Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2077

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
02/147436-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezen is dat verdachte zich op 26 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een aanrijding. Hij heeft zijn snelheid niet aangepast aan de situatie ter plaatse, terwijl zijn zicht door meerdere factoren ernstig werd belemmerd, hij heeft zich er onvoldoende van vergewist of hij door kon rijden en is niet tijdig gestopt. Het slachtoffer is als gevolg van deze aanrijding overleden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/147436-20

vonnis van de meervoudige kamer van 21 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. De Pagter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt door met een voor de situatie te hoge snelheid te rijden, onvoldoende te kijken of de weg vrij was en niet te stoppen voor een voetgangersoversteekplaats terwijl hier een voetganger op liep, waardoor deze voetganger is overleden. Dit feit is in meerdere juridische varianten tenlastegelegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: 6 WVW), zoals primair ten laste gelegd. Verdachte was bekend met de verkeerssituatie. Hij wist dat hij een voetgangersoversteekplaats naderde en had onvoldoende zicht als gevolg van een laaghangende zon. Hij heeft zijn snelheid onvoldoende aangepast aan de situatie. Hiermee was zijn rijgedrag aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Er is geen schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte reed niet te hard en zijn zicht werd ontnomen door een geparkeerde auto. Het enkel niet verlenen van voorrang is onvoldoende om van schuld in de zin van artikel 6 WVW te kunnen spreken. Ook levert het verkeersgedrag van verdachte geen gevaarzetting op in de zin van artikel 5 WVW.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen (als bijlage II aangehecht) vast dat op 26 maart 2020 op de Julianalaan in Breda een noodlottig ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft, als bestuurder van een bestelbus, de heer [slachtoffer] aangereden toen hij op de voetgangersoversteekplaats liep, ten gevolge waarvan de heer [slachtoffer] is komen te overlijden.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van een dergelijke schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is sprake in het geval van minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het gaat erom of het rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht. De kern van de onvoorzichtigheid schuilt in het kunnen voorzien dat het gevolg (het ongeval) door de onvoorzichtige gedraging kan intreden. Het desondanks verrichten van die gedraging is in beginsel onvoorzichtig, tenzij sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Met verwijtbaarheid wordt gedoeld op vermijdbaarheid. De betrokkene moet anders hebben kunnen handelen.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Op basis van de verklaring van verdachte, in combinatie met het proces-verbaal van de politie waaruit volgt dat verdachte in ieder geval niet harder heeft gereden dan 58 km/uur, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte ten tijde van het ongeluk ongeveer 50 km/uur heeft gereden. Dit was de maximaal toegestane snelheid op de weg waar verdachte reed.

Verdachte heeft verklaard dat zijn zicht op het moment van het ongeval werd belemmerd door de laagstaande zon. Naar eigen zeggen kon hij hierdoor bijna niet zien. Uit de zich in het dossier bevindende foto’s volgt dat de zon op het moment van het ongeval daadwerkelijk laag stond. Ter zitting heeft verdachte daar nog aan toegevoegd dat zijn zicht ook werd belemmerd door een zwarte Range Rover die in een parkeervak voor de oversteekplaats stond. Hierdoor kon hij niet zien of er iemand van plan was over te steken.

Verdachte is bekend met de weg en wist ook dat zich op de plek waar de aanrijding heeft plaatsgevonden een voetgangersoversteekplaats bevond. De voetgangersoversteekplaats is overigens aangegeven met een waarschuwingsbord, waarvan verdachte heeft gezegd dat niet te hebben gezien. De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde factoren vast is komen te staan, dat verdachte met een hogere snelheid heeft gereden dan voor veilig verkeer noodzakelijk was. Hij heeft in de gegeven de omstandigheden te hard gereden. Uit zijn eigen verklaring blijkt dat hij door meerdere factoren niet kon zien of iemand ging oversteken. Verdachte heeft nagelaten zijn snelheid aan deze belemmeringen aan te passen. Verdachte heeft niet geanticipeerd op de mogelijkheid dat er (kwetsbaar) verkeer zou oversteken, maar heeft een groot risico genomen door, zonder voldoende af te remmen en te kijken of er voetgangers waren aan wie hij voorrang moest verlenen, onverminderd door te rijden.

Er waren ook aanwijzingen dat er personen zouden oversteken. Er fietste immers een fietser voor verdachte en deze is wél gestopt, omdat hij zag dat de heer [slachtoffer] wilde oversteken. Ook op deze aanwijzing heeft verdachte niet gehandeld.

