Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2072

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
02/058313-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt schuldig bevonden aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, heroïne en xtc-pillen, alsmede aan strafbare voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht op het bereiden, bewerken en verwerken van harddrugs. Verdachte is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/058313-20

vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 april 2021, waarbij de officier van justitie mr. Jacobs en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

feit 1: verdachte op 5 maart 2020 versnijdings- en verpakkingsmiddelen, sealbags, digitale weegschalen, vacuümsealmachines, een hydraulische pers en diverse mallen voorhanden heeft gehad bestemd voor het opzettelijk bereiden, bewerken en verwerken van cocaïne en heroïne;

feit 2: verdachte op 5 maart 2020 ongeveer 19,29 gram cocaïne, 3.250 gram heroïne en 59 xtc-pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan voorbereidings- of bevorderingshandelingen ten aanzien van het bereiden en

bewerken van cocaïne en heroïne en dat hij cocaïne, heroïne en xtc-pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals is tenlastegelegd. Hij baseert zich daarbij met name op de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] over het binnentreden en doorzoeken van de woning van verdachte, de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] over de bij de doorzoeking aangetroffen middelen en goederen in de woning, alsmede de NFI-rapportages (in combinatie bezien met de kennisgevingen van inbeslagneming) inhoudende de verschillende testresultaten van verdovende middelen en versnijdingsmiddelen.

De officier van justitie is tevens van mening dat uit de verklaring van verdachte en de onderzochte telefoongegevens is af te leiden dat verdachte wetenschap had van de drugs, versnijdingsmiddelen en apparatuur in zijn woning.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten kan komen. Verdachte dient daarom integraal te worden vrijgesproken.

Zij stelt zich primair op het standpunt dat verdachte geen wetenschap had van de aangetroffen middelen en goederen in zijn woning. [naam 1] ‒ die in de week vóór de doorzoeking in de woning verbleef toen verdachte zelf afwezig was ‒ zou die spullen in de woning hebben gezet en is daarvoor dan ook verantwoordelijk te houden. Veel spullen stonden volgens verdachte op zolder, welke ruimte was afgesloten. Hij had wel eerder apparaten in zijn woning zien staan van [naam 1] , maar verkeerde in de veronderstelling dat deze bestemd waren voor een bakkerij in Marokko.

Het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst, is volgens de raadsman onvoldoende door de politie geverifieerd. Er is ook geen DNA- of dactyloscopisch onderzoek gedaan en evenmin is de cryptotelefoon uitgelezen. Dat laatste zou wel mogelijk moeten zijn.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat verdachte niet als pleger van de tenlastegelegde feiten kan worden aangemerkt, maar hooguit als medeplichtige. Hij is als onderknuppel, als katvanger door anderen ingezet, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 2 wijst de raadsman erop dat voor de tenlastegelegde drie kilogram heroïne geen duidelijke “chain of custody” is te onderscheiden. Dat deze in beslag genomen partij (door het NFI) zou zijn getest, is niet inzichtelijk geworden.

Tot slot heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan tot onderzoek naar het aangetroffen cryptotelefoontoestel en de historie van telefoongegevens, waaruit kan volgen dat verdachte in de week vóór de doorzoeking niet in zijn woning is geweest.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op 5 maart 2020 zijn door de politie op het adres [adres] te Tilburg harddrugs aangetroffen, evenals versnijdingsmiddelen, apparaten en verpakkingsmiddelen die voor de bereiding, bewerking en verwerking van heroïne en cocaïne kunnen dienen. Verdachte heeft verklaard dat hij destijds woonachtig was op voornoemd adres en dat hij (in beginsel) ook de enige bewoner was. Dat verdachte de beschikkingsmacht heeft gehad over deze goederen, wordt door de verdediging niet betwist.

Door de verdediging is evenwel betoogd dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de drugs en drugsgerelateerde goederen in zijn woning. De naam [naam 1] wordt door verdachte genoemd, als de verantwoordelijke die de goederen in de woning zou hebben weggezet. [naam 1] zou destijds een zolderkamer en slaapkamer van verdachte hebben gehuurd en beschikte over een huissleutel. Daarnaast heeft verdachte als alibi opgegeven dat hij de dagen vóór de doorzoeking, op 5 maart 2020, niet in zijn woning is geweest. Verdachte zou drie dagen in Gouda bij zijn ouders en zijn broer [naam 2] hebben verbleven en zou vervolgens nog vier dagen bij zijn vriendin in Rotterdam hebben gelogeerd. [naam 1] heeft in die week in zijn woning verbleven en had daarom – volgens verdachte ‒ zijn gang kunnen gaan.

