Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2074

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
369051 FA RK 20-840
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Ipr. Rechtbank onbevoegd om te beslissen op verzoek betreffende hoofdverblijf kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

[geboorteplaats]

Zaaknummer: C/02/369051 FA RK 20-840

beschikking betreffende echtscheiding

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats] , [gemeente] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. L.C. Jacobs,

en

[de vrouw] ,

wonende te te [plaats] , [gemeente] ,

feitelijk verblijvende te [verblijfplaats] ( [land] ),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de rechtbank van 21 juli 2020 en alle daarin vermelde stukken;

- de brief van mr. Jacobs van 30 juli 2020 met bijlagen;

- het op 3 november 2020 ontvangen GOM rapport van de Raad voor de Kinderbescherming;

- het op 19 februari 2021 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek;

- de brieven van mr. Jacobs van 12 januari 2021, 2 maart 2021 en 5 maart 2021;

- de brief van mr. Schoenmakers van 2 maart 2021;

- de beschikking voorlopige voorzieningen van 2 juni 2020.

1.2. Het verzoek tot echtscheiding en de verzoeken tot bepaling hoofdverblijf van de kinderen van partijen zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 8 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. De vrouw heeft aan de zitting deelgenomen via een skype verbinding. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie [geboorteplaats] , hierna te noemen de raad en een vertegenwoordiger van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Roosendaal. De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.

2 De feiten

2.1.

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen zijn op [huwelijksdatum] in de [gemeente] met elkaar gehuwd;

- uit hun huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

2. [minderjarige2] , geboren op 24 juli 2008 te [geboorteplaats] ,

- partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;

- de kinderen zijn onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant;

- de vrouw bezit de Nederlandse en de Tsjechische nationaliteit en de man bezit de Nederlandse nationaliteit;

- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3 De verzoeken

De man verzoekt thans, samengevat,

- echtscheiding;

- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij hem;

- opneming van de door hen getroffen regelingen in het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant in de beschikking.

Bij wege van aanvullend verzoek, indien en voor zover partijen over de afwikkeling van hun scheiding geen overeenstemming bereiken:

- te bepalen dat de woning aan de [adres] met de in het huis aanwezige inboedelgoederen aan de man wordt toegedeeld, waarbij de vrouw gehouden is om binnen 3 maanden na het wijzen van de beschikking haar volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van de woning onder de voorwaarde dat de man in staat is de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de aanwezige hypotheekschuld bij Florius en alsmede te bepalen dat indien de vrouw haar medewerking onthoudt, de door uw rechtbank te wijzen beschikking in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw, althans een zodanige verdeling, bedrag en reële executie als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

- te bepalen dat de twee woningen van partijen in [land] met de in de woning aanwezige inboedelgoederen aan de vrouw worden toegedeeld;

- te bepalen dat de verzekering bij [bedrijf] met het polisnummer [nummer] aan de man wordt toegedeeld;

- te bepalen dat de lijfrenteverzekering bij [bedrijf] met het nummer [nummer2] aan de man

wordt toegedeeld;

- te bepalen dat de lijfrenteverzekering bij [bedrijf2] met het nummer [nummer3] aan de man wordt toegedeeld;

- te bepalen dat de eenmanszaak met de naam [zaak] aan de man wordt toegedeeld;

- te bepalen dat de bankrekeningen van de kinderen en het saldo van deze bankrekeningen aan de man worden toegedeeld;

- te bepalen dat de bankrekeningen met de bijbehorende saldi op naam van de man aan

hem worden toegedeeld;

- te bepalen dat de bankrekeningen met de bijbehorende saldi op naam van de vrouw aan haar worden toegedeeld;

- primair: te bepalen dat de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij

scheiding is uitgesloten omdat de vrouw uit hoofde van de verdeling van de

huwelijksgoederengemeenschap aan de man slechts een bedrag verschuldigd is ad

€ 75.000,00, welk bedrag de vrouw binnen 5 maanden na de beschikking aan de man

dient te hebben voldaan;

subsidiair: voor het geval uw rechtbank de toepasselijkheid van de Wet verevening

pensioenrechten niet uitsluit, te bepalen dat de vrouw uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan de man een bedrag verschuldigd is ad

€ 133.325,50 + p.m., welk bedrag de vrouw binnen 5 maanden na de beschikking aan de man dient te hebben voldaan;

- te bepalen dat de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding is uitgesloten.