De kern van de verwijtbaarheid betreft de vermijdbaarheid in de eerder bedoelde zin. Uit de verklaringen van verdachte zelf volgt immers dat hij heeft kunnen voorzien dat door zijn risicovolle rijgedrag een ongeval kon plaatsvinden. Desondanks, in de benoemde verkeersomstandigheden, de keuze maken om geen gas terug te nemen of zelfs volledig tot stilstand te komen, betreft rijgedrag dat aanmerkelijk onder de maat blijft van wat een gemiddelde automobilist mag worden verwacht.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gereden en dus schuldig is aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 maart 2020 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Julianalaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en zonder er zich voldoende van te vergewissen dat het voor hem, verdachte, gelegen wegdek vrij was te blijven rijden, waarbij/terwijl verdachte een voetgangersoversteekplaats naderde welke ter plaatse mede was aangegeven door verkeersbord L02, en zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van een jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij een veroordeling geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen, met name in verband met het werk van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 26 maart 2020 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een aanrijding. Hij heeft zijn snelheid niet aangepast aan de situatie ter plaatse, terwijl zijn zicht door meerdere factoren ernstig werd belemmerd, hij heeft zich er onvoldoende van vergewist of hij door kon rijden en is niet tijdig gestopt. De heer [slachtoffer] is als gevolg van deze aanrijding overleden.

Het leed dat de nabestaanden is aangedaan is immens en onherstelbaar. De impact die het feit op hen heeft gehad en nog steeds heeft, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. De echtgenote van de overleden heer [slachtoffer] , mevrouw [naam] , is direct getuige geweest van de aanrijding en de aangrijpende gevolgen daarvan, voor haar en de hele familie. Zij moeten hun man, vader, schoonvader en opa dagelijks missen en het onherstelbare verlies een plek proberen te geven. De rechtbank realiseert zich dat de gevolgen door oplegging van geen enkele straf zijn weg te nemen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf moet de rechtbank echter naar de aard van de verweten gedraging kijken en niet uitsluitend naar het gevolg hiervan. Het gedrag wordt bestraft.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf slaat de rechtbank acht op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten schrijven bij een first offender een taakstraf voor de duur van 240 uur en een rijontzegging van een jaar voor.

De rechtbank acht oplegging van deze maximale taakstraf passend.

De rechtbank houdt er rekening mee dat er meer dan een jaar is verstreken sinds het plegen van het feit en dat artikel 63 Strafrecht van toepassing is. De rechtbank is zich er van bewust dat, hoewel verdachte het ter zitting moeilijk vond zich te verwoorden, ook verdachte met de gevolgen van zijn handelen moet leven. Ter zitting is gebleken dat hij het hier moeilijk mee heeft. Verdachte ondergaat ook EMDR therapie om het incident te kunnen verwerken.

De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet noodzakelijk om, zoals geëist door de officier van justitie, een geheel onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van een jaar op te leggen. Hierbij telt mee dat verdachte zonder rijbewijs zijn werk niet kan uitoefenen en zonder inkomen komt te zitten. Uit het strafblad van verdachte blijkt echter wel dat hij zich sinds het feit tweemaal schuldig heeft gemaakt aan een fikse snelheidsovertreding. Dat deze op zijn strafblad staan, betekent dat hij beide keren meer dan 30 km/uur te hard heeft gereden. De rechtbank acht hierom een gedeeltelijk onvoorwaardelijke rijontzegging op zijn plaats, in welke tijd hij het met zijn werkgever moet zien te regelen

Alles overwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uur en een rijontzegging voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 6 en 175 Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uur;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. Diepenhorst en mr. Oskam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Heitzman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 april 2021.

De voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 26 maart 2020 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Julianalaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zonder er zich (voldoende) van te vergewissen dat het voor hem, verdachte, gelegen wegdek vrij was te blijven rijden, waarbij/terwijl verdachte een voetgangersoversteekplaats naderde welke ter plaatse mede was aangegeven door verkeersbod L02, en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
(Artikel art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 maart 2020 te Breda als bestuurder van een voertuig (bestelbus), daarmee rijdende op de weg, de Julianalaan, heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zonder er zich (voldoende) van te vergewissen dat het voor hem, verdachte, gelegen wegdek vrij was is blijven rijden, waarbij/terwijl verdachte een voetgangersoversteekplaats naderde welke ter plaatse mede was aangegeven door verkeersbod L02 en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994)

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2020075516 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, team verkeer, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 46.

1. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 9-11. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Op donderdag 26 maart 2020 te 08.19 uur, werd door mij, verbalisant [verbalisant 1] , een

onderzoek ingesteld naar aanleiding van een verkeersongeval met letsel op de Julianalaan te

Breda. Aldaar zou een verkeersongeval hebben plaatsgevonden tussen een bestelbus en een

voetganger.

Omgevingsonderzoek

Ik zag dat het verkeersongeval had plaats gevonden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg de Julianalaan ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats. Ik stelde vast dat de Julianalaan van links naar rechts bestond uit (…)

- een voetgangersoversteekplaats van trottoir naar trottoir over eerder genoemde vluchtheuvel, aangeduid middels bord L2 uit het Reglement Verkeersregels en

Verkeerstekens 1990.

Ik zag dat de voetgangersoversteekplaats kenbaar werd gemaakt middels bord L2 en er

tevens op het wegdek zogenaamde zebrapaden waren aangebracht.

Ik zag dat de zon laag stond ten tijde dat ik de fotos, fotos 1 en 2 uit de

fotobijlage, maakte en ik zag dat deze fotos door mij zijn gemaakt om 08.19 uur.

Onderzoek op de plaats delict

Ik zag tijdens mijn onderzoek op de plaats delict dat:

- door de laagstaande zon de bestuurder van de bestelbus mogelijk verslechterd zicht

had op de voetgangersoversteekplaats, verder was het zicht op het verkeer en de weg

volledig vrij en was de gehele situatie in zijn geheel inzichtelijk;

Toedracht

Uit de door mij aangetroffen situatie, de sporen, de eindpositie van de bestelbus en

de schade aan de bestelbus, kan de volgende vermoedelijke toedracht worden

geconcludeerd:

De voetganger kwam vanaf het trottoir aan de zijde van perceelnummer Julianalaan [nummer]

en is over de voetgangersoversteekplaats gaan oversteken richting het van

Sonsbeeckpark.

De bestelbus had gereden over de Julianalaan uit de richting Doctor Stuyckenstraat en

gaande in de richting van de Boeimeersingel.

De bestelbus stak de voetgangersoversteekplaats over, waar op dat moment de

voetganger aan het oversteken was.

Het gevolg was dat de bestelbus met de rechter voorzijde tegen de linkerzijde van de

voetganger botste.

Gevolg

- Als gevolg van voornoemd verkeersongeval had de voetganger zwaar lichamelijk letsel

opgelopen.

- Ten gevolge van dit letsel is deze persoon later die dag overleden.

2. Het proces-verbaal van forensisch overlijdensonderzoek persoon [slachtoffer] , pagina 31 en 32. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

[slachtoffer] is niet op natuurlijke wijze overleden, maar aan de gevolgen van talrijke letsels hetgeen hij diezelfde dag had opgelopen bij een verkeersongeval.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 38 en 39. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op donderdag 26 maart 2020, omstreeks 08.00 uur fietste ik over de Julianalaan richting Graaf Hendrik 3 laan. Ik zag een man de zebrapad oversteken en ik zag vrouw ongeveer 2 meter achterliep. Ik stopte voor het zebrapad om beide personen over te laten steken. Ik zag dat de man overstak en ik in mijn ooghoek zag ik een wit busje voorbij rijden. Ik zag dat het busje de man raakte en dat de man gelanceerd werd.

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 44 en 45. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op donderdag 26 maart 2020 reed ik in een bestelbus over de Julianalaan in de richting van Graaf Hendrik III Laan in Breda. Ik zag dat plotseling een man overstap over het zebrapad, ik kon de man niet meer ontwijken. De man kwam op mijn motorkap en de voorruit terecht, waarna hij op het asfalt van de weg viel.

5. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van 7 april 2020. Deze verklaring houdt, zakelijk weergegeven, in:

Ik reed ongeveer 50 km/uur. Ik zag iemand achter een auto vandaan komen en toen was ik al te laat. Een zwarte Range Rover blokkeerde mijn zicht. Ik had veel last van de laagstaande zon, hierdoor kon ik weinig zien. Ik ben bekend met de weg en wist dat er ter hoogte van die plek een zebrapad was.

6. Het ambtsedig proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] met nummer PL2000-2020075516-17. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Het is mogelijk dat verdachte 50 km/uur reed ten tijde van het ongeval. Er kan gesteld worden dat de verdachte in ieder geval niet sneller heeft gereden dan 58km/uur.