Omdat verdachte heeft verklaard dat hij deze [naam 1] had gebeld nadat de politie op

5 maart 2020 voor de eerste keer in zijn woning was geweest, heeft de politie onderzoek naar deze persoon gedaan door de gegevens van de telefoons van verdachte te controleren. Verdachte heeft aangegeven dat hij [naam 1] als “ [bijnaam 1] ” in zijn telefoon had opgeslagen en dat [naam 1] als bijnaam “ [bijnaam 2] ” had. Het onderzoek van de politie naar [naam 1] met deze (bij)namen als zoektermen heeft echter niets opgeleverd. Verdachte had kennelijk als contactpersoon een andere [naam 1] , te weten [naam 3] , in één van zijn telefoons opgenomen. De door verdachte opgegeven naam “ [bijnaam 1] ” kwam niet terug in zijn telefoons, wel de naam “ [bijnaam 3] ”, maar verdachte heeft deze persoon niet op

5 maart 2020 gebeld. Wel is gebleken dat hij op 5 maart 2020 rond 12.12 uur meermalen met ene “ [naam 4] ” heeft gebeld, waarover verder geen duidelijkheid is verkregen.

De naam [naam 1] ontbreekt in alle contactgegevens.

Het onderzoek naar de vriendin van verdachte heeft evenmin tot enig resultaat geleid. Hiervoor zijn eveneens de telefoongegevens van verdachte nagetrokken. Noch via de naam van de vriendin (“ [naam 5] ”) noch via de benaming waaronder zij volgens verdachte in de telefoon stond opgeslagen (“schatje”) was zij terug te vinden. Verdachte was niet bereid om de achternaam van zijn vriendin te noemen.

Tevens is door de politie tevergeefs gezocht naar gegevens over verdachtes broer [naam 2] .

Het relaas van verdachte is uiteindelijk door niemand bevestigd.

Concluderend kan worden gesteld, dat de politie wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar het alternatief scenario dat verdachte naar voren heeft gebracht, maar op basis van de beperkte informatie die verdachte heeft verstrekt, was nader onderzoek dan nu plaatsgevonden heeft niet mogelijk. Verdachte heeft zich niet afdoende open, transparant en daarmee meewerkend opgesteld. De verklaring van verdachte was op belangrijke punten niet te verifiëren en als onderdelen van zijn verklaring wél konden worden geverifieerd, bleken deze niet te kloppen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het dossier geen begin van aannemelijkheid, laat staan enige vorm van steun te vinden voor de door verdachte gegeven lezing.

Met betrekking tot de wetenschap bij verdachte hecht de rechtbank tevens waarde aan de omstandigheden dat verdachte alleen in de woning aanwezig was toen de politie op 5 maart 2020 bij hem binnen kwam en dat de drugs en drugsgerelateerde goederen zich niet alleen op de zolder bevonden, maar dat deze door het hele huis van verdachte werden aangetroffen. Overigens blijkt uit de bevindingen van de verbalisanten niet dat (een deel van) de zolder was afgesloten, zoals verdachte heeft verklaard. De ruimte was voor iedereen vrij toegankelijk en de spullen waren voor iedereen zichtbaar, dus ook voor verdachte.

De rechtbank weegt in dit kader voorts mee het gedrag dat verdachte heeft vertoond vanaf het moment dat de politieagenten kenbaar maakten dat zij de woning gingen controleren, te beginnen op de zolder. Hij werd boos, nerveus, agressief en verloor zijn zelfbeheersing. Zijn gedrag verergerde naarmate de agenten meer spullen aantroffen, al dan niet afgedekt met doeken, die konden wijzen op de bewerking van harddrugs en op momenten dat zij daarvan foto’s gingen maken. Het is daarbij opmerkelijk dat verdachte niet met vragen van de agenten wenste te worden geconfronteerd. Daarnaast heeft hij in de korte periode tussen het moment dat de politie de woning had verlaten (om 12.31 uur) en het moment dat zij weer terugkwam om de woning te doorzoeken (om 13.01 uur) spullen opgeruimd en verzet, deze geprobeerd te verbergen, de vloer op zolder schoongemaakt en het dakraam dat bij het eerste bezoek was afgeplakt vrij gemaakt.

Met zijn gedrag wordt ontkracht dat hij geen wetenschap had van de drugs en de daaraan verwante goederen en middelen in zijn woning.

Het verweer van de raadsman voor wat betreft het ontbreken van wetenschap bij verdachte wordt dan ook verworpen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat gezien de kennisgevingen van inbeslagneming inzake de goednummers 2180350 en 2180352, bij welk laatste goednummer ook de SIN-code AACN8240NL is genoemd, en het NFI-rapport inhoudende diezelfde SIN-code voldoende herleidbaar is, dat een hoeveelheid van 3 kg in beslag genomen poeder heroïne bevatte.

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot nader onderzoek van telefoongegevens, onder meer betreffende de histogegevens van de avond voor 5 maart 2020 en onderzoek aan de cryptotelefoon.

