Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2067

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1001 VV
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning voor de duur van drie maanden op grond van art. 13b Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/11, UDH:S&E HW/50585 met annotatie van Gerard Scholten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1001 OPIUMW VV

uitspraak van 22 april 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg,

en

de burgemeester van de gemeente Tholen, de burgemeester.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting Stadlander, te Bergen op Zoom.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 februari 2021 (bestreden besluit) van de burgemeester over de sluiting van zijn woning voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 april 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook heeft verzoekers schoondochter [naam schoondochter] namens hem het woord gevoerd. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] . De derde partij is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Verzoeker huurt sinds 1 november 2020 de woning aan [adres] van Stichting Stadlander. Hij staat samen met zijn twee meerderjarige zonen [zoon 1] (verder te noemen: [zoon 1] ) en [zoon 2] en schoondochter [naam schoondochter] (de partner van [zoon 1] ) ingeschreven op dit adres. Ook [moeder van schoondochter] , de moeder van [naam schoondochter] woont sinds kort op dit adres.

Uit de op ambtseed opgemaakte Bestuurlijke rapportage opsporingsonderzoek blijkt dat

de politie Zeeland-West-Brabant op 2 december 2020 via Meld Misdaad Anoniem de melding heeft ontvangen dat voor de woning aan [adres] een auto staat waar dozen worden uitgeladen. De melder ruikt een sterke henneplucht en ziet gerommel in de woning. De melder weet dat de zoon op dit adres eerder met de politie in aanraking is geweest in verband met het bezit van hennep. De melder vermoedt dat hij onder druk wordt gezet.

Op 2 december 2020 is via het Operationeel Centrum een melding ontvangen dat er vanuit een auto dozen de woning aan [adres] binnen worden gedragen, er een sterke henneplucht op straat hangt en dat men op dit adres hennep aan het wegen is.

Naar aanleiding van deze twee anonieme meldingen is een onderzoek ingesteld in en rondom [adres] . Rondom de woning werden geen bijzonderheden aangetroffen. Na aanbellen werd de voordeur geopend door [zoon 1] , die de politiemedewerkers toestemming gaf de woning te betreden. Hij gaf desgevraagd aan dat in de kelderkast een doos hennep stond. In deze kelderkast werd een doos hennep aangetroffen en een rode tas met wit poeder. [zoon 1] gaf aan dat dit speed betrof. Bij onderzoek naar de inhoud van de doos en de rode tas bleken de volgende drugs aanwezig te zijn:

- 2.530 gram (netto) hennep, verpakt in vier plastic zakken;

- 89 gram amfetamine (natte substantie), verpakt in plastic zakjes;

- 1 gram hasjiesj.

In een brief van 9 december 2020 heeft de burgemeester aan Stichting Stadlander en verzoeker medegedeeld dat zij het voornemen heeft de woning te sluiten voor een periode van drie maanden. Op 4 januari 2021 heeft verzoeker per email zijn zienswijze kenbaar gemaakt. De burgemeester heeft daarin geen reden gezien om van het voornemen af te zien. In het bestreden besluit heeft de burgemeester dan ook een last onder bestuursdwang opgelegd en gelast om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet uiterlijk 25 februari 2020 te sluiten en voor drie maanden gesloten te houden.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Standpunt verzoeker

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij geen weet had van de aanwezigheid van drugs in de woning. De woning werd opgeknapt en hij woonde er op dat moment nog niet. De drugs hoorden toe aan een ander persoon, waarvan zijn zoon [zoon 1] de naam niet wil noemen. De drugs lagen in een afgesloten kast waarvan alleen [zoon 1] de sleutel had.

Ter zitting is betoogd dat eisers primaire standpunt is dat er geen noodzaak tot sluiting is, nu de woning niet als drugspand bekend staat. Er is geen overlast, er wordt niet gedeald bij de woning en er is geen sprake van handel. Dit wordt ook bevestigd door verklaringen van de buren.

Subsidiair is betoogd dat de sluiting niet proportioneel is. Er rust een onderzoeksplicht op de burgmeester, waaraan zij niet heeft voldaan. De persoonlijke verwijtbaarheid van verzoeker ontbreekt namelijk. Niet alleen omdat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van verdovende middelen, maar ook gelet op zijn psychische/psychiatrische problematiek. De gevolgen van de sluiting zijn voor verzoeker onevenredig, nu ook te verwachten valt dat hij niet meer in aanmerking komt voor een passende sociale huurwoning. Daarnaast is sprake van bijzondere omstandigheden. Verzoeker heeft te kampen met psychiatrische stoornissen, waaronder een depressie en beginnende dementie. Hulpverlening is inmiddels betrokken. De dreigende woningsluiting zorgt voor extra spanningen.

Verzoeker doet een beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu de gevolgen van de sluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen. Verzoeker kan nergens terecht en er loopt inmiddels een procedure bij de kantonrechter over de ontbinding van de huurovereenkomst. Verzoeker heeft onvoldoende financiële middelen om elders iets te huren. De burgemeester heeft verzoeker niet geïnformeerd over vervangende woonruimte en had minder vergaande maatregelen kunnen treffen, zoals bijvoorbeeld een voorwaardelijke sluiting. Verzoeker wil aan alle voorwaarden voldoen en [zoon 1] is bereid zich van de woning te distantiëren.

Beoordelingskader voorlopige voorziening

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Wettelijk kader

4.1

Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Op grond van artikel 2 van de Opiumwet – voor zover relevant – is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I en lijst II:

(..)

B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

(..)

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Amfetamine staat op lijst I en hennep en hasjiesj staat op lijst II.

4.2

De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt in de door hem vastgestelde “Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Tholen houden regels omtrent het Damoclesbeleid De Markiezaten (Damoclesbeleid De Markiezaten, Gemeente Tholen 2020)” (hierna: Damoclesbeleid).

Op grond van het Damoclesbeleid volgt bij de eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning en/of bij woningen behorende erven een sluiting van drie maanden. Bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid softdrugs volgt een sluiting van twee maanden.

Bevoegdheid

5. Niet in geschil is dat er een handelshoeveelheid harddrugs (89 gram amfetamine) en softdrugs (2.530 gram hennep en 1 gram hasjiesj) is aangetroffen in de woning en dat de burgemeester daarom in beginsel bevoegd is om met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en het Damoclesbeleid sluiting van de woning voor een periode van drie maanden te gelasten.

Gebruikmaken van de bevoegdheid

6.1

Wel in geschil is de vraag of de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid. Hierbij is van belang dat de burgemeester bij de uitoefening van haar bevoegdheid over beleidsruimte beschikt. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid met enige terughoudendheid moet toetsen.

6.2

De burgemeester heeft de beleidsruimte ingevuld met beleidsregels die zijn neergelegd in het Damoclesbeleid van de gemeente Tholen. De burgemeester heeft conform het beleid besloten om een sluiting voor de duur van drie maanden te gelasten. Dit beleid wordt door de voorzieningenrechter op zichzelf niet onredelijk geacht.

6.3

Dat de last tot sluiting voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met het Damoclesbeleid, betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten. Op grond van artikel 4:84 van de Awb mag een bestuursorgaan niet overeenkomstig een beleidsregel handelen indien dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het is niet zo dat bij toepassing van artikel 4:84 van de Awb de met de beleidsregel te dienen doelen een vaststaand gegeven zijn, zodat slechts behoeft te worden bezien of er bijzondere, persoonlijke omstandigheden zijn. Zoals de AbRS heeft overwogen (uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912), dient in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. De burgemeester mag het met de beleidsregel te dienen belang dus niet als vaststaand gegeven zien, maar dient te beoordelen wat dit belang in het concrete geval inhoudt en hoe zwaarwegend het is.

Noodzaak

7.1

In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat bij de woning te beschermen en de openbare orde te herstellen.

7.2

In de woning van verzoeker is 89 gram harddrugs en 2.531 gram softdrugs aangetroffen. Dat is aanzienlijk meer dan 0,5 gram harddrugs en 5 gram softdrugs dat als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Bij een dergelijke hoeveelheid is het aannemelijk dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dit wordt door verzoeker ook niet betwist. Hij heeft zich in aanvulling daarop ter zitting bij monde van [naam schoondochter] op het standpunt gesteld dat niemand in zijn woning te maken wil hebben met drugshandel, dat [zoon 1] werd bedreigd en afgeperst om de drugs voor iemand te bewaren, dat hij daar zoveel spanning van had dat hij de week voor 2 december 2020 een zelfmoordpoging heeft gedaan en dat het ook [zoon 1] zelf is geweest die anoniem de politie heeft gebeld, omdat hij geen drugs wilde bewaren en wilde dat het ophield. De woning is geen drugspand. Er is geen sprake geweest van overlast en er is niet gedeald vanuit de woning. De drugs hebben er zeer kort gelegen.

7.3

De voorzieningenrechter overweegt dat in de Bestuurlijke rapportage opsporingsonderzoek niet is vermeld dat eerder in de woning drugs is aangetroffen of dat sprake is geweest van handel vanuit de woning of bekendheid van de woning als drugspand. De door verzoeker ingediende verklaringen van de buurtbewoners ondersteunen zijn standpunt dat geen sprake is geweest van overlast. Bovendien is niet gebleken dat in de woning attributen zijn aangetroffen die gelieerd kunnen worden aan handel in drugs, zoals vuurwapens, gripzakjes, weegschalen of veel contant geld in kleine coupures.

Gelet op deze omstandigheden gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat van feitelijke handel vanuit de woning of bekendheