Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2129

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
02-058865-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Vrijspraak van diefstal van een grote hoeveelheid babyvoeding/melkpoeder. Wel een bewezenverklaring voor wat betreft opzetheling van die hoeveelheid. Oplegging van een gevangenisstraf van enkele maanden had normaal gesproken in de rede gelegen, maar wegens schending van de redelijke termijn en met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, volstaat de rechtbank met oplegging van een werkstraf van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/058865-18

vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]

wonende te [geboorteplaats]

raadsman mr. B. Kurvers, advocaat te ‘s-Hertogenbosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Nieuwenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met één of meer personen een grote hoeveelheid potten babyvoeding/melkpoeder heeft gestolen dan wel dat hij zich samen met één of meer personen schuldig heeft gemaakt aan de heling van die grote hoeveelheid potten babyvoeding/melkpoeder.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat voor een bewezenverklaring van de diefstal van een hoeveelheid babyvoeding/melkpoeder. Wel acht hij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde opzetheling van die hoeveelheid babyvoeding/melkpoeder.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de diefstal en de opzetheling. Ten aanzien van de schuldheling volgt de verdediging het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt vast dat er op 15 januari 2018 een diefstal van een grote hoeveelheid babyvoeding/melkpoeder heeft plaatsgevonden in Katwijk. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er in het dossier geen feiten en omstandigheden naar voren komen die erop wijzen dat verdachte mogelijk betrokken is geweest bij voornoemde diefstal. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd en zal hem hier dan ook van vrijspreken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit overweegt de rechtbank dat vaststaat dat verdachte in de tenlastegelegde periode een hoeveelheid van 5.662 gestolen potten babyvoeding/melkpoeder van het merk [merk 2] / [merk 1] voorhanden heeft gehad. Die potten bleken – per 6 verpakt in kartonnen dozen voorzien van Chinese tekens en met de aanduiding [naam 3] – vrijwel de gehele schuur bij de woning te vullen. Verdachte heeft op de vraag hoe het komt dat de gehele schuur vol stond met babyvoeding, tegen verbalisant [verbalisant] gezegd dat hij die heeft opgeslagen voor een vriend en dat die de vrachtbrieven zou hebben. Dat verdachte niet geweten zou hebben dat deze goederen van diefstal afkomstig waren, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Gelet op de omstandigheden waaronder de goederen onder verdachte zijn aangetroffen en in aanmerking genomen dat verdachte zijn stelling dat er sprake zou zijn van vrachtbrieven op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Ter zitting heeft verdachte ook erkend dat hij had moeten weten dat de goederen van een misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 15 januari 2018 tot en met 5 februari 2018 te Waalwijk goederen, te weten 5.662 potten babyvoeding/melkpoeder (merk [merk 2] / [merk 1] ) voorhanden heeft gehad,

terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de verdediging verzocht de financiële waarde van de aangetroffen goederen mee te wegen. Dit zou volgens de verdediging ongeveer een waarde van € 34.000,- zijn geweest en dus minder dan waarvan de officier van justitie is uitgegaan. Ook dient meegewogen te worden dat sprake is van schending van de redelijke termijn. Gelet hierop en op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, dient de gevorderde werkstraf flink gematigd te worden en zou daarbij een deels voorwaardelijke werkstraf overwogen moeten worden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een flinke hoeveelheid babyvoeding/melkpoeder. Deze hoeveelheid was de helft van wat er in totaal aan babyvoeding/melkpoeder is weggenomen, terwijl deze klaarstond voor vervoer. Op enig moment is de helft daarvan in een schuurtje van verdachte opgeslagen. Heling is een zeer ergerlijk feit, aangezien met dit soort feiten de onderliggende criminaliteit (in dit geval dus de diefstal) wordt ondersteund en in stand wordt gehouden.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Weliswaar staan daar veroordelingen betreffende vermogensdelicten op, maar die zijn al van wat oudere data en daarom zal de rechtbank dit in beperkte mate als strafverzwarend meewegen.

De rechtbank houdt bovendien rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Verdachten hebben op grond van artikel 6, eerste lid van het EVRM recht op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, te weten in beginsel twee jaar nadat de termijn een aanvang heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat die termijn in onderhavig geval is gaan lopen op 5 februari 2018, te weten de dag waarop verdachte in verzekering werd gesteld. De zaak werd voor het eerst op 20 augustus 2018 op een politierechterzitting aangebracht, maar werd vervolgens ingetrokken. Sinds die datum is er niets meer gebeurd met de zaak en is de zaak pas op 15 april 2021 weer op zitting aangebracht. Uit het vorenstaande volgt dat op de datum van dit vonnis ruim drie jaar en twee maanden zijn verstreken sinds 5 februari 2018. Deze vertraging is niet aan verdachte te wijten. Dit betekent dat er in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim één jaar en twee maanden.