Voor de beoordeling van het verzoek van de raadsman geldt het noodzakelijkheidscriterium. Voor zover dit onderzoek thans (nog) mogelijk zou zijn, overweegt de rechtbank het volgende. Op de eerste plaats acht de rechtbank het verzoek in een zeer laat stadium gedaan en onvoldoende onderbouwd. Ten tweede weegt zij mee dat de politie reeds onderzoek aan verschillende telefoons van verdachte heeft verricht, waarbij verdachte slechts geringe aanvullende informatie heeft willen geven, hetgeen eerder onderzoek heeft bemoeilijkt of onmogelijk heeft gemaakt. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen en -overwegingen acht de rechtbank de beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

op 5 maart 2020 te Tilburg om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van heroïne en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, versnijdingsmiddelen (coffeïne en paracetamol en fenacetine) en verpakkingsmiddelen en sealbags en (digitale) weegschalen en (vacuüm)sealmachines en een hydraulische pers en diverse mallen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

feit 2:

op 5 maart 2020 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,29 gram cocaïne en 3250 gram van een materiaal bevattende heroïne en 59 zgn. xtc-pillen, bevattende MDMA, zijnde cocaïne en heroïne en MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

14 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van de feiten, de rol van verdachte bij de professionele drugshandel, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken die de rechtbank doorgaans hanteert (ter zake van feiten zoals tenlastegelegd onder feit 2) en het vonnis van de rechtbank met parketnummer 02/076018-19 (ter zake van een vergelijkbaar feit als tenlastegelegd onder feit 1). Voorts wordt verdachte als een “first offender” beschouwd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht geen hogere straf op te leggen dan een gevangenisstraf van negen of tien maanden. De feiten zijn zodanig met elkaar verbonden, dat er naast een gevangenisstraf van 9 maanden – die in de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken is vermeld voor het aanwezig hebben van 2.000 tot 3.000 gram harddrugs ‒ geen aanvullende straf (voor feit 1) moet worden opgelegd.

Tevens is verzocht het strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden in zijn voordeel in aanmerking te nemen. Verdachte draagt de zorg voor zijn 87-jarige vader, die slechtziend en hulpbehoevend is.

Voorts wordt gevraagd het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van versnijdings- en verpakkingsmiddelen en apparatuur bestemd voor het bereiden, bewerken en verwerken van cocaïne en heroïne en daarmee aan strafbare voorbereidingshandelingen.

Daarnaast heeft hij ongeveer 19,29 cocaïne, 3.250 gram van een materiaal bevattende heroïne en 59 xtc-pillen opzettelijk aanwezig gehad. De rechtbank acht deze bewezenverklaarde feiten – mede vanwege de aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen ‒ ernstig.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte onderdeel van een drugsketen is geweest en dat zijn woning onder meer als bereidings- en verwerkingsplaats van harddrugs is gebruikt. Hoewel verdachte een onmisbare rol heeft vervuld, is het niet aannemelijk geworden dat hij de grote man, het brein, binnen de keten was. De rechtbank houdt daarom ten gunste van verdachte rekening met deze beperktere rol.

Niettemin heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de internationale handel in harddrugs. De samenleving ondervindt schade door velerlei vormen van criminaliteit die worden teweeggebracht door zowel de gebruikers van drugs als de georganiseerde misdaad die achter de drugsverkoop schuilgaat. Daarnaast leveren harddrugs voor de gebruikers aanzienlijke gezondheidsrisico’s op. Verdachte heeft onvoldoende stil gestaan bij deze negatieve effecten voor anderen en heeft kennelijk alleen zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor misdrijven uit de Opiumwet. Dit betreffen echter oudere feiten en een recenter vonnis dat nog niet onherroepelijk is. Tevens staat een zaak open aangaande een opiumwetdelict dat op 12 mei 2020 zou zijn gepleegd. Het strafblad wordt dan ook niet in het nadeel van verdachte bij de straftoemeting betrokken. Hij wordt als ‘first offender beschouwd, zoals ook door de officier van justitie en de raadsman is verzocht.

De rechtbank zal in strafverlagende zin artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassen, nu blijkt dat verdachte thans schuldig wordt verklaard aan misdrijven die nog vóór een veroordeling van 5 januari 2021 en een strafbeschikking van 19 juni 2020 (voor andersoortige feiten) zijn gepleegd. Verdachte behoudt daarmee het voordeel dat de samenloopregelingen bij een gelijktijdige berechting voor hem zou hebben gehad.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Een deel van deze straf zal voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarvoor is niet alleen acht geslagen op de nu bewezenverklaarde feiten, maar ook op de openstaande opiumwetzaken. De door de officier van justitie gevorderde straf wordt door de rechtbank alleszins redelijk geacht, mede gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken en de straffen die in vergelijkbare situaties worden opgelegd. Een lagere straf doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsman heeft voorgesteld, geen aanknopingspunten om ter zake van feit 1 geen straf op te leggen.

Verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

7 Het beslag

7.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

  • -

    1.700 euro, goednummer 2168246;

  • -

    500 euro, goednummer 2168244;

  • -

    170 euro, goednummer 2168234;

  • -

    Telefoontoestel, kleur zwart, merk Nokia, goednummer 2168241;

  • -

    Telefoontoestel, kleur zwart, merk Condor, goednummer 2168227;

  • -

    Telefoontoestel, kleur zwart, merkt Nokia, goednummer 2168226;

  • -

    Telefoontoestel, kleur zwart, merk Energizer, goednummer 2168229;

  • -

    Telefoontoestel, kleur zwart, merk Nokia, goednummer 2168217.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de onder 7.1 inbeslaggenomen geldbedragen en telefoontoestellen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Los, voorzitter, mr. Collombon en mr. Van Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

26 april 2021.

Mrs. Van Riet en Roebroeks zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 5 maart 2020 te Tilburg om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, versnijdingsmiddelen (coffeïne en/of paracetamol en/of fenacetine en/of boterzuur) en/of verpakkingsmiddelen en/of sealbags en/of digitale weegschalen en/of vacuümsealmachines en/of hydrolische pers en/of diverse mallen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet )

2

hij op of omstreeks 5 maart 2020 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,29 gram cocaïne en/of 3250 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of en/of 59 zgn. XTC-pillen, bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of een materiaal bevattende MDMA en/of

tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2020058087 van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 318.

feit 1:

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2020 door verbalisant

[verbalisant 1] , op pagina 48 en 49 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 5 maart 2020 was ik belast met een hennepruimdienst binnen district

Hart van Brabant. De medewerkers van de gemeente wilden een bestuurlijke controle gaan

doen op het adres [adres] te Tilburg. Zij hadden een machtiging voor het

binnentreden van de woning ter controle van illegale bewoning. Omstreeks 11.45 uur

stonden wij voor de woning. [naam 6] belde aan. Na ongeveer 5 à 10 minuten werd toch

de deur geopend en zagen wij een man in de deuropening staan. Ik hoorde van [naam 6] dat

de man zich legitimeerde zijnde [verdachte] .

Ik hoorde [naam 6] zeggen dat ze op zolder wilde beginnen met de controle. Ik zag dat het gedrag van [verdachte] veranderde. Ik zag aan zijn gezichtsuitdrukking en houding dat hij boos werd. Eenmaal op zolder zag ik dat [verdachte] zich steeds agressiever ging gedragen. Ik zag dit aan zijn gezichtsuitdrukking en zijn lichaamshouding.
Ik zag en hoorde dat [verdachte] aan het schreeuwen was. Ik hoorde [verdachte] zeggen "U hoeft hier niets te zien, het is mijn rotzooi en dat hoeft u niet te zien".

Ik zag dat de zolder ingedeeld was in twee ruimtes, een voorzolder en een kamer. Ik zag op de voorzolder, in de kast iets staan met een doek eroverheen. Ik liep door naar de slaapkamer en zag in die kamer een weegschaal, maatbekers en een soort speciekuipen staan. Ik zag in deze emmers/speciekuipen een restant van een poeder zaten.

Op het moment dat [naam 6] tegen [verdachte] zei dat ze foto's wilde maken van de ruimte zag ik dat [verdachte] zijn zelfbeheersing verloor. Ik zag dat hij de kamer inliep en dat hij de tafel en kasten met kracht door de kamer gooide. Wij konden geen normaal gesprek meer voeren. Ik zag dat [verdachte] zich had bezeerd en bloed aan zijn handen had. Hij zei diverse keren dat hij wilde dat wij zijn huis verlieten. Hij oogde agressief en zenuwachtig. Op de eerste verdieping hebben wij alle ruimtes bekeken. Het gedrag van [verdachte] veranderde niet, hij bleef agressief richting ons politieambtenaren en medewerkers van de gemeente. In de woonkamer zag ik naast de bank vermoedelijk een apparaat staan, waar een dekbedovertrek over was getrokken. Ik vroeg aan [verdachte] wat er onder de deken zat, waarna ik zag dat hij weer zijn zelfbeheersing verloor. Ik zag hem grote gebaren maken en ik hoorde hem schelden met het woord "Kanker". Ik hoorde hem schreeuwen dat het pampers waren en dat ik daar niets mee te maken had. Ik zag dat hij direct weer van mij weg liep om niet geconfronteerd te worden met mijn vragen.
Wij verlieten het pand om 12.31 uur.

Officier van justitie mr. Gimbrere gaf toestemming voor het betreden van de woning om de verdachte [verdachte] aan te houden en voor inbeslagname.

Om 13.01 uur werd verdachte [verdachte] aangehouden, waarna ik samen met collega's het pand opnieuw betrad. Ik liep naar de woonkamer waarna ik meteen zag dat het apparaat wat ik eerder langs de bank zag staan weg was. Gezien het feit dat de verdachte alleen in de woning was kan het niet anders dat hij het apparaat heeft verzet zodat wij het niet meer zouden zien of vinden. Vervolgens ben ik naar de zolder gelopen en ook daar zag ik dat alle apparaten en kannen die wij eerder hadden gezien verdwenen waren. Ik zag dat de vloer nat was, wat eerder ook niet het geval was.

