Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2071

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5969
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5969 WABO

uitspraak van 26 april 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [plaatsnaam] .

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 februari 2019 (bestreden besluit) van het college inzake de aan derde partij (hierna [naam derde partij] ) verleende omgevingsvergunning voor het vervangen van de bestaande lichtmasten op de locatie [adres] te [plaatsnaam] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 maart 2021. Daarbij waren aanwezig eiser en zijn zoon [naam zoon] , mr. drs. R.M.J.F. Meeuwis en ing. M. de Ruiter namens het college en [naam vertegenwoordiger 3e partij] namens [naam derde partij] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres2] te [plaatsnaam] en van een ten zuiden van dit perceel gelegen recreatiewoning aan de [adres3] . Ten zuiden van het perceel [adres3] ligt het bedrijf van [naam derde partij] aan de [adres] .

Naar aanleiding van een voornemen van het college om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning geplaatste 7 lichtmasten met een hoogte van 10 meter op het perceel [adres] te [plaatsnaam] heeft [naam derde partij] op 23 maart 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van deze lichtmasten.

Bij het primaire besluit van 25 juni 2018 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening’ ten behoeve van het vervangen van de bestaande lichtmasten op de locatie [adres] te [plaatsnaam] . Daarbij heef het college toepassing gegeven aan artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (het Bor), omdat het bestemmingsplan slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toelaat met een hoogte van maximaal 6 meter.

Bij besluit van 25 februari 2019 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de verleende omgevingsvergunning gegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering die is opgesteld naar aanleiding van de lichtmeting van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) van 21 november 2018 en de in het advies van de Bezwaarschriftencommissie opgenomen motivering.

Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 8 januari 2020 gegrond verklaard omdat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet kenbaar de belangen van eiser heeft meegewogen. Het besluit kwam daarom voor vernietiging in aanmerking. Omdat het college naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van 9 augustus 2019 alsnog de belangen van eiser in de afweging betrokken had, heeft de rechtbank bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand konden blijven. Dit bleek niet het geval omdat het college bij de weging van de belangen ten onrechte was uitgegaan van 6 – in werking zijnde – lichtmasten, terwijl de verleende omgevingsvergunning ziet op het plaatsen van 7 lichtmasten en er dus ook vanuit kan worden gegaan dat ook de 7e lichtmast, die het dichtst bij perceel van eiser staat, wordt ingeschakeld. Bij inschakeling van de 7e lichtmast zal er, volgens het college zelf, sprake zijn van overlast.

De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

Bij het thans bestreden besluit heeft het college aan de omgevingsvergunning van 25 juni 2018 voorschriften verbonden ten aanzien van de richting van de armaturen op de lichtmasten en de lichtsterkte. Daarnaast is de “Terreintekening [naam derde partij] ” aan de omgevingsvergunning verbonden en is het voorschrift opgenomen dat op lichtmast 2 slechts één armatuur geplaatst mag zijn, met een schijnrichting op het zuiden, dus op het perceel van [naam derde partij] en niet in de richting van de percelen van eiser.

Tegen dit besluit heeft eiser wederom beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij lichtmasten met een hoogte van 10 meter te hoog vindt. Volgens eiser komen de lichtmasten nog steeds boven de woonhuizen uit en heeft hij er direct zicht op. Hij wil dat de hoogte van de lichtmasten wordt teruggebracht naar de op grond van het bestemmingsplan toegestane maximale hoogte van 6 meter. Naar eiser heeft gesteld heeft hij door de lichthinder zowel materiële als immateriële schade geleden en wil hij daarvoor schadeloos gesteld worden. Daarnaast heeft eiser betoogd dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de effecten van de lichtmasten op de natuur in zijn omgeving.

3. De rechtbank overweegt dat [naam derde partij] een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor lichtmasten met een hoogte van 10 meter en dat het college op deze aanvraag diende te beslissen. Indien de in geding zijnde vergunning in rechte stand houdt, dan is het terugbrengen van de hoogte van de lichtmasten niet meer aan de orde.

4.1

In beroep heeft eiser er op gewezen dat de percelen van [naam derde partij] zijn gelegen in de groenblauwe mantel en dat zijn percelen deel uitmaken van het Nationaal Natuurnetwerk. Volgens eiser staan de lichtmasten de gehele nacht aan en daarom vraagt hij zich af wat het effect daarvan is op de natuur. Hier is geen onderzoek naar gedaan, aldus eiser.

4.2

Het college heeft opgemerkt dat eiser deze beroepsgrond niet eerder naar voren heeft gebracht en dat hij dit ook niet onderbouwd heeft. Niettemin heeft het college door Ecodat Landschap & Ecologie (hierna: Ecodat) een Quickscan laten uitvoeren naar de invloeden van de 7 lichtmasten op de percelen aan de [adres4] te [plaatsnaam] . In het desbetreffende rapport van 16 februari 2021 heeft Ecodat geconcludeerd dat de toegestane verhoging van de lichtmasten van 6 meter naar 10 meter geen negatieve invloed zal hebben op de eventueel aanwezige (wettelijk beschermde) soorten. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natuurnetwerk, waarvan de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet negatief beïnvloed mogen worden. Bij de realisatie van het voorgenomen plan zal dit niet het geval zijn. Ook met betrekking tot Natura 2000-gebieden en houtopstanden worden geen bezwaren verwacht, aldus Ecodat.

4.3

Eiser heeft deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat het vergunnen van de lichtmasten met een hoogte van 10 meter in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

5. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond verklaard dient te worden. Gegeven deze conclusie is er geen grondslag voor vergoeding van de door eiser gestelde schade wegens gederfd woongenot en het niet kunnen verhuren van de recreatiewoning. Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht biedt een grondslag om het college te veroordelen tot vergoeding van schade die eiser stelt te hebben geleden, maar dan moet het wel gaan om schade ten gevolge van een onrechtmatig besluit. Nu de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren, is geen sprake van een onrechtmatig besluit. De bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning is niet herroepen, alleen aangepast. Indien eiser van mening is dat zijn eigendom minder waard is geworden door de toepassing van artikel 4 van Bijlage II bij het Bor, dan staat het hem vrij om het college te verzoeken om vergoeding van planschade.

Omdat het beroep ongegrond is bestaat evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 26 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

M.A. de Rooij, griffier T. Peters, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.