Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2073

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
02/240538-20; 02/063136-19 (tul); 02/145900-18 (tul); 02/168232-18 (tul); 02/097618-17 (tul); 02/152821-17 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een periode van 5 maanden schuldig gemaakt aan een reeks vermogensdelicten, terwijl hij in meerdere proeftijden liep ter zake van soortgelijke feiten. Door de reclassering is de ISD-maatregel geadviseerd. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten zesmaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf. Daarbij betreft het vijf deels voorwaardelijk opgelegde straffen, waarvan de voorwaardelijke delen nog niet zijn tenuitvoergelegd. Aldus is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarde van artikel 38m lid 1, aanhef en onder 2º Sr en behoort oplegging van de ISD-maatregel niet tot de mogelijkheden. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02/240538-20; 02/063136-19 (tul); 02/145900-18 (tul); 02/168232-18 (tul); 02/097618-17 (tul); 02/152821-17 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave

raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Nieuwenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 23 september 2020 te Breda uit een auto diverse goederen, waaronder een zonnebril en Calvin Kleintrui, van [naam 1] heeft gestolen door middel van braak dan wel dat hij die goederen heeft geheeld;

feit 2: op 28 mei 2020 te Breda uit een auto diverse goederen, waaronder meerdere Buddha to Buddha sieraden, van [naam 2] heeft gestolen door middel van braak dan wel dat verdachte twee van die sieraden heeft geheeld;


feit 3: op 27 juni 2020 te Breda uit een auto zonnebrillen en ongeveer € 60 van [naam 3] heeft gestolen;


feit 4: op 27 juli 2020 te Breda uit een auto een zonnebril van [naam 4] heeft gestolen door middel van braak;


feit 5: op 17 augustus 2020 te Breda uit een auto diverse goederen, waaronder een schoudertas met inhoud, van [naam 5] heeft gestolen door middel van braak dan wel dat verdachte de schoudertas heeft geheeld;


feit 6: op 13 september 2020 te Breda uit een auto diverse goederen, waaronder een heuptasje met inhoud en een horloge, heeft gestolen van [naam 6] door middel van braak dan wel dat verdachte die goederen heeft geheeld;

feit 7: op 17 oktober 2020 te Breda een scooter van [naam 7] heeft gestolen door middel van braak dan wel dat verdachte deze scooter heeft geheeld;


feit 8: op 18 oktober 2020 te Breda uit een auto/bestelbus diverse gereedschappen van [naam 8] heeft gestolen door middel van braak.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

feit 1:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd, hetgeen primair is tenlastegelegd, uitgezonderd het bestanddeel braak. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [naam 1] en de bevindingen van de politie inzake de camerabeelden van de diefstal en de aangetroffen gestolen goederen in de woning van verdachte. Tevens wijst hij erop dat verdachte zijn bewering dat hij de (gestolen) Calvin Kleintrui via Marktplaats heeft gekocht niet heeft onderbouwd.

feit 2:

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair tenlastegelegde, de diefstal. Evenwel kan de heling, die subsidiair is tenlastegelegd, wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie verwijst daarvoor naar de aangifte van [naam 2] , de bevindingen van de politie over gestolen sieraden die door verdachte bij [naam 15] te Breda zijn aangeboden en de verklaring van verdachte ter zitting hieromtrent.

feit 3:

Gelet op de aangifte van [naam 3] en de bevindingen van de politie over de beschikbare camerabeelden, kan naar de mening van de officier van justitie de tenlastegelegde diefstal, maar zonder het onderdeel braak, wettig en overtuigend worden bewezen.

feit 4:

Door de officier van justitie wordt deze diefstal wettig en overtuigend bewezen geacht, gezien de aangifte van [naam 4] en de verklaring van getuige [getuige] .

feit 5:

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zij het met uitzondering van het bestanddeel braak. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [naam 5] , alsmede op de bevindingen van de politie over camerabeelden waarop een specifieke rode trui met witte letters wordt herkend die bij verdachte in beslag is genomen en waarop ook verdachte wordt herkend.

feit 6:

In de visie van de officier van justitie kan het primair tenlastegelegde feit ‒ de diefstal, maar zonder het bestanddeel braak ‒ wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Hij neemt daarbij in aanmerking de aangifte van [naam 6] en de bevindingen van de politie over de camerabeelden waarop verdachte is te zien die de gestolen slippers en sporttas draagt.

feit 7:

Op basis van de aangifte van [naam 7] , de bevindingen van de politie omtrent de camerabeelden waarop verdachte met de scooter is waargenomen en de deels bekennende verklaring van verdachte ter zitting, kan in de optiek van de officier van justitie het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.

feit 8:

Ook deze diefstal kan naar de mening van de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen, gelet op de aangifte van [naam 9] en de bekennende verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

feit 1:

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van zowel het primaire als subsidiair tenlastegelegde feit. Hij acht de camerabeelden niet geschikt voor herkenning. Verder noemt hij de goederen die bij verdachte zijn aangetroffen – te weten de jas met het witte embleem, de rode Calvin Kleintrui en het potje crème ‒ onvoldoende specifiek en te veel voorkomend om deze met de diefstal of heling in verband te kunnen brengen. Hij verzoekt daarom verdachte primair vrij te spreken.

Subsidiair, ten aanzien van de diefstal, verzoekt hij verdachte partieel vrij te spreken van het onderdeel braak, omdat de aangeefster heeft verklaard dat zij was vergeten de auto op slot te zetten.

feit 2:

De raadsman verzoekt verdachte primair vrij te spreken van de diefstal, omdat in het dossier geen enkele aanwijzing ervoor aanwezig is dat hij de goederen heeft gestolen. Subsidiair is aangevoerd dat er in elk geval geen sprake is van diefstal met braak, omdat uit de aangifte niet blijkt van braakschade.

Met betrekking tot de heling is betoogd dat de aangever onvoldoende duidelijk heeft gemaakt aan welke specifieke kenmerken hij de bij [naam 15] ingeleverde sieraden als zijn sieraden herkent.

feit 3:

Volgens de raadsman bevat het dossier geen aanwijzingen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. De op de camerabeelden waargenomen jas en het heuptasje zijn niet voldoende specifiek om verdachte aan de diefstal te kunnen koppelen. Deze producten zijn ook in veel winkels te koop. Het heuptasje op de camerabeelden wijkt bovendien af van het heuptasje dat in het huis van verdachte is gevonden. Verdachte dient om die redenen primair te worden vrijgesproken. Subsidiair is verzocht om vrijspraak van het bestanddeel braak, omdat de aangever heeft verklaard dat hij was vergeten om zijn auto af te sluiten.

feit 4:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van deze diefstal, omdat daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is. Getuige [getuige] heeft verdachte weliswaar kort na de diefstal in de omgeving van de plaats delict zien fietsen, maar heeft verdachte de diefstal niet daadwerkelijk zien plegen. Tevens wordt erop gewezen dat er nog andere mensen in de omgeving van de plaats delict liepen ten tijde van de diefstal.

feit 5:

Ter zake van de diefstal is voor de bewezenverklaring volgens de raadsman onvoldoende bewijs voorhanden. De aangever heeft geen enkel kenmerk genoemd waaraan hij zijn tas op de camerabeelden zou herkennen. Op basis daarvan wordt primair om vrijspraak verzocht. Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van braak, omdat uit de aangifte niet blijkt van braakschade. Van dit onderdeel dient verdachte in elk geval te worden vrijgesproken.

feit 6:

De raadsman verzoekt primair verdachte vrij te spreken van de diefstal, omdat het bewijs slechts wordt gevormd door de verklaring van de aangever. Deze verklaring wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier. Subsidiair vraagt de raadsman verdachte vrij te spreken voor het onderdeel braak, nu in de aangifte niet is vermeld dat er braakschade is geweest.

feit 7:

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van de diefstal van de scooter, nu er geen aanwijzingen zijn dat verdachte bij dit feit betrokken is geweest. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de heling van de scooter.

feit 8:

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Mede gelet op de verweren van de raadsman overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

feit 1:

Van het tijdstip van de diefstal zijn camerabeelden/screenshots beschikbaar, waarop een persoon bij een auto is waar te nemen die een jas draagt met op de rechterarm een embleem dat wit oplicht. Ook is door de aangeefster en verbalisant [verbalisant 1] opgemerkt dat de persoon op de beelden een trui vast heeft en om zijn middel lijkt te doen, welke trui de aangeefster herkent als de bordeauxrode Calvin Kleintrui van haar vriend. Een jas en een trui zoals omschreven zijn later aangetroffen in de woning van verdachte, evenals een potje crème. De aangeefster heeft van de politie foto’s ontvangen van de aangetroffen trui en crème, en zij heeft deze goederen herkend als de goederen die uit haar auto zijn ontvreemd.

Daarnaast komen volgens verbalisant [verbalisant 1] het magere postuur en de licht voorovergebogen lichaamshouding van de persoon op de beelden overeen met het postuur en de houding van verdachte.

Zowel de bij verdachte aangetroffen kledingstukken en het potje crème als zijn postuur/houding wijzen dan ook op de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de beelden/printscreens voldoende helder zijn om de waarnemingen, over onder meer de jas met het embleem en het postuur en de houding van verdachte te kunnen doen. De jas, de trui en het potje crème ‒ welke goederen stuk voor stuk kunnen worden herleid naar de diefstal en naar verdachte ‒ worden in elk geval tezamen als kenmerkend beschouwd. De kleur van de trui, bordeauxrood, is afzonderlijk ook als specifiek aan te merken. Verdachte heeft ter zitting weliswaar verklaard dat hij deze trui voor 40 euro via Marktplaats heeft gekocht, maar heeft dit niet onderbouwd.

De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen en -overwegingen het primair tenlastegelegde feit, de diefstal, wettig en overtuigend bewezen, behoudens het bestanddeel braak.

feit 2:

Vast is komen te staan dat tussen donderdag 28 mei 2020 om 22:00 uur en vrijdag 29 mei 2020 om 07:45 uur onder meer sieraden van het merk Best to Buddha/Buddha to Buddha zijn weggenomen uit de auto van aangever [naam 2] en dat twee van deze sieraden al kort na de diefstal, op 29 mei 2020, bij [naam 15] te Breda te koop zijn aangeboden door verdachte. De aangever heeft verklaard dat hij op foto’s die verbalisant [verbalisant 2] hem doorstuurde van [naam 15] zijn weggenomen sieraden herkende. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij destijds sieraden bij [naam 15] had ingeleverd.

Het enkele feit dat in de stukken niet concreet is opgenomen waaraan de aangever zijn sieraden herkende, maakt die herkenning niet onbetrouwbaar. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan die herkenning van de aangever te twijfelen. Ook niet in de verklaring van verdachte dat hij één van de sieraden die hij bij [naam 15] inleverde eerder via Marktplaats zou hebben gekocht. Ook die verklaring heeft hij immers op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte de weggenomen sieraden in zijn bezit heeft gehad.

Ondanks de korte tijdspanne ‒ de tijd tussen de diefstal en de tijd dat verdachte de sieraden in zijn bezit heeft gehad en te koop heeft aangeboden bij [naam 15] ‒ is er onvoldoende bewijs aanwezig om verdachte te kunnen verbinden met de diefstal van goederen, zoals primair is tenlastegelegd. Verdachte wordt dan ook van dit feit vrijgesproken.

De rechtbank acht evenwel voldoende bewijsmiddelen voorhanden om tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit, de heling van de twee sieraden, te concluderen.

feit 3:

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat de jas en de heuptas die de dader van de diefstal draagt op de camerabeelden/screenshots overeenkomen met de jas en de heuptas die tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Door verbalisant [verbalisant 3] zijn de specifieke eigenschappen van deze goederen in detail beschreven en deze zijn terug te zien op de camerabeelden van de dader en de foto’s van de bij verdachte aangetroffen jas en tas. Ook de omstandigheid dat het niet één goed, maar twee typerende goederen betreft, acht de rechtbank hier van belang. Op het screenshot waarop de dader wegloopt van de auto is bovendien duidelijk waarneembaar dat het gaat om een mager persoon die enigszins voorovergebogen loopt, welk signalement gelijkenis vertoont met dat van verdachte. Het lijdt daarom naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat verdachte de dader is die op de camerabeelden/screenshots is te zien. De tenlastegelegde diefstal kan wettig en overtuigend worden bewezen.

feit 4:

Naast de aangifte van [naam 4] hecht de rechtbank waarde aan de verklaringen van getuige [getuige] . Hij zag op de bewuste avond, op 27 juli 2020, een persoon door zijn straat lopen die opvallend naar woningen en auto’s keek. Zodanig opvallend zelfs, dat [getuige] besloot een rondje door de wijk te gaan fietsen omdat hij benieuwd was wat deze persoon van plan was. Hij hoorde daarna een autoalarm afgaan vanuit [straat 1] , waar de Volvo van de aangever was geparkeerd. Dezelfde persoon die [getuige] eerder door zijn straat zag lopen, zag hij ongeveer 10 seconden later uit [straat 1] fietsen, terwijl er op dat moment geen andere mensen in die straat aanwezig waren. [getuige] constateerde dat het alarm van een Volvo in [straat 1] was afgegaan, dat een deur van die auto open stond en dat een portierraam kapot was. Toen hij daarop de persoon kort achtervolgde en aansprak herkende hij die als verdachte. Pas toen [getuige] daarna terugfietste naar [straat 1] stonden er andere mensen op straat die kennelijk op het alarm waren afgekomen.

Ondanks dat [getuige] verdachte niet feitelijk de diefstal van goederen uit de Volvo heeft zien plegen ‒ zoals door de raadsman is aangevoerd ‒ kan het op grond van de verklaringen van [getuige] niet anders zijn dan dat verdachte dit feit wel heeft begaan. Het is niet aannemelijk geworden dat een ander hierbij betrokken is geweest, met name gelet op het korte tijdsbestek tussen het afgaan van het autoalarm en de signalering van enkel verdachte in de directe nabijheid van de plaats delict.

De rechtbank acht de tenlastegelegde auto-inbraak wettig en overtuigend bewezen.

feit 5:

Ten aanzien van dit feit baseert de rechtbank zich weliswaar op de bewijsmiddelen aangaande de tas ‒ die op beelden/screenshots zichtbaar is en door de aangever wordt herkend als zijn tas ‒ maar die ook vooral in combinatie wordt bezien met de rode trui voorzien van witte letters op beide mouwen die dezelfde dader op de beelden draagt. Een zelfde trui is bij verdachte in beslag genomen.

De aangever heeft zowel bij het doen van aangifte als in een aanvullend verhoor een aantal kenmerken van de tas genoemd. De rechtbank gaat er dan ook van uit, dat als de aangever op een later moment verklaart dat hij zijn tas op een foto herkent, dat hij die op basis van de door hem genoemde eigenschappen kan onderscheiden.

De rechtbank oordeelt dat feit 5 primair, zonder het bestanddeel braak, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

feit 6:

Tegenover de ontkennende verklaring van verdachte staat de verklaring van aangever [naam 6] , waarin verschillende omstandigheden zijn opgenomen die wijzen op de directe betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van goederen uit de auto van de aangever. De aangever heeft zelfs verdachte geconfronteerd met deze diefstal en heeft rechtstreeks van hem of via hem een aantal gestolen spullen terugontvangen, zoals zijn sporttas en slippers.

De rechtbank acht de verklaring van aangever geloofwaardig, nu hij uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard en zijn relaas op de rechtbank authentiek overkomt. In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd, zijn er andere bewijsmiddelen aanwezig die de verklaring van de aangever ondersteunen.

Zo wordt door de aangever gesproken over camerabeelden van rond het tijdstip waarop de diefstal is gepleegd. Op die beelden is door hem gezien dat door een persoon wordt gekeken/gevoeld of auto’s kunnen worden geopend. Deze persoon draagt slippers die enkele maten te groot zijn en hij heeft een sporttas om zijn nek. De aangever herkent deze slippers en sporttas als zijn spullen die uit zijn auto zijn weggenomen. Hij zegt in dit verband schoenmaat 48 te hebben, een uitzonderlijk grote maat. Hij heeft verklaard de beelden naar de politie door te sturen.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft beelden die hij van aangever heeft ontvangen gezien. Daarop ziet hij ook een persoon die autoportieren probeert te openen en die slippers draagt en een sporttas om zijn nek heeft.

Verder spreekt de aangever van een mager persoon op de beelden, die op een vreemde manier en licht voorovergebogen loopt. Dit signalement komt overeen met de omschrijving van verdachte door verbalisant [verbalisant 4] .

De rechtbank merkt de verklaring van de aangever als betrouwbaar aan, zodat deze ook voor het bewijs kan worden gebezigd. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde feit, de diefstal - met uitzondering van het bestanddeel braak - wettig en overtuigend kan worden bewezen.

feit 7:

Verdachte heeft tijdens de zitting erkend dat hij de gestolen scooter in zijn bezit heeft gehad; hij had deze “geleend”. De rechtbank is van oordeel dat er naast deze verklaring voldoende bewijs is om te concluderen tot een bewezenverklaring van de diefstal van de scooter, zoals primair is tenlastegelegd. Zij heeft daarvoor met name in ogenschouw genomen de korte tijdspanne tussen het moment van de diefstal – op 17 oktober 2020 tussen 21.00 uur en de 23.00 uur – en het tijdstip waarop verdachte met de scooter is gesignaleerd – op 18 oktober 2020 omstreeks 12.30/12/45 uur. Enkele uren later die dag is de scooter ook daadwerkelijk door de politie in de woning van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft bovendien ter zitting verklaard dat hij de scooter, toen deze bij hem werd aangetroffen, een dag in zijn bezit had.

feit 8:

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen kan dit feit wettig en overtuigend worden bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 primair:

op 23 september 2020 te Breda uit een auto (merk: Volkswagen Polo, kenteken: [kenteken 2] ), een zonnebril (merk Rayban) en een Iphone oplaadkabel en een rode trui (merk: Calvin Klein) en een pot crème, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 subsidiair:

op 29 mei 2020 te Breda, goederen, te weten twee sieraden van het merk Buddha to Buddha heeft verworven, voorhanden gehad, en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

feit 3:

op 27 juni 2020 te Breda uit een auto (merk: Audi A6, kenteken: [kenteken 3] ) zonnebrillen (merk: Rayban) en een geldbedrag (ongeveer 60,-), die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 4:

op 27 juli 2020 te Breda, uit een auto (Volvo V50, kenteken: [kenteken 1] ) een zonnebril, merk Hugo Boss, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 5 primair:

op 17 augustus 2020 te Breda uit een auto (merk: Seat Ibiza, kenteken: [kenteken 4] ) een schoudertas (bruin leer) met daarin 3 paspoorten en een portemonnee en een rijbewijs en pasjes, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 5] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 6 primair:

op 13 september 2020 te Breda, uit een auto (merk: Saab 9-3, kenteken: [kenteken 5] )

- een sporttas (merk: Gorilla Wear, kleur: zwart/rood/wit) en

- een massageapparaat (merk: Hypervolt+) en

- een massagebal en

- een heuptasje met daarin een portefeuille en pasjes en een

Leatherman Wave+ multitool en

- een zaklamp en

- slippers (merk: Fila, kleur: blauw) en

- een paar schoenen (kleur: wit) en

- een horloge (Samsung Galaxy watch),

die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 7 primair:

op 17 oktober 2020 te Breda een scooter (merk: Kymco, type: PR50S, kleur: zwart/geel, kenteken: [kenteken 6] ), dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen scooter onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 8:

op 18 oktober 2020 te Breda, uit een auto/bestelbus

- een boormachine (merk: Bosch) en

- accu(‘s) (merk: Bosch en Makita) en

- een slijptol met accu (merk: Makita) en

- boren,

die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij voornemens was de ISD-maatregel te vorderen. Nu echter ter zitting aan de orde is gekomen dat niet kan worden voldaan aan de wettelijke voorwaarde van artikel 38m lid 1, aanhef en onder 2º van het Wetboek van Strafrecht (Sr), opteert hij voor een andere strafrechtelijke afdoening van deze zaak. Hij vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van voorarrest, in het bijzonder rekening houdend met de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte. Een voorwaardelijke straf acht hij niet passend, omdat de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen niet hebben geleid tot delictvrij gedrag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte inmiddels een half jaar in voorlopige hechtenis zit en dat dit hem heeft doen beseffen dat hij in de toekomst zijn leven anders wil gaan inrichten. Hij is daartoe intrinsiek gemotiveerd. Nu verdachte ook een half jaar lang geen drugs heeft kunnen gebruiken, ligt er een goede basis om opnieuw met de reclassering en Stichting Amarant aan de slag te gaan. De raadsman verzoekt ‒ als alternatief voor een ISD-maatregel ‒ een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van gelijke duur als het voorarrest en een voorwaardelijk deel om daaraan bijzondere voorwaarden te kunnen koppelen. Als bijzondere voorwaarden wordt voorgesteld om reclasseringstoezicht op te leggen, ook als dat inhoudt begeleiding door Amarant en verblijf in een instelling voor beschermd wonen, alsmede de verplichting om mee te werken aan alcohol- en drugstesten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in een periode van vijf maanden – van 29 mei 2020 tot en met 18 oktober 2020 – schuldig gemaakt aan een reeks auto-inbraken, diefstallen van goederen uit auto’s, diefstal van een scooter en heling van goederen afkomstig uit een auto. Opmerkelijk is dat zijn werkgebied de Haagse Beemden te Breda is geweest, de wijk waar hij ook zelf woonachtig is.

De slachtoffers hebben door toedoen van verdachte ongetwijfeld veel schade, hinder en ongemak ervaren. Zij zien zich niet alleen geconfronteerd met het verlies van goederen, maar soms ook met de reparatiekosten van de braakschade. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor de eigendommen en belangen van zijn buurtbewoners. Hij was er alleen op uit om ten koste van hen aan geld te komen om zijn drugsverslaving te kunnen bekostigen.