Uiteindelijk heeft er een zoeking plaatsgevonden.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2020 door verbalisant

[verbalisant 2] , op pagina 52 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Omstreeks 13.01 uur, gingen we wederom de woning in. We keken rond en wat erg opviel was dat de bewoner in de tussentijd alles had opgeruimd op zolder. Hij had het zolderraam weer vrij gemaakt. Ik zag dat hij de vloer had geschoond met water, althans zo goed mogelijk. Ik zag dat hij alle ramen van de woning had opengezet. We bespraken onze bevindingen en het was ons duidelijk dat er was getracht om veel spullen te verbergen. Zo waren er een hoop zaken verplaatst welke onder dekens lagen bij ons eerste bezoek.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 202 door verbalisant [verbalisant 5] , op pagina 76 t/m 79 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 5 maart 2020 omstreeks 16.00 uur kwam ik ter plaatse in de woning aan de

[adres] te Tilburg.

-In de woonkamer (W) werden door mij de navolgende goederen aangetroffen en onderzocht:

Wl: Geldtelmachine.

- In de slaapkamer (S) werden door mij de navolgende goederen aangetroffen en onderzocht:

* S1: Plastic tas bevattende 4 zakken met poeder, hieronder nader uitgewerkt;
* S1.1 Doorzichtige plastic zak inhoudende 87gr fenacetine;
* S1.2 Doorzichtige plastic zak inhoudende 29gr paracetamol;
* S1.3 Doorzichtige plastic zak inhoudende 102gr boorzuur;
* S1.4 Doorzichtige plastic zak inhoudende 217gr paracetamol.
- Nabij de trap (T) werd door mij aangetroffen
* T1: Vacuümsealmachine tafelmodel inhoudende een getaped en geseald pakket (Tl.1);
* T2: Gele Jumbo shopperbag volledig gevuld met verpakkingsmiddelen (diverse ballonnen & tientallen rollen tape);
- Op de zolder (Z) werden door mij de navolgende goederen aangetroffen en onderzocht:

* Z2.2 Bruine ladekast met 1 lade, bevattende tientallen rollen gekleurde tape en verpakkingsmaterialen;
* Z2.3 RVS weegschaal volledig besmet met bruin poeder;
* Z3.1: Hydraulische zware pers met hydrauliek en diverse onderdelen ten behoeve van mallen;
* Z4.1 Geruite shopperbag bevattende verschillende verpakkingen met poeders, hieronder nader weergegeven:
* Z4.1.1 934gr boorzuur;
* Z4.1.2 769gr fenacetine;
* Z4.1.3 87gr lidocaïne;
* Z4.1.4 337gr fenacetine;
* Z4.1.5 55gr lidocaïne;
* Z4.1.6 545gr lidocaïne;

* Z4.1.7 5x volle verpakking en lx lege emmer met opschrift Mannitol a 1 kilo per

emmer;
* Z4.2 kartonnen doos met bruine versnijdingsmiddelen;
* Z4.4 meerdere rollen crêpepapier;
* Z5.3 kartonnen dozen bevattende diverse verpakkingsmiddelen ten behoeve van heroïne en cocaïne: meerdere nieuwe ballonnen, tientallen rollen tape, meerdere met bruin poeder besmette speciekuipen en teilen, grote hoeveelheden nieuwe sealbags, grote digitale weegschaal en grote stapels met stickers;
* Z6.2 twee sealmachines in zwarte sporttas.

Ambtshalve is mij bekend dat lidocaïne, boorzuur, fenacetine, mannitol en paracetamol als versnijdingsmiddelen worden gebruikt voor de versnijding van heroïne en cocaïne. De aangetroffen hardware (hydraulische pers, crêpepapier, diverse mallen, stempels, grote hoeveelheden bruin poeder en versnijdingsmiddelen, ballonnen, tape, sealbags, vacuümsealmachines, duidt op de bereiding cq. bewerking van lijst-I middelen, op middelgrote schaal.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2020 door verbalisant [verbalisant 1] , als aanvullend proces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Hierbij een aanvullend proces-verbaal met als bijlagen alle kennisgevingen van in

beslagname m.b.t. tot de middelen die zijn aangetroffen in de woning aan de [adres] te Tilburg.

Daarbij ben ik tot de conclusie gekomen dat er een fout staat bij het aanmelden van

het monster met SIN AACN8239NL. In het NFI rapport staat dat dit monster een monster

betreft uit de totaalpartij met goednummer 2180350. Dit moet echter bronpartij met

goednummer 2180341 zijn (Acetaminophen 960 g).