De vrouw verzoekt thans, samengevat,

- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 250,= per maand per kind.

4 De beoordeling

De echtscheiding

4.1.

De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

4.2.

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben (artikel 3 lid 2 Verordening (EG) 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) 1347/2000, hierna: “Brussel II bis”).

4.3.

De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

4.4.

De rechtbank acht de man ontvankelijk in zijn echtscheidingsverzoek. De door hem aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van de man redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd.

4.5.

De man legt aan zijn verzoek tot echtscheiding ten grondslag dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Partijen leven al jaren gescheiden van elkaar en zij communiceren al langere tijd in het geheel niet met elkaar. De man wenst niet langer met de vrouw gehuwd te blijven.

4.6.

De vrouw betwist de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen. De vrouw erkent dat partijen niet met elkaar communiceren, maar zij verwacht dat hier na het einde van de pandemie en alle daarmee gepaard gaande maatregelen verandering in zal komen. Zij ziet de echtelijke woning, hoewel zij daar al een jaar niet is geweest en zij sinds 2016 feitelijk in [land] woonachtig is, nog steeds als haar gewone verblijfplaats. Zij heeft de wens om met de man en de kinderen als gezin door te gaan.

4.7.

Aangezien partijen inmiddels sinds 2016 niet meer samenwonen, de man uitdrukkelijk heeft verklaard de samenwoning met de vrouw niet te willen hervatten en hij zijn verzoek tot echtscheiding handhaaft, is de rechtbank van oordeel dat het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht moet worden aangemerkt. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom worden toegewezen.

De verzoeken betreffende het hoofdverblijf van de minderjarigen

4.8.

Tussen partijen staat het volgende vast. Tot 2016 woonden partijen en hun kinderen in gezinsverband in Nederland. In 2016 heeft de vrouw de kinderen meegenomen naar [land] en zijn zij aldaar gaan wonen. De man is in Nederland woonachtig gebleven. De kinderen zijn in [land] naar school gegaan. Tijdens schoolvakanties verbleven zij met de vrouw bij de man in de echtelijke woning in Nederland. Op 8 januari 2020 heeft de man de kinderen in [land] opgehaald en naar Nederland overgebracht. Sindsdien verblijven de kinderen in Nederland bij de man en gaan zij hier naar school.

4.9.

Bij zijn echtscheidingsverzoek, op 26 februari 2020, heeft de man verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij hem (in Nederland) te bepalen. De vrouw heeft in april 2020 bij de Tsjechische autoriteiten een verzoek tot teruggeleiding van de kinderen ingediend. Dat verzoek is doorgeleid naar de Nederlandse autoriteit. De vrouw heeft haar verzoek vervolgens niet doorgezet. Zij heeft in deze procedure op 19 februari 2021 een verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken ingediend. In dat verweerschrift heeft zij betwist dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de man tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen. In datzelfde processtuk verzoekt zij bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij haar (in [land] ).

Rechtsmacht

4.10.

Partijen zijn het erover eens dat de kinderen voor hun overbrenging naar Nederland in januari 2020, hun hoofdverblijf bij de vrouw in [land] hadden. Verder zijn zij het erover eens dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland op 8 januari 2020 kwalificeert als een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.

4.11.

De vrouw voert aan dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de man tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen. Op het moment dat de man zijn verzoek bij de rechtbank indiende, op 26 februari 2020, hadden de kinderen niet hun gewone verblijfplaats in Nederland en bovendien was sprake van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen, waarin de vrouw indertijd niet heeft berust.

4.12.

Namens de man is tijdens de zitting bepleit dat de rechtbank wel bevoegd is om van zijn verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf kennis te nemen, ook al hadden de kinderen sinds 2016 hun gewone verblijfplaats in [land] en was er sprake van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Nederland. Omdat de kinderen ten tijde van de zitting al meer dan een jaar in Nederland verbleven, zij de Nederlandse nationaliteit hebben, hier naar school gaan, familie hebben en hun hobby’s beoefenen, hebben zij inmiddels hun gewone verblijfplaats in Nederland, en is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10 Brussel II bis, zodat de Nederlandse rechter thans wel bevoegd is om op de verzoeken te beslissen.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Op de vraag welke rechter bevoegd is om van de verzoeken betreffende het hoofdverblijf van de kinderen kennis te nemen is de verordening Brussel II bis van toepassing. Deze verordening is in temporele zin van toepassing, omdat deze van toepassing is geworden per 1 maart 2005 en dat tot op heden nog steeds is.