Was er geen schending van de redelijke termijn geweest, dan had oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden in de rede gelegen. Gelet echter op de schending van de redelijke termijn en op de gevolgen die deze zaak voor het bedrijf en daarmee ook voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft gehad en de omstandigheid dat het opleggen van een gevangenisstraf nu wederom grote gevolgen kan hebben voor het bedrijf dat verdachte nu voert, zal de rechtbank geen gevangenisstraf opleggen. Ook zal zij de eis van de officier van justitie aanzienlijk matigen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat volstaan kan worden met de oplegging van een werkstraf van 120 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder het primaire tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: Opzetheling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Broeders, voorzitter, mr. Janssen en mr. Ides Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 april 2021.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

hij, op of omstreeks 15 januari 2018 te Katwijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een oplegger (gekentekend [kenteken] ) en/of een container (gevuld met

11.340, althans een grote hoeveelheid pot(ten) babyvoeding/melkpoeder

(merk [merk 2] / [merk 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te

weten aan [naam 1] en/of [naam 2]

en/of [naam 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij, in of omstreeks de perode van 15 januari 2018 tot en met 05 februari

2018 te Katwijk en/of Waalwijk, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere

goed(eren), te weten 11.340 of 5.662, althans een grote hoeveelheid pot(ten)

babyvoeding/melkpoeder (merk [merk 2] / [merk 1] ) heeft verworven,

voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018030154 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 93.

Het proces-verbaal van aangifte door [naam 4] namens [naam 2] , pagina 7 en 8 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 15 januari 2018 werd ik omstreeks 20.25 uur gebeld door een teamleider van [naam 2] . De heer [naam 5] vertelde mij dat er bij ons bedrijf gevestigd aan de [adres 1] te Katwijk een oplegger was gestolen. In deze oplegger zat een lading met babyvoeding.

Dit betreft [merk 1] artikelnummer:0629981, stage 3, CN 6x800G. Van [merk 2] hadden wij de opdracht om zeecontainer [nummer] te laden. Deze lading is op maandag 15 januari 2018 tussen 18.50 uur 19.21 uur geladen. De hoeveelheid lading is bestond uit 1890 dozen per doos zes stuks, in totaal 21 pallets. Deze oplegger stond klaar voor vervoer. Na het zien van onze camerabeelden, kunnen we concluderen dat deze oplegger met lading vlak voor deze vervoerd zou worden, is weggenomen. Mijn collega [naam 6] heeft op de camerabeelden gezien dat de oplegger omstreeks 19.34 uur is weggenomen.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende aantreffen melkpoeder, pagina 22 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 5 februari 2018, omstreeks 10.15 uur werd middels een machtiging tot binnentreden op grond van de Wet Wapens en Munitie de woning doorzocht aan de [adres 2] te Waalwijk. In de woning waren aanwezig betrokkenen [verdachte] en [medeverdachte] . In de woning werd door ons niets terzake doende aangetroffen. Collega [naam 7] vroeg aan [verdachte] of de naastgelegen schuurtjes op het erf afgesloten waren. Ik hoorde dat [verdachte] antwoordde dat deze gewoon open waren. Hierop bekeken wij beide schuurtjes. Omstreeks 11.05 uur troffen wij daar een grote hoeveelheid [merk 1] babyvoeding aan. Deze zaten per zes stuks in dozen verpakt en was voorzien van Chinese (vermoedelijk) opdruk.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 26 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 5 februari 2018, kwam [naam 8] , schade-expert namens [merk 1] en [naam 2] ter plaatse op de plaats delict. [naam 8] scande middels een scanner de artikelnummers van de door ons in beslag genomen [merk 1] Melkpoeder. Ik hoorde dat hij mij daarna, nadat hij er meerdere had gescand, mededeelde dat hij aan het BATCH nummer de lading kon herkennen als gestolen. [naam 8] deelde mij mede dat onlangs een complete container was weggenomen met deze genoemde goederen.

Ik hoorde van [naam 8] dat er in de container in totaal 1890 dozen in de container zaten.

Ik verbalisant kreeg vervolgens door van het [naam 9] te Breda dat hetgeen wij hadden aangetroffen en in beslag hebben genomen hadden betrof:

-10 pallets met 80 dozen

-1 pallet met 70 dozen

-1 pallet met 73 dozen

-1 doos waar maar 4 flacons inzitten

In totaal 943 dozen. Elke doos heeft 6 flacons [merk 1] . (rechtbank: in totaal is dus een hoeveelheid van 5.662 flacons aangetroffen)

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende uitlatingen verdachte, pagina 33 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 5 februari 2018, omstreeks 10:00 uur was ik betrokken als Hulp-Officier van Justitie bij de actie op de woonwagen van [adres 2] te Waalwijk.

Nadat collega [naam 10] aanklopte zag ik dat de woning open werd gedaan door [verdachte] . Na het tonen van de machtiging werden wij binnengelaten.

Op enig moment werd ik door collega [naam 10] geroepen om buiten te komen kijken. Ik liep mee naar de schuurtjes achter de woonwagen en zag dat 1 schuur in zijn geheel volstond met dozen met babyvoeding van [merk 1] en de andere schuur deels volstond met deze dozen. Ik ben hierop teruggelopen naar de 2 bewoners en deelde hen de cautie mede. Ik vroeg hen hoe het kon dat hun gehele schuur volstond met deze babyvoeding. Ik hoorde dat bewoner [verdachte] zei: "Die heb ik opgeslagen voor een vriend, ik zeg niet wie, maar die heeft de vrachtbrieven. De vrachtbrieven liggen niet hier."

De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 15 april 2021, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik wil niet zeggen wie die vriend is voor wie ik de dozen [merk 1] heb opgeslagen. Ik wist dat ze daar stonden en ik wist wat er in de dozen zat. Het was onbekend hoe lang ze daar zouden staan. Ik weet niet meer hoe lang ze daar al stonden. U houdt mij voor dat dit soort goederen meestal niet op deze wijze worden opgeslagen. Daar heeft u een punt, ik had daardoor misschien wel moeten weten dat het van misdrijf afkomstig was.

Puur voor de opslag zou ik een paar honderd euro krijgen.