rechtbank slaat daarnaast acht op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 17 februari 2021, waaruit blijkt dat hij de afgelopen vier jaar niet in aanraking is geweest met politie en justitie, maar hij in het verleden wel is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet in zowel Nederland, als ook in België en Hongarije.

De rechtbank houdt ten slotte ten gunste van verdachte rekening met de ouderdom van de zaak en een forse overschrijding van de redelijke termijn, zoals genoemd in artikel 6 EVRM. Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (NJ 2008, 358), zal er bij de strafmaat rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar.

Alles afwegend zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd mede nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, de oriëntatiepunten verschillen van de door de officier van justitie in deze zaak gebruikte uitgangspunten en de overschrijding van de redelijke termijn in aanzienlijk mate wordt meegewogen. Normaal gesproken zou de rechtbank voor onderhavige feiten een gevangenisstraf van in totaal 40 maanden hebben opgelegd. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank nu een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden. Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 5 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod;

feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van de

categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens, voorzitter, mr. Dekker en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 april 2021.