4.14.

In materiële zin is deze verordening van toepassing vanwege het materiële toepassingsgebied van de verordening Brussel II bis. Dat toepassingsgebied volgt uit

art. 1 lid 1 sub b Brussel II bis (de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.). Dit begrip wordt verder uitgelegd in artikel 1 lid 2 sub a Brussel II bis, waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de term ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’ onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht omvat. In artikel 2 lid 7 Brussel II bis wordt dit begrip nader omschreven. In dit artikel staat namelijk dat de ouderlijke verantwoordelijkheid ziet op “alle rechten en plichten die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van het kind”. Onder “ouderlijke verantwoordelijkheid” valt daarmee ook de bepaling van de hoofdverblijfplaats van een kind.

4.15.

Tot slot is de verordening Brussel II bis in formele zin van toepassing, omdat uit de individuele bevoegdheidsregels volgt dat deze verordening formeel van toepassing is als het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in een EU-lidstaat. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dient het begrip “gewone verblijfplaats” zo te worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Vast staat dat de kinderen van partijen van 2016 tot januari 2020 in [land] woonden met de vrouw, dat zij daar naar school gingen en daar ook hun sociale leven hadden. Hiermee staat voor de rechtbank vast dat de kinderen van partijen begin 2020 hun gewone verblijfplaats in [land] hadden, hetgeen ook niet tussen partijen in geschil is. Nu [land] een EU-lidstaat is, is ook in formele zin de verordening Brussel II bis van toepassing.

4.16.

Ook het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (hierna: HKV 1996) zou van toepassing kunnen zijn. Echter, op grond van artikel 61 Brussel II bis gaat Brussel II bis voor het HKV 1996 als het kind zijn gewone verblijfplaats in een EU-lidstaat heeft. Nu dit het geval is, is de internationale bron die gebruikt moet worden teneinde de internationale rechtsmacht vast te stellen, de verordening Brussel II bis.

4.17.

Artikel 8 Brussel II bis bepaalt dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12 van de verordening. Ingevolge artikel 16 lid 1 aanhef en onder a van de verordening Brussel II bis is een zaak aanhangig op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen om het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen.

4.18.

Het echtscheidingsverzoek, tevens houdende nevenvoorzieningen, waaronder het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen, is op 26 februari 2020 ter griffie van de rechtbank ingekomen en vervolgens heeft de man het echtscheidingsverzoek laten betekenen aan de vrouw. Dat betekent dat de zaak op 26 februari 2020 aanhangig is gemaakt in de zin van artikel 16 Brussel II bis.

4.19.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.15. is de rechtbank van oordeel dat de kinderen op 26 februari 2020 niet hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Zij verbleven op dat moment nog maar anderhalve maand in Nederland, nadat zij gedurende vier jaar in [land] hadden gewoond. Laatstgenoemd land had gezien de feitelijke omstandigheden op 26 februari 2020 nog te gelden als de gewone verblijfplaats van de kinderen. De Tsjechische, en niet de Nederlandse rechter, was daarom op 26 februari 2020 de bevoegde rechter op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II bis. Op het moment van aanhangig maken van de echtscheidingsprocedure had de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II bis dus geen rechtsmacht om kennis te nemen van verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.

4.20.

Ten aanzien van artikel 8 lid 1 Brussel II bis geldt het “perpetuatio fori”- beginsel. Dat beginsel houdt in dat de rechter die op het tijdstip waarop de zaak aanhangig is gemaakt bevoegd is, bevoegd blijft gedurende de procedure, ook al krijgen de kinderen gedurende de procedure hun gewone verblijfplaats in een andere lidstaat. En andersom, dat de niet-bevoegde rechter geen bevoegdheid verkrijgt in het geval (een) kind(eren) gedurende de procedure (alsnog) gewone verblijfplaats in de lidstaat van de aangezochte rechter krijgt/krijgen.