Bovendien moet het handelen van verdachte in de wijk gevoelens van onveiligheid en onrust hebben opgeroepen.
De rechtbank rekent verdachte de bewezenverklaarde feiten zwaar aan.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank bij de straftoemeting rekening gehouden met zijn strafblad. Hij is reeds meermalen veroordeeld voor vermogensdelicten. Ten tijde van het bewezenverklaarde liep verdachte in vijf proeftijden, die hem er niet van hebben weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van de verschillende rapportages die door de (verslavings)reclassering over verdachte zijn opgemaakt. Samenvattend vloeit hieruit voort dat verdachte kampt met verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek en dat hij een verstandelijke beperking heeft. Hij handelt impulsief en is beïnvloedbaar. Zijn sociale contacten bestaan voornamelijk uit kennissen uit het criminele (drugs)circuit. De afgelopen jaren is veelvuldig ingezet op verschillende vormen van hulpverlening, zowel klinisch als ambulant, maar diverse hulpverleningstrajecten zijn op initiatief van verdachte voortijdig afgebroken, met als gevolg dat hij telkens terugviel in oude gewoonten. Geruime tijd was er gedragsverandering zichtbaar en was er sprake van een voorzichtig stabiele situatie. Verdachte ging drie dagen in de week voor zijn dagbesteding naar [naam 10] , onderdeel van Stichting Maatschappelijke Opvang. Zijn moeder vervulde een belangrijke ondersteunende en beschermende rol. Sinds het begin van de coronaperiode en daarmee ook de stopzetting van de dagbesteding is echter een negatieve kanteling ontstaan. Verdachte ging zich vervelen, begaf zich meer op straat en begon weer harddrugs te gebruiken. Zijn psychische gesteldheid verslechterde hierdoor. Voor de zorginstanties was hij moeilijker te bereiken. Daarop werden hem achtereenvolgens twee kansen geboden voor een klinische detoxbehandeling, maar deze kansen heeft hij niet benut. Verdachte was aangemeld voor een intakegesprek bij De Schakel, een begeleide woonvorm van De Rooyse Wissel in Limburg, maar gezien de omstandigheid dat verdachte niet meewerkte aan de klinische detox, daar vertrok en vervolgens werd aangehouden voor een nieuw strafbaar feit is het intakegesprek ingetrokken. Ook de Stichting Amarant heeft inmiddels haar handen van verdachte afgetrokken en is met zijn begeleiding gestopt.

In de meest recente rapporten van de reclassering, van 26 februari 2021 en 30 maart 2021, is vermeld dat er nog vier lopende reclasseringstoezichten zijn en dat verdachte de voorwaarden daarvan heeft overtreden. Door de reclassering wordt geen andere optie meer gezien dan het strakke en langduriger kader van de ISD-maatregel op te leggen om de recidivekans – die als hoog wordt ingeschat ‒ te verminderen en gedragsverandering te realiseren.

Ter zitting heeft de deskundige, reclasseringswerker [reclasseringswerker] , een mondelinge toelichting op de uitgebrachte rapportages gegeven. Zij heeft opgemerkt dat het niet altijd een kwestie van onwil van verdachte is om mee te werken, maar ook van onmacht om de begeleidingstrajecten vol te houden. Zij benadrukt dat de reclassering nog altijd achter haar advies tot oplegging van een ISD-maatregel staat. Een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals reclasseringstoezicht, staat de reclassering niet voor. Zij heeft voor die optie thans geen uitgestippeld plan gereed liggen. Mocht de rechtbank een dergelijke straf opleggen, dan zal de reclassering aan de bijzondere voorwaarden wel uitvoering geven, aldus de deskundige. Voorts heeft de deskundige het zorgelijk genoemd als verdachte kaal wordt afgestraft en vervolgens zonder enige begeleiding in vrijheid wordt gesteld, daarbij refererend aan de eis van de officier van justitie en de vorderingen tenuitvoerlegging.

Zoals ter zitting aan de orde is gekomen, is er niet voldaan aan de eisen die artikel 38m lid 1 Sr stelt aan oplegging van een ISD-maatregel. Ingevolge artikel 38m lid 1, aanhef en onder 2º Sr is daarvoor onder meer vereist dat een strafbaar feit is begaan nadat van drie veroordelingen de in artikel 38m lid 1 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id864580bbdaed44501e8ca0f4bc8e42b9) Sr bedoelde straffen of maatregelen geheel ten uitvoer zijn gelegd. Deze eis van gehele tenuitvoerlegging van drie veroordelingen strekt zich naar het oordeel van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:2028) ook uit tot het voorwaardelijke gedeelte van een gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegde straf.

In casu is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten zesmaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf. Daarbij betreft het vijf deels voorwaardelijk opgelegde straffen, waarvan de voorwaardelijke delen nog niet zijn tenuitvoergelegd. Aldus is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarde van artikel 38m lid 1, aanhef en onder 2º Sr en behoort oplegging van de ISD-maatregel niet tot de mogelijkheden. De officier van justitie heeft oplegging ook niet meer gevorderd en alleen al om deze reden kan de rechtbank deze maatregel niet opleggen.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ook de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd in aanmerking genomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten en de frequente recidive niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij deelt de opvatting van de officier van justitie dat een voorwaardelijke straf een gepasseerd station is, gelet op de vijf voorwaardelijke straffen die ten tijde van het bewezenverklaarde boven het hoofd van verdachte hingen en er niet toe hebben geleid dat hij zich anders is gaan gedragen. De door de officier van justitie gevorderde straf wordt alleszins redelijk geacht.

Verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank deelt de zorg van de reclassering dat het met het oog op de veelzijdige problematiek van verdachte niet wenselijk is dat hij na zijn detentie zonder enige vorm van hulpverlening op straat komt te staan. De rechtbank neemt dit mee bij haar beslissing inzake de vorderingen tenuitvoerlegging.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam 2] vordert een schadevergoeding van € 962,00 en de wettelijke rente voor feit 2.

Verdachte is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij [naam 5] vordert een schadevergoeding van € 84,20 en de wettelijke rente voor feit 5.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is voldoende onderbouwd en de rechtbank acht deze toewijsbaar tot een bedrag van € 84,20 ter zake van materiële schade.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij [naam 7] vordert een schadevergoeding van € 359,70 en de wettelijke rente voor feit 7.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is voldoende onderbouwd en de rechtbank acht deze toewijsbaar tot een bedrag van € 359,70 ter zake van materiële schade.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal bij de hiervoor genoemde toe te wijzen bedragen ook telkens de wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 Het beslag

8.1

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De vorderingen tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straffen die aan verdachte eerder bij vonnis door de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zijn opgelegd ten uitvoer zullen worden gelegd. Dit betreft:

- Het vonnis d.d. 4 april 2019 met parketnummer 02/063136-19, waarbij is opgelegd een gevangenisstraf van 5 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met bijzondere voorwaarden en met aftrek van voorarrest.

- Het vonnis d.d. 12 november 2018 met parketnummer 02/145900-18, waarbij is opgelegd een gevangenisstraf van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

- Het vonnis d.d. 6 september 2018 met parketnummer 02/168232-18, waarbij is opgelegd een gevangenisstraf van 6 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met bijzondere voorwaarden en met aftrek van voorarrest.

- Het vonnis d.d. 29 augustus 2017 met parketnummer 02/097618-17, waarbij is opgelegd een gevangenisstraf van 3 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden.

- Het vonnis d.d. 21 maart 2018 met parketnummer 02/152821-17, waarbij is opgelegd een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden.

De raadsman heeft verzocht de proeftijden van deze straffen te verlengen. Daarnaast heeft hij gewezen op de mogelijkheid om de bijzondere voorwaarden bij deze straffen aan te passen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijden schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kunnen de vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om één voorwaardelijk opgelegde straf niet geheel ten uitvoer te leggen, te weten de straf die bij het meest recente vonnis van 4 april 2019 is opgelegd. Zij zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de opgelegde drie maanden gevangenisstraf slechts gedeeltelijk, voor twee maanden, ten uitvoer leggen. Zo resteert nog een maand voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron te Breda, een behandeling bij deze reclasseringsinstelling of een soortgelijke zorgverlener en de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname (voor maximaal zeven weken).

De proeftijd van deze voorwaardelijke straf zal met een jaar worden verlengd.

Op deze manier behoudt verdachte ook na zijn detentie nog enige vorm van hulpverlening, hetgeen de rechtbank van belang acht gezien zijn verslavingsproblematiek, psychische problematiek en verstandelijke beperking, met verwijzing naar de voormelde strafoverwegingen. Omdat thans vier van de vijf vorderingen tenuitvoerlegging worden toegewezen, zal bij een volgende misstap van verdachte mogelijk wel een ISD-maatregel (kunnen) worden opgelegd. Door de begeleiding voort te zetten vanaf het moment dat hij op vrije voeten wordt gesteld, wordt verdachte opnieuw een kans geboden om zijn leven met hulp van professionele ondersteuning beter in te richten, waardoor de kans op een nieuwe misstap wordt verkleind.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair, feit 3, feit 5 primair, feit 6 primair, telkens: diefstal;

feit 2 subsidiair: opzetheling

feit 4, feit 8, telkens: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 7 primair: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 240 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam 2] (feit 2) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 2] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 5] (feit 5) van € 84,20 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 augustus 2020 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam 5] , € 84,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf

17 oktober 2020 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 2 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 7] (feit 7) van € 359,70 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 oktober 2020 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam 7] , € 359,70 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf

17 oktober 2020 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- gereedschapskoffer, goednummer G2247224, enkel koffer, geen inhoud, oranje, merk: Fein Multimaster;

- tas, goednummer G2247264, nep slangenleren, gouden cijferslotje, bruin;

Vorderingen tenuitvoerlegging

- gelast dat van de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 4 april 2019 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/063136-19 een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 2 maanden gevangenisstraf;

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 02/063136-19 voor het overige af, maar verlengt de proeftijd met één jaar;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 12 november 2018 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/145900-18 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten

1 week gevangenisstraf;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 6 september 2018 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/168232-18 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten

3 weken gevangenisstraf;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 29 augustus 2017 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/097618-17 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten

2 weken gevangenisstraf;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 21 maart 2018 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/152821-17 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten

2 maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Collombon, voorzitter, mr. Los en mr. Van de Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 april 2021.

Mrs. Van de Riet en Roebroeks zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

12 Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 23 september 2020 te Breda, uit een auto (merk: Volkswagen

Polo, kenteken: [kenteken 2] ), een zonnebril (merk Rayban) en/of een Iphone

oplaadkabel en/of een rode trui (merk: Calvin Klein) en/of een pot crème (merk:

Dove), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 september 2020 te Breda,

(een) goed(eren), te weten een rode trui (merk Calvin Klein) en/of een pot crème

(merk: Dove) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/die

goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door

misdrijf verkregen goed betrof;

art. 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Breda, uit een auto (Renault Megane, kenteken:

[kenteken 7] ) Apple airpods en/of een Buddha to Buddha armband en/of een Best to

Buddha armband en/of een Buddha to Buddha ketting en/of een horloge (merk:

Armani) en/of parfum (The One), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander toebehoorde, te weten aan [naam 2] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft

en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 mei 2020 te Breda,

(een) goed(eren), te weten twee sieraden van het merk Buddha to Buddha heeft

verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

art. 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 27 juni 2020 te Breda uit een auto (merk: Audi A6, kenteken: [kenteken 3] ) (een) zonnebril(len) (merk: Rayban) en/of een geldbedrag (ongeveer 60,-), in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 3]

, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

4

hij op of omstreeks 27 juli 2020 te Breda, uit een auto (Volvo V50, kenteken: [kenteken 1]

een zonnebril, merk Hugo Boss, in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 4] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich

de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te

nemen zonnebril onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of

verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

5

hij op of omstreeks 17 augustus 2020 te Breda uit een auto (merk: Seat Ibiza,

kenteken: [kenteken 4] ) een schoudertas (bruin leer) met daarin 3 paspoorten en/of een portemonnee en/of een rijbewijs en/of (een) pasje(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 5] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft

en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 augustus 2020 tot

en met 24 september 2020 te Breda, in elk geval in Nederland,

een (schouder)tas (bruin leer), althans een goed heeft verworven, voorhanden

heeft gehad, en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen

goed betrof;

art. 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van strafrecht.

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

6

hij op of omstreeks 13 september 2020 te Breda, uit een auto (merk: Saab 9-3,

kenteken: [kenteken 5] )

- een sporttas (merk: Gorilla Wear, kleur: zwart/rood/wit) en/of

- een massageapparaat (merk: Hypervolt+) en/of

- een massagebal en/of

- een heuptasje met daarin een portefeuille en/of een of meer pasjes en/of - een

Leatherman Wave+ multitool en/of

- een zaklamp en/of

- slippers (merk: Fila, kleur: blauw) en/of

- een paar schoenen (kleur: wit) en/of

- een horloge (Samsung Galaxy watch),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten

aan [naam 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2020

tot en met 24 september 2020 te Breda, in elk geval in Nederland,

- een sporttas (merk: Gorilla Wear, kleur: zwart/rood/wit) en/of

- een massageapparaat (merk: Hypervolt+) en/of

- een massagebal en/of

- een heuptasje met daarin een portefeuille en/of een of meer pasjes en/of - een

Leatherman Wave+ multitool en/of

- een zaklamp en/of

- slippers (merk: Fila, kleur: blauw) en/of

- een paar schoenen (kleur: wit) en/of

- een horloge (Samsung Galaxy watch),

althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a

Wetboek van Strafrecht )

7

hij op of omstreeks 17 oktober 2020 te Breda een scooter (merk: Kymco, type: PR50S, kleur: zwart/geel, kenteken: [kenteken 6] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen scooter onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 oktober 2020 te Breda,

een scooter (merk: Kymco, type: PR50S, kleur: zwart/geel, kenteken: [kenteken 6] ,

althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen

goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a

Wetboek van Strafrecht )

8

hij op of omstreeks 18 oktober 2020 te Breda, uit een auto/bestelbus

- een boormachine (merk: Bosch) en/of

- een of meer accu(‘s) (merk: Bosch en/of Makita) en/of

- een slijptol met accu (merk: Makita) en/of

- een of meer bo(o)r(en),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten

aan [naam 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft

en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

13 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2020254652 van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 242.

feit 1:

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] d.d. 23 september 2020 door verbalisant [verbalisant 5] , op pagina 37 en 38 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik woon aan de [adres 1] te Breda. Op 22-09-2020 omstreeks 20:00 uur heb ik mijn auto, een Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken 2] op de oprit van onze woning geparkeerd. Ik ben vergeten om mijn auto op slot te zetten. Ik werd vandaag omstreeks 06:15 uur wakker, keek op mijn telefoon en zag notifications van een bewegingsactie afkomstig van de camera's welke we aan het huis hebben hangen, gericht op de oprit. Ik bekeek de beelden en zag een persoon in de auto van de buurman gaan. Omschrijving persoon: man, normaal postuur, blank, petje, donker vest met op de rechterarm een rond embleem. Mijn vriend zag dat de auto overhoop was gehaald. Uit mijn auto zijn de volgende spullen weggehaald:
- Rayban zonnebril
- Iphone oplaadkabel
- handcrème

Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [naam 1] d.d. 19 oktober 2020 door verbalisant [verbalisant 6] , op pagina 40 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op de camerabeelden zag ik dat de persoon een trui rond zijn middel sloeg. Ik herkende de trui als mijn rode Calvin Klein trui. Op de borst stond Calvin Klein.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2020 door verbalisant [verbalisant 1] , op pagina 44 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik zag dat de persoon op de camerabeelden een embleem wat wit oplichtte op zijn rechter mouw van zijn jas had zitten. Verder zag ik dat de persoon een kledingstuk vast had en op de beelden lijkt het of hij deze om zijn middel doet. Aangeefster verklaarde dat er uit haar auto een bordeaux rode Calvin Klein heren trui, een Rayban zonnebril en een potje crème was weggenomen.

Hierna zijn wij naar het adres van [verdachte] gegaan, aan de [adres verdachte] te Breda.

Ik zag in de woonkamer op de bank een bordeaux rode trui liggen. Ik pakte de rode trui op en zag dat er voorop in rode letters Calvin Klein stond.

Met de diefstal in het achterhoofd ben ik meteen gaan bellen met de vriend van aangeefster.

Ik heb toen foto's ontvangen waarop ik zag dat hij exact dezelfde trui aanhad.

[verdachte] werd door ons aangehouden ter zake heling.

Op de tv kast zag ik een potje Nivea crème staan. Ik heb aangeefster twee foto's gestuurd van de trui en het potje crème. Ik kreeg toen een bericht van haar terug dat dit de betreffende spullen waren.

De foto’s/printscreens van de camerabeelden d.d. 23 september 2020 van de persoon dragende een jas met een embleem wat wit oplichtte, zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 1] , op pagina 70 van het voornoemd eindproces-verbaal.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2020 door verbalisant [verbalisant 4] , op pagina 52 en 53 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 24 september 2020 was ik samen met collega wijkagent [verbalisant 1] op huisbezoek bij de moeder van de verdachte. Tijdens het huisbezoek kwam ook de verdachte binnen stappen. Ik zag dat de verdachte sterk vermagerd was en er zwak uit zag. Ik zag dit doordat hij licht voorover gebogen liep en onvast ter been was.

Na dit gesprek hoorde ik collega [verbalisant 1] zeggen dat er een diefstal uit auto had plaats gevonden op woensdag 23 september 2020 omstreeks 06.07 uur aan de [adres 1]

in Breda. Ik zag de camerabeelden waarop een persoon te zien is, die heel rustig over de oprit liep. Ik zag dat de persoon een mager postuur had en licht voorover gebogen liep. Gezien de werkwijze van de persoon, het postuur, het tijdstip en de omgeving had ik sterk het vermoeden dat het hier ging om de verdachte [verdachte] .

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2020 door verbalisant [verbalisant 7] , op pagina 68 en 69 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik zag dat de datum van de camerabeelden op 23 september 2020 stond en dat de tijd

06:06:52 uur was. Ik zag dat er een persoon op een oprit bij een zwarte auto stond.

Ik zag dat de persoon een donkerkleurige jas aan had met een rond, lichtkleurige embleem op de rechter bovenarm.

Ik zag dat de in beslag genomen jas, PL2000-2020252992-11, overeen kwam met de jas op

de camerabeelden. Ik zag dat er op de in beslag genomen jas een rond, wit embleem zat

op de rechter bovenarm. Deze jas was in de woning van verdachte [verdachte] in

beslag genomen.

feit 2:

Het proces-verbaal van aangifte en bijlage goederen van [naam 2] d.d. 28 mei 2020 door verbalisant [verbalisant 8] , op pagina 95 en 98 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk

weergegeven-:

Plaats delict: [adres 2] , Breda.

Pleegdatum/tijd Tussen donderdag 28 mei 2020 om 22:00 uur en vrijdag 29 mei 2020 om 07:45 uur.

Ik kwam mijn auto in op het moment dat ik naar mijn werk toe wilde gaan om 07:45 uur. Mijn auto was open tot mijn verbazing. Het dashboardkastje stond open. Er zijn meerdere spullen gestolen: Apple airpods, Buddha to Buddha armband, Best to Buddha armband, Buddha to Buddha ketting, parfum, Armani horloge.

Voertuig: Personenauto

Merk/type: Renault Megane

Kenteken: [kenteken 7] .

Bijlage goederen:

Object: Parfumerieën

Merk/type: Toevoegen The One.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2020 door verbalisant [verbalisant 2] , op pagina 99 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik zag dat er op vrijdag 29 mei 2020, door de mij ambtshalve bekende [verdachte]

twee sieraden, namelijk Best to Buddha en Buddha to Buddha had ingeleverd bij [naam 15]

te Breda.

Ik heb hierop direct telefonisch contact opgenomen met [naam 15] . Ik hoorde dat

zij deze sieraden nog hadden liggen en ik verzocht hen mij hiervan de foto's te

sturen, ik ontving korte tijd later deze foto's via de Whatsapp. Ik heb vervolgens de aangever van de diefstal uit auto, te weten de heer [naam 2] gebeld. Ik heb de aangever via Whatsapp de foto's gestuurd, welke ik van de medewerker van [naam 15] had gekregen. Ik kreeg hier kort hierop de volgende reactie op van de aangever: “Ja dit zijn ze wel!!!”

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting op 12 april 2021:

Ik had destijds bij [naam 15] een armband en ketting ingeleverd.

feit 3:

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] d.d. 2 juli 2020 door verbalisant

[verbalisant 9] , op pagina 111 en 112 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 27 juni 2020 omstreeks 09:00 uur liep ik naar mijn auto. Toen ik buiten was zag ik direct de achterklep van mijn auto open staan. Ik keek in mijn auto en ik zag op de passagiersstoel mijn portemonnee liggen met daarnaast mijn pasjes verspreid. Ik heb rondom mijn huis camera's hangen, ik ben de beelden gaan bekijken. Ik zag iemand rondhangen bij de auto's die geparkeerd stonden. Ik zag diegene voelen aan de autogrepen of er auto's niet op slot stonden. De persoon die dit deed kan ik als volgt omschrijven: tussen de 1.70-1.80 meter, dun postuur, slippers, een tasje om zijn nek.
Ik zag dat de man de passagiersdeur opende en in mijn auto stapte. Hij lag in de auto om in de bestuurdersdeur te voelen. Daar lag mijn portemonnee. Daarna zag ik dat de man mijn auto's achterklep opendeed en in mijn kofferbak keek. Ik ging terug naar de auto om te kijken welke spullen er weg waren. Ik zag dat de tweezonnebrillen weg waren, van het merk Ray Ban. Eén goudkleurig vrouwenmodel en één zwart mannenmodel. Ook had ik ongeveer 60,- euro in mijn portemonnee liggen, een briefje van 50.- euro en een briefje van 10,- euro.

Voertuig: Personenauto

Merk/type: Audi A6

Kleur: Zwart

Kenteken: [kenteken 3]

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2020 door verbalisant

[verbalisant 3] , op pagina 115 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 24 september 2020 was ik betrokken bij een doorzoeking in een de woning gelegen aan de [adres verdachte] te Breda. Hierbij zijn verschillende goederen in beslag genomen. Ik zag dat er een jas in beslag werd genomen. De jas heeft de volgende kenmerken:

- merk: Quechua

- kleur bovenste helft: zwart

- kleur onderste helft: grijs

- overige kenmerken: twee lusje bij de capuchon/ kraag, jaszakken met drukkertjes,

een jaszak op de linkerborst met een verticale ritssluiting naast de rits van de jas.

Daarnaast werd er een heuptasje in beslag genomen. Het heuptasje had de volgende

kenmerken:

- merk: Saslhi

- kleur: grijs

- overige kenmerken: twee ritsen, eentje aan de bovenkant en een horizontale rits aan

de voorkant van de tas en er zit een witte logo rechtsonder op de voorkant.

Op 26 september 2020 zag ik de camerabeelden die bij de aangifte aanwezig

waren. Ik zag dat er een persoon aan de auto deuren voelde. Ik zag dat de jas die de

persoon droeg overeenkwam met de jas die op 24 september tijdens de doorzoeking in

beslag werd genomen. Ik herkende de jas aan de volgende kenmerken:

- kleur: de bovenkant van de jas had een donkere kleur ten opzichte van de onderkant

van de jas.

- er zaten lusjes bij de capuchon/ kraag;

- de jaszakken waren voorzien van drukkertjes;

- er zat een verticale jaszak op de linkerborst van de jas.

Daarnaast zag ik op de beelden dat de persoon een heuptasje droeg. Ik zag dat de

heuptas de volgende kenmerken had:

- kleur: grijs

- twee openingen, eentje op de bovenkant en een horizontale opening op de voorkant

een opdruk rechts onder op de voorkant.

De foto van de jas en het heuptasje, zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 3] , op pagina 116 van het voornoemd eindproces-verbaal.

De foto’s/printscreens van de camerabeelden van de persoon (die staat en wegloopt bij een zwarte Audi) dragende de jas en het heuptasje, zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 3] , op pagina 118 van het voornoemd eindproces-verbaal.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2020 door verbalisant [verbalisant 4] , op pagina 52 en 53 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 24 september 2020 was ik samen met collega wijkagent [verbalisant 1] op huisbezoek bij de moeder van de verdachte. Tijdens het huisbezoek kwam ook de verdachte binnen stappen. Ik zag dat de verdachte sterk vermagerd was en er zwak uit zag. Ik zag dit doordat hij licht voorover gebogen liep en onvast ter been was.

feit 4:

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] d.d. 27 juli 2020 door verbalisant [verbalisant 3] , op pagina 136 en 137 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:


Op 27 juli 2020 omstreeks 16:30 uur parkeerde ik mijn voertuig op een parkeerplaats op [straat 1] te Breda. Ik sloot mijn voertuig af. Omstreeks 21.00 uur belde de buurman bij mij aan. Ik hoorde hem zeggen dat er was ingebroken in mijn personenauto. Ik zag dat de portier aan de bestuurderskant openstond. En ik zag dat het raam van de openstaande deur er niet meer in zat. Ik zag meerdere glasscherven op de bestuurdersstoel liggen. Ik keek in het voertuig en zag de zonnebril niet meer liggen.

De zonnebril: merk Hugo Boss

Voertuig: Personenauto

Merk/type: Volvo V50

Kenteken: [kenteken 1]

Het proces-verbaal van verhoor getuige F.M. Meijer d.d. 27 juli 2020 door verbalisant J. van der Meulen, op pagina 139 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:


Op maandag 27 juli 2020, omstreeks 21.00 uur, zag ik een persoon met een rode jas, zwarte pet en rugzak door de straat lopen. Het viel mij op dat hij bij meerdere woningen en auto's
keek. Ik besloot om met de fiets een rondje in de wijk te maken. Ik was toch benieuwd wat hij zou gaan doen. Toen ik op de Kerkuil fietste hoorde ik een autoalarm afgaan vanuit [straat 1] . Ik zag dezelfde persoon op een fiets uit [straat 1] fietsen. Ik besloot om [straat 1] in de fietsten. Ik zag dat het alarm van een Volvo afging. Ik zag dat de autodeur openstond en het raam van het portier kapot was. Ik besloot om direct om te keren en richting de persoon te fietsen. De persoon herkende ik als [verdachte] die aan de [straat 2] woonde.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 19 oktober 2020 door verbalisant [verbalisant 3] , op pagina 141 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Toen ik op ongeveer 10 meter afstand van [straat 1] kwam, zag ik een persoon die ik

herkende als [verdachte] uit de straat komen. Ik gok dat tussen het alarm en het moment dat

ik [verdachte] zag ongeveer 10 seconden zat. Er liepen wel andere mensen in de omgeving. Maar niemand in [straat 1] dat ik zag.

Ik fietste terug richting [straat 1] . Ik zag dat er op dat moment wel andere mensen op straat stonden, maar die waren op het alarm afgekomen.

feit 5:

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 5] d.d. 27 augustus 2020 door verbalisant [verbalisant 10] , op pagina 148 en 149 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Plaats delict: [adres 3] Breda.
In de nacht van zondag op maandag 17-08-2020 is tussen 04:00 en 07:30 uur mijn auto doorzocht en is een schoudertasje ontvreemd met daarin drie paspoorten en mijn portemonnee met daarin mijn rijbewijs en een aantal pasjes. De rechter deur stond open, de zonnekleppen half omlaag en het handschoenenkastje open. De auto had geen zichtbare braakschade. Buiten een bruinleren vierkante schoudertas van ongeveer 25x25cm heb ik alles terug.
Voertuig: Personenauto

Merk/type: Seat Ibiza St

Kenteken: [kenteken 4]

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [naam 5] d.d. 19 oktober 2020 door verbalisant [verbalisant 11] , op pagina 153 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

De tas is van bruin leer en heeft een vierkante vorm. Er zitten over de volledige breedte van de tas twee ritsen op. Ik zal een privé foto van de tas opsturen naar u.

De foto van de tas (gedragen door de aangever) zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van verhoor aangever [naam 5] , op pagina 115 van het voornoemd eindproces-verbaal.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2020 door verbalisant [verbalisant 3] , op pagina 157 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:


Op 24 september 2020 was ik betrokken bij een doorzoeking in de woning van de [adres verdachte] te Breda. Ik zag dat er een opvallende rode trui met een witte opdruk op beide mouwen in beslag werd genomen.
Op 26 september 2020 keek ik naar verschillende registraties met betrekking tot auto-inbraken. Ik zag dat er beeldmateriaal aanwezig was bij deze aangifte. Ik zag op een screenshot dat er een verdachte in beeld was die een opvallende rode trui droeg met witte opdruk op beide mouwen. Ik herkende de trui direct als de eerder in beslag genomen trui.

De foto van de inbeslaggenomen rode trui met witte letters, zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 3] , op pagina 158, van het voornoemd eindproces-verbaal.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2020 door verbalisant [verbalisant 12] , op pagina 161 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik zag dat aangever een melding bij de politie had gedaan dat aangever haar weggenomen tas herkend had op een foto die op Facebook rond ging. De foto werd door [naam 11] gepost en dat was in de “ [naam 16] te koop, aangeboden en te koop, gevraagd weggeef groep”. Ik las dat aangeefster 100 procent zeker wist dat het haar tas was. Ik had de camerabeelden van mevrouw [naam 11] ontvangen en herkende [verdachte] op de camerabeelden. Verbalisant zag dat hij een donkerkleurige vierkante schoudertas om had. Ik voeg een printscreen van de camerabeelden bij mijn proces-verbaal van bevindingen toe waarop de tas te zien is. De aangever was van een auto-inbraak op de [adres 3] te Breda.

De foto van een persoon dragende een tas, zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 12] (en dragende een rode trui met witte letters), zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , op pagina 162, van het voornoemd eindproces-verbaal.

De foto/screenshot van de inbraak in een auto d.d. 10 september 2020, zoals hierboven omschreven in het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 12] , op pagina 163, van het voornoemd eindproces-verbaal.

feit 6:

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 6] d.d. 15 september 2020 door verbalisant [verbalisant 1] , op pagina 169 t/m 174 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op zaterdag 12 september 2020 heb ik mijn auto op de oprit geparkeerd bij mij voor de woning aan de [adres 4] te Breda. Op 13 september 2020, omstreeks 00.00 uur, ben ik nog bij mijn voertuig geweest om te kijken of de deuren goed op slot waren.
Op 13 september, omstreeks 09.00 uur, kwam ik bij mijn auto. Ik zag dat de sloten van al mijn deuren open stonden. Het viel mij toen op dat mijn sporttas weg was. Ik zag dat het dashboardkastje open stond. Ik zag dat mijn massageapparaat en mijn heuptasje ook weg waren. In het heuptasje zat mijn portefeuille inclusief al mijn belangrijke passen, een leatherman multi tool, en een led mini zaklamp. In mijn sporttas zaten blauwe Fila slippers, een paar witte schoenen, en nog wat verzorgings-spullen. Verder lag daar ook nog een Samsung Galaxy watch in. De sporttas zelf is specifiek, van het merk Gorilla Wear, zwart van kleur, met rode en witte elementen, met een logo teken aan de zijkant.
Via Nextdoor, werd ik benaderd met de mededeling dat de bewoner van [adres 5] te Breda, beelden had van een persoon die afgelopen nacht aan auto's aan het voelen was of deze open waren. Ik ben toen de beelden gaan bekijken. Ik zag op deze beelden een persoon die een sporttas om had. Ik herkende deze als mijn sporttas. Ik zag ook dat de persoon op de beelden mijn slippers droeg, ik zag ook op de beelden een lichte schaduw op het moment dat hij wegloopt. Daarop maakte ik uit dat de slippers veel te groot zijn. Ik heb zelf maat 48, en dat heeft bijna niemand. Op de voorkant zag ik de bedrukking van Fila. Het ging om
een mager iemand die op een vreemde manier liep. Hij liep licht voorovergebogen, met zijn schouders naar voren gedraaid.
Ik heb deze beelden doorgespeeld naar mijn buurvrouw [naam 12] , die 100 procent zeker wist dat de persoon op de beelden [verdachte] betrof.

Op een gegeven moment stond ik ergens te posten op [verdachte] . Ik werd toen aangesproken door een man. Ik noemde de gestolen objecten op. Hij gaf aan dat bij hem het horloge lag. Hij gaf aan deze niet gekocht te hebben maar dat [verdachte] aan hun had gevraagd om dit horloge voor hem op te laden. Ik kreeg toen dat horloge. Ik hoorde de bewoonster van dat adres dat [verdachte] ook met het massageapparaat was langs geweest.
Ik ben toen de volgende dag, 14 september 2020, weer naar [verdachte] toe gegaan. Ik zag toen [verdachte] fietsen op de fiets die ik herkende uit het filmpje. Ik heb hem aangesproken, ik zei hem dat hij spulletjes uit mijn auto had gestolen. Ik hoorde hem zeggen: ik weet waar alle spulletjes zijn, ik ga ze jou allemaal terug geven. Ik heb hem niet verteld over welke auto het ging. Toch wist hij alles. Ik hoorde hem o.a. praten over mijn pasjes, hij noemde mijn massage apparaat. Ik zei hem dat ik eerst mijn portefeuille terug wilde hebben. Hij zei mij dat deze in een papiercontainer lag die zelden wordt geleegd. Deze papier container stond bij mijn eigen woning om de hoek ook nog in de [adres 4] . [verdachte] , heeft die container geopend voor mij. Hij heeft toen inderdaad al mijn pasjes en mijn portefeuille eruit gehaald. Ik zag ook dat mijn autoboekje, en wat verzorgingsspullen uit mijn tas in de papier container lagen. Ik zei dat het volgende mijn massageapparaat betreft. [verdachte] begon toen over een vriend te praten. We zijn naar de Bergdreef gelopen. Wij zagen daar o.a. [naam 13] en [naam 14] staan. Ik hoorde [verdachte] tegen hun zeggen dat ik mijn massageapparaat terug wilde hebben. Uiteindelijk gaf deze vrouw toe, dat ze het apparaat had en dat ik om 14.00 uur, terug kon komen. Ik ben toen naar [verdachte] gegaan. Ik zag dat mijn witte sportschoenenbij hem onder zijn salontafel stonden. Deze heeft hij mij terug gegeven. Ook vroeg hij wat nog meer van mij was. Ik heb toen mijn sporttas nog genoemd. [verdachte] , is zijn slaapkamer in gelopen en gaf mij toen mijn sporttas terug. In deze tas zaten mijn slippers in.

Voertuig: Personenauto

Merk/type: Saab

Kleur: Blauw

Kenteken: [kenteken 5]

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2020 door verbalisant [verbalisant 4] , op pagina 52 en 53 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 24 september 2020 was ik samen met collega wijkagent [verbalisant 1] op huisbezoek bij de moeder van de verdachte. Tijdens het huisbezoek kwam ook de verdachte bij toeval binnen stappen. Ik zag dat de verdachte sterk vermagerd was en er zwak uit zag. Ik zag dit doordat hij licht voorover gebogen liep en onvast ter been was.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2020 door verbalisant [verbalisant 3] , op pagina 178 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op zondag 27 september 2020 kreeg ik van een aangever meerdere beelden toegestuurd. Ik keek de camerabeelden 'VID-20200913-WA00311 uit. Ik zag dat de camera uitkeek op een oprit. Ik zag dat op de oprit een personenauto schuin geparkeerd stond. Rechts van de personenauto zag ik een tweede voertuig staan, rechts in beeld. Ik zag dat op '12 seconden' de persoon aan de meest rechter auto ging en aan de hendel van het portier trok. Ik zag dat de deur niet openging en dat de persoon afstapte en richting de personenauto liep.

Ik zag dat de persoon een pet op had met daaroverheen een capuchon. Ik zag dat de man slippers aan had en twee tassen om zijn nek had. Ik zag dat een tas wat groter was. Ik zag dat dit leek op een sporttas.

feit 7:

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] d.d. 17 oktober 2020 door verbalisant [verbalisant 13] , op pagina 52 en 54 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Plaats delict: [adres 6] , Breda

Op 17/10 tussen 21.00 en 23.00 uur is mijn scooter gestolen.

Bijlage goederen:

Voertuig: Bromfiets (Bromscooter)

Merk/type: Kymco Pr50s

Bijzonderheden: Fel geel

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2020 door verbalisant [verbalisant 14] , op pagina 84 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op zondag 18 oktober 2020 tussen 12:30 uur en 12:45 uur reed ik in burger in een burgervoertuig op de [adres verdachte] te Breda. Ter hoogte van nummer [huisnummer]

zag ik de mij ambtshalve bekende “ [verdachte] ” die bij mij bekend staat als auto inbreker,

rijden op een scooter met een gele voorzijde en een zwarte achterzijde. Hij reed de

scooter vanaf zijn voordeur de brandgang in achter zijn woning.

Ik herkende [verdachte] aan zijn gehele gezicht. [verdachte] is volledig genaamd: [verdachte] .

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2020 door verbalisant [verbalisant 15] , op pagina 84 en 85 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 18 oktober omstreeks 18.00 uur kregen we van de het operationeel centrum te Bergen op Zoom de opdracht om te gaan naar de [adres verdachte] te Breda. Door getuige was gezien dat een persoon deze woning in was gegaan met een opvallende scooter, aan de voorkant geel en de rest zwart. Een gelijksoortige scooter was een dag te voren weg genomen in Breda. In de keuken zag ik een persoon staan, die ik herkende als de persoon die op dit adres ingeschreven staat, namelijk [verdachte] . Ik zag dat er achter [verdachte] in de keuken een geel/zwarte scooter stond. Hierop [verdachte] verteld dat hij was aangehouden.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting op 12 april 2021:

De Kymco scooter die bij mij in de keuken is aangetroffen, heb ik daar neergezet. Ik had hem een dag.

feit 8:

Verdachte heeft dit feit bekend, daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 april 2021;

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 9] d.d. 18 oktober 2020 door verbalisant

[verbalisant 16] , op pagina 59 en 60 van het voornoemd eindproces-verbaal.