Goednummer: 2168678

Object: Poeders

Aantal/eenheid: 102 stuks

Kleur: Wit

Bijzonderheden: Boorzuur

Goednummer: 2168703

Object: Poeders

Aantal/eenheid: 1 g

Kleur: Wit

Spoor identificatienr.: AACN8325NL

Inhoud: Monster NFI totaalpartij 2168678 (102 gram)

Goednummer: 2168625

Object: Poeders

Aantal: 87 stuks

Totale hoeveelheid: 87 g

Merk/type: Felacetine

Kleur: Wit

Bijzonderheden: Versnijdingsmiddel felacetine

Goednummer: 2168649

Object: Poeders

Aantal/eenheid: 1 g

Spoor identificatienr.: AACN8324NL

Inhoud: Monster NFI, goednummer totaalpartij 2168625 (87 gram)

Goednummer: 2168697

Object: Poeders

Totale eenheid: 29 g

Kleur: Bruin

Bijzonderheden: Versnijdingsmiddel paracetamol

Goednummer: 2168750

Object: Poeders

Aantal/eenheid: 1,6 g

Kleur: Bruin

Spoor identificatienr.: AACN8326NL

Inhoud: Monster tbv NFI, goednummer totaalpartij 2168697

Bijzonderheden: Aangetroffen bij zoeking, totaalpartij 29 gram

Goednummer: 2168637

Object: Poeders

Totale hoeveelheid: 217 g

Kleur: Bruin

Bijzonderheden: Trunarc gaf aan paracetamol

Goednummer: 2168650

Object: Poeders

Aantal/eenheid: 2,2 g

Kleur: Bruin

Spoor identificatienr.: AACN8449NL

Inhoud: Monster tbv NFI goednummer totaalpartij 2168637

Bijzonderheden: Versnijdingsmiddel, totaalpartij 217 gram

Goednummer: 2180341

Object: Poeders

Totale hoeveelheid: 960 g

Kleur: Bruin

Bijzonderheden: Aangetroffen bij zoeking acetaminophen

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur ing. C.M.M. Diever - Heezen, d.d. 9 juli 2020, separaat gevoegd bij voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk Omschrijving Resultaat

AACN8325NL monster crèmekleurig poeder bevat boorzuur

AACN8324NL monster wit poeder fenacetine

AACN8326NL monster beige poeder bevat coffeïne en paracetamol

AACN8449NL monster beige poeder bevat coffeïne en paracetamol

AACN8239NL monster beige poeder bevat coffeïne en paracetamol

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 maart 2020 door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] op pagina 210 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Vraag verbalisant: Waar woon je?

Antwoord verdachte: Hier in Tilburg, [adres] .

Vraag: Betreft dit een huur of een koop woning?

Antwoord: Huur woning.

Vraag: Met wie woon je daar?

Antwoord: Alleen.

Vraag: Sta je daar ook alleen ingeschreven?

Antwoord: Ja

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 maart 2020 door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] op pagina 217, 218 en 220 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Vraag: Wie hebben er een huissleutel van uw huis?

Antwoord: [naam 1] .

Vraag verbalisant: Hoe staat hij in uw telefoon?

Antwoord: Als [bijnaam 1] .

Verbalisant: De spullen zijn vermoedelijk via [naam 1] gekomen, zegt u?

Opmerking advocaat: Heeft u de achternaam van [naam 1] genoteerd?

Verbalisant: Ja.

Antwoord verdachte: Ik zag zijn achternaam een keer op zijn rijbewijs. Eerlijk, hij gaat altijd onder een bijnaam ' [bijnaam 2] .'

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2020 door verbalisant [verbalisant 1] op pagina 195 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op zondag 24 mei 2020 deed ik onderzoek naar de gegevens uit de telefoons van verdachte [verdachte] . De verdachte verklaarde dat hij de spullen die bij hem in de woning stonden niet van hem waren maar van een vriend genaamd [naam 1] . Het telefoonnummer van [naam 1] zou onder de naam [bijnaam 1] staan. Ik zag in de opgeslagen gegevens van telefoon, Iphone 4, een contact staan met de naam [bijnaam 3] . Dit was het enige contact met de naam [bijnaam 1] . Bij contact [bijnaam 3] stond het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . In de I-phone 7 stond geen contact met de naam [bijnaam 1] .

Ik zag dat verdachte [verdachte] geen telefonisch contact had gehad met dit contact

voor, ten tijde of na de komst van de politie op 5 maart 2020. Met de telefoon,

I-phone 7 werd op 5 maart helemaal niet gebeld.

Bij nader onderzoek naar telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de politiesystemen komt

gebruiker genaamd [naam 3] naar boven. [naam 3] heeft als e-mailadres [e-mailadres] . Gezien het feit dat de verdachte [naam 1]

noemt is het onwaarschijnlijk dat het om [naam 3] gaat.

Daarbij zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , dat de verdachte wel met zijn I-phone 4

telefonisch contact had voor en ten tijde van de komst van de politie. Op 5 maart

2020 om 12.12 uur heeft de verdachte meerdere keren gebeld met een contact [naam 4] .

[naam 4] betreft een contact met telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

Ik, verbalisant, [verbalisant 10] , brigadier van politie Eenheid

Zeeland-West-Brabant, verklaar het volgende:

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2020 door verbalisant

[verbalisant 10] op pagina 203 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

In zijn verdachtenverhoor gaf verdachte [verdachte] aan dat hij bij zijn vriendin was

geweest voor vier dagen in Rotterdam. Verdachte gaf aan dat zijn vriendin [naam 5] heet en als "schatje" opgeslagen is in zijn Iphone 4.

Hierop onderzoek ingesteld in zijn telefoon. In zijn telefoon was geen " [naam 5] " of "schatje" te vinden. Verdachte wilde ook de achternaam van zijn vriendin niet benoemen. Het onderzoek naar de vriendin van verdachte [verdachte] heeft tot geen resultaat geleid.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2020 door verbalisant

[verbalisant 1] op pagina 187 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 25 mei 2020 bekeek ik verbalisant [verbalisant 1] het rapport van de smartphone van verdachte [verdachte] . Ik zag een foto in het rapport, waar ik de huiskamer van de verdachte op herkende. Ik herken de omgeving aan dezelfde vloer, structuur van de muur en de kleur van de gordijnen. Op de foto is te zien dat er middels een geldtelmachine geld wordt geteld en in pakketjes op de grond wordt gelegd. Ik zag een foto in het rapport van pakketten, vermoedelijk drugs, op een wit tafeltje. Ik verbalisant herken deze pakketten ambtshalve als drugspakketten met daarin verdovende middelen van lijst I van de Opiumwet. Deze tafel, vloer en opstelling van de bank herkende ik als de omgeving van de woonkamer van verdachte.

Ik zag een foto in het rapport van een witte bak met daarin bruin poeder. Ik herken

deze poeder en de bak van de zoeking in de woning van verdachte. Deze bak

en dit poeder werd door politieambtenaren aangetroffen op de zolder van de woning.

De foto's uit de telefoon van de verdachte en de foto's die ik en politieambtenaar [verbalisant 5] ter plaatse hebben gemaakt zijn bij dit proces-verbaal gevoegd.

De foto’s gevoegd bij het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2020 door verbalisant [verbalisant 1] op pagina 188 t/m 193 van het voornoemd eindproces-verbaal.

Het proces-verbaal relaas van het onderzoek d.d. 29 mei 2020 door verbalisant

[verbalisant 1] op pagina 30 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Het is het onderzoeksteam niet gelukt gegevens te achterhalen van de broer of

vriendin van de verdachte. De telefoonnummers werden niet door het onderzoeksteam

aangetroffen op de smartphones.

feit 2:

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2020 door verbalisant [verbalisant 1] , op pagina 48 en 49 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 5 maart 2020 was ik belast met een hennepruimdienst binnen district

Hart van Brabant. De medewerkers van de gemeente wilden een bestuurlijke controle gaan

doen op het adres [adres] te Tilburg. Zij hadden een machtiging voor het

binnentreden van de woning. Omstreeks 11.45 uur stonden wij voor de woning. [naam 6]

belde aan. Na ongeveer 5 à 10 minuten werd toch de deur geopend en zagen wij een

man in de deuropening staan. Ik hoorde van [naam 6] dat de man zich legitimeerde zijnde

[verdachte] . Uiteindelijk heeft er een zoeking plaats gevonden.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2020 door verbalisant [verbalisant 5] , op pagina 76 t/m 78 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 5 maart 2020 omstreeks 16.00 uur kwam ik ter plaatse in de woning aan de

[adres] te Tilburg.

* In de woonkamer (W) werden door mij de navolgende goederen aangetroffen en onderzocht:

- W2: Gripzak inhoudende 59 vermoedelijke xtc-pillen, gezien uiterlijke kenmerken.

* Nabij de trap (T) werd door mij aangetroffen:

- Tl.1 Geseald en getaped pakket bruin poeder bestaande uit 251gr bruin poeder, gezien

uiterlijke kenmerken en geur vermoedelijk heroïne;

* Op de zolder (Z) werden door mij de navolgende goederen aangetroffen en onderzocht:

- Zl.2: Magnetron met daarin glazen plateau, welke vervuild was met minimaal 10gr

(conform voordeel verdachte) indicatief cocaïne.

- Z2.1.1: Gripzakje bevattende 1 gram bruin poeder. Als monster Z2.1.la veiliggesteld;

- Z3.1.1a: Monster bruin poeder uit mal van hydraulische pers. Veiliggesteld als bemonstering Z3.1.la;

- Z4.2.1 verpakking met 960gr bruin poeder;

- Z4.2.2 verpakking met 1039gr bruin poeder;

- Z4.2.3 verpakking met 2002gr bruin poeder;

- Z4.2.4 vuilniszak met minimaal 3kg bruin poeder;

- Z6.3.1 zakje bevattende 9,29gr cocaïne.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2020 door verbalisant [verbalisant 1] , als aanvullend proces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Hierbij een aanvullend proces-verbaal met als bijlagen alle kennisgevingen van in

beslagname m.b.t. tot de middelen die zijn aangetroffen in de woning aan de [adres] te Tilburg.

Goednummer: 2168532

Object: Verdovende mid (Xtc)

Aantal/eenheid: 54 stuks

Inhoud: Kleuren blauw, roze, grijs, paars, groen, geel een bege.

Goednummer: 2168541

Object: Verdovende mid (Xtc)

Aantal/eenheid: 1 stuks

Spoor identificatienr.: AACN8446NL

Inhoud: Monster tbv NFI, goednummer totaalpartij 2168532

Bijzonderheden: Aangetroffen bij huiszoeking, totaalpartij 59 pillen

Goednummer: 2180339

Object: Verdovende mid (Xtc)

Aantal/eenheid: 1 stuks

Spoor identificatienr.: AACA7901NL

Inhoud: Monster NFI, goednummer totaalpartij 2168532

Bijzonderheden: Aangetroffen bij huiszoeking, totaalpartij van 59 pillen

Goednummer: 2180345

Object: Verdovende mid (Xtc)

Spoor identificatienr.: AACA7900NL

Inhoud: Monster tbv NFI, goednummer totaalpartij 216853

Bijzonderheden: Aangetroffen bij huiszoeking, totaalpartij 59 pillen

Goednummer: 2180351

Object: Verdovende mid (Xtc)

Spoor identificatienr.: AACA7899NL

Inhoud: Monster tbv NFI, goednummer totaalpartij 2168532

Bijzonderheden: Aangetroffen bij huiszoeking, totaalpartij 59 pillen

Goednummer: 2180354

Object: Verdovende mid (Xtc)

Spoor indentificatienr.: AACA7902NL

Inhoud: Monster tbv NFI, goednummer totaalpartij 2168532

Bijzonderheden: Aangetroffen bij huiszoeking, totaalpartij van 59 pillen

Goednummer: 2168564

Object: Verdovende mid (Heroïne)

Totale hoeveelheid: 250 g

Goednummer: 2168568

Object: Verdovende mid (Heroïne)

Totale hoeveelheid: 1,3 g

Spoor identificatienr.: AACN8448NL

Inhoud: Monster tbv NFI, goednummer totaalpartij 2168564

Bijzonderheden: Aangetroffen bij de zoeking, totaalpartij 250 gram

Goednummer: 2180350

Object: Poeders

Totale hoeveelheid: 3 kg

Kleur: Bruin

Inhoud: Acetaminophen

Goednummer: 2180352

Object: Poeders

Totale hoeveelheid: 2,7 g

Kleur: Bruin

Spoor identificatienr.: AACN8240NL

Inhoud: Monster tbv NFI

Bijzonderheden: Goednummer totaalpartij 2180350

Goednummer: 2168596

Object: Verdovende mid (Cocaïne Crack)

Totale hoeveelheid: 9,29 g

Goednummer: 2168627

Object: Verdovende mid (Cocaïne Crack)

Totale hoeveelheid: 1,3 g

Spoor identificatienr.: AACN8447NL

Inhoud: Monster tbv NFI goednummer totaalpartij 2168596

Bijzonderheden: Aangetroffen bij zoeking, totaalpartij 9.29 gram

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur mg. F. Wallace, d.d. 19 mei 2020, op pagina 100 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACA7900NL

Omschrijving: gleuftablet, geel, uit 21,83 gram

Conclusie: bevat MDMA

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur mg. F. Wallace, d.d. 19 mei 2020, op pagina 101 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACA7902NL

Omschrijving: gleuftablet, bruin, uit 25,96 gram

Conclusie: bevat MDMA

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur mg. F. Wallace, d.d. 19 mei 2020, op pagina 102 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACA7899NL

Omschrijving: gleuftablet, groen, uit 21,83 gram

Conclusie: bevat MDMA

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur mg. F. Wallace, d.d. 19 mei 2020, op pagina 103 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACA7901NL

Omschrijving: gleuftablet, grijs, uit 26,55 gram

Conclusie: bevat MDMA

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur mg. F. Wallace, d.d. 19 mei 2020, op pagina 104 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACN8446NL

Omschrijving: gleuftablet, blauw, uit 24,78 gram

Conclusie: bevat MDMA

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur mg. F. Wallace, d.d. 19 mei 2020, op pagina 105 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACN8448NL

Omschrijving: brokken, bruin, uit 251 gram

Conclusie: bevat heroïne

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur ing. C.M.M. Diever - Heezen, d.d. 9 juli 2020, separaat gevoegd bij voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACN8240NL

Omschrijving: monster beige poeder

Resultaat: bevat heroïne

Het geschrift, zijnde het NFI-rapport door rapporteur mg. F. Wallace, d.d. 19 mei 2020, op pagina 106 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Kenmerk: AACN8447NL

Omschrijving: brokjes, wit, uit 9,29 gram

Conclusie: bevat cocaïne

Het proces-verbaal d.d. 5 maart 2020 door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] op pagina 210 van het voornoemd eindproces-verbaal, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Vraag: Waar woon je?

Antwoord: Hier in Tilburg, [adres] .

Vraag: Betreft dit een huur of een koop woning?

Antwoord: Huur woning.

Vraag: Met wie woon je daar?

Antwoord: Alleen.

Vraag: Sta je daar ook alleen ingeschreven?

Antwoord: Ja