Hieruit volgt dat de rechtbank gedurende deze echtscheidingsprocedure geen rechtsmacht aan artikel 8 lid 1 Brussel II bis kan ontlenen ten aanzien van de door beide partijen gedane verzoeken over de ouderlijke verantwoordelijkheid, ook al hebben de kinderen op een later moment gedurende de procedure wel hun gewone verblijfplaats in Nederland verkregen. Omdat het tijdstip van aanhangig maken van de echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen bij deze rechtbank bepalend is voor de beoordeling van de rechtsmacht, is het (latere) tijdstip waarop de vrouw haar zelfstandige verzoek betreffende het hoofdverblijf van de kinderen in deze procedure aan de rechtbank heeft voorgelegd, voor de beoordeling van de rechtsmacht op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II bis irrelevant.

4.21.

Namens de vrouw is ter zitting aangevoerd dat de rechtbank desondanks wel bevoegd is om in deze procedure te beslissen op haar verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf, omdat op het moment waarop zij het verzoek aan de echtscheidingsrechter heeft voorgelegd, namelijk op 19 februari 2021, de Tsjechische rechter niet (meer) bevoegd was om op een zodanig verzoek te beslissen. Hiervoor heeft de rechtbank al overwogen dat de onbevoegdheid van deze rechtbank ten aanzien van de verzoeken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid voortduurt gedurende de echtscheidingsprocedure, ongeacht een wijziging van de gewone verblijfplaats van de kinderen. Dat de Tsjechische rechter op het moment van indiening van het zelfstandig verzoek van de vrouw niet meer bevoegd zou zijn om van een soortgelijk verzoek kennis te nemen, schept ingevolge de Brussel II bis verordening geen bevoegdheid voor de rechtbank in deze procedure. Voor zover het betoog van de vrouw moet worden opgevat als een beroep op het aannemen van de rechtsmacht door de echtscheidingsrechter als forum neseccitatis, slaagt dit beroep niet. Indien en voor zover de vrouw op 19 februari 2021 haar verzoek namelijk in een separate, nieuwe, procedure aan de rechtbank had voorgelegd, dan was de Nederlandse rechter in die betreffende procedure bevoegd geweest om op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 1 Brussel II bis kennis te nemen van het verzoek, ervan uitgaande dat de vrouw gevolgd zou worden in haar standpunt dat de kinderen op het moment van aanhangig maken van die nieuwe procedure hun hoofdverblijf in Nederland hadden en de Tsjechische rechter op dat moment geen bevoegdheid meer zou kunnen ontlenen aan artikel 10 Brussel II bis. Bovendien had de vrouw, gezien het gegeven dat beide partijen verzoeken betreffende het hoofdverblijf van de kinderen in de echtscheidingsprocedure hebben voorgelegd, ook gebruik kunnen maken van prorogatie van rechtsmacht (artikel 12 Brussel II bis), waarover hierna in rechtsoverweging 4.23. meer. Er is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake van een situatie waarin bevoegdheid van deze rechtbank in deze procedure moet worden aangenomen, op de grond dat het onmogelijk is om het geschil aan een andere rechter voor te leggen.

4.22.

Namens de man is aangevoerd dat de Nederlandse rechter, hoewel bij aanvang van het geding onbevoegd, op grond van artikel 10 Brussel II bis hangende de procedure alsnog bevoegd is geworden om van het verzoek kennis te nemen, omdat zich inmiddels een van de situaties voordoet als genoemd onder a of b (in combinatie met één van de voorwaarden genoemd onder i. tot en met iv) van voornoemd artikel. De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt. De ratio van artikel 10 is dat de rechter van de lidstaat waaruit een kind ongeoorloofd is overgebracht en waar het tot die overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, in onderhavig geval dus de Tsjechische rechter, gedurende zekere tijd (exclusief) bevoegd blijft om te beslissen op verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, ook al heeft het kind in de lidstaat waarnaar het ongeoorloofd is overgebracht zijn gewone verblijfplaats heeft gekregen. Het beoogt niet een uitgestelde rechtsmacht te scheppen voor de rechter in de lidstaat waarnaar de kinderen ongeoorloofd zijn overgebracht, als die rechter ten tijde van het aanhangig worden van de zaak onbevoegd was om beslissingen te nemen over de ouderlijke verantwoordelijkheid, omdat de kinderen daar op dat moment hun gewone verblijfplaats niet hadden.

4.23.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat zich de situatie van artikel 12 lid 1 Brussel II bis (prorogatie van rechtsmacht) niet voordoet. Weliswaar zijn door beide partijen verzoeken betreffende het hoofdverblijf van de kinderen als nevenvoorziening bij de echtscheiding aan de rechtbank voorgelegd, maar gezien het namens de vrouw ingenomen standpunt over het ontbreken van rechtsmacht om te beslissen op het verzoek van de man, is geen sprake van een situatie waarin partijen de bevoegdheid van dit gerecht hebben aanvaard.

4.24.

Dat leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich niet bevoegd acht om in deze echtscheidingsprocedure kennis te nemen van de verzoeken betreffende het hoofdverblijf van de kinderen. Bespreking van hetgeen overigens met betrekking tot deze verzoeken door partijen is aangevoerd, blijft daarom achterwege.

Verzoek betreffende kinderalimentatie

4.25.

De rechtbank is bevoegd om op het verzoek betreffende kinderalimentatie te beslissen, omdat dit verzoek als nevenverzoek verbonden is met het echtscheidingsverzoek en de rechtbank ten aanzien van dat verzoek ook bevoegd is (artikel 3 aanhef en onder c van de Alimentatieverordening ).

4.26.

De vraag welk recht van toepassing is op het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie moet worden beantwoord aan de hand van de bepalingen van het Haagse Protocol van 2007 (Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen). De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten.

4.27.

Zoals met partijen tijdens de zitting is besproken, zal de behandeling van en beslissing op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen van partijen worden aangehouden. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken na afgifte van deze beschikking een standpunt in te nemen over het recht dat van toepassing is op haar verzoek. De man wordt in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na afgifte van deze beschikking eveneens een standpunt in te nemen over het toepasselijke recht en schriftelijk verweer te voeren tegen het verzoek.

Verzoeken betreffende het huwelijksvermogen

4.28.

Omdat de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de echtscheiding, en die rechtsmacht is gebaseerd op de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen, is de rechtbank tevens bevoegd om kennis te nemen van de huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken die in deze procedure aan de rechtbank zijn voorgelegd (artikel 5 van de Verordening huwelijksvermogensstelsel, EU 2016/1103).

4.29.

De vraag welk recht op de verzoeken van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van de bepaling van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, omdat het huwelijk na 1 september 1992 doch voor 30 januari 2019 is gesloten. Op de verzoeken is op grond van artikel 4 lid 1 van voornoemd verdrag Nederlands recht van toepassing, omdat gesteld noch gebleken is dat partijen voorafgaand aan hun huwelijk een rechtskeuze hebben gemaakt en zij zich na sluiting van hun huwelijk in Nederland hebben gevestigd.

4.30.

De man heeft de nodige verzoeken ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen ingediend. De behandeling van en beslissing op die verzoeken wordt aangehouden. Tijdens de zitting is met partijen afgesproken dat de vrouw tot uiterlijk vier weken na de afgifte van deze beschikking in de gelegenheid zal worden gesteld een schriftelijk standpunt over die huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken in te nemen. Daarbij zal direct opgave worden gedaan van de verhinderdata van beide partijen en advocaten, zodat op korte termijn een nadere mondelinge behandeling kan worden gepland voor deze verzoeken. Tijdens deze behandeling zal ook het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie worden behandeld.

Verzoek aanhechting en opname onderlinge regelingen

4.31.

De rechtbank zal het verzoek van de man tot opneming van de door hen getroffen regelingen in het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant in de beschikking aanhouden, voor het geval partijen voor afloop van deze procedure nog tot onderlinge afspraken komen.

5 De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [huwelijksdatum] in de [gemeente] met elkaar gehuwd;

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken tot bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen van partijen;

houdt de behandeling van de overige verzoeken aan tot dinsdag 25 mei 2021 pro forma voor:

  • -

    het innemen van een schriftelijk standpunt door de vrouw aangaande de huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken van de man en het recht dat van toepassing is op haar verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie, waarbij de vrouw tevens de verhinderdata van beide partijen aan het planbureau van de rechtbank dient te overleggen teneinde een nieuwe zittingsdatum te kunnen bepalen, en;

  • -

    het innemen van een schriftelijk standpunt door de man aangaande het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie, inclusief het toepasselijke recht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op.

PS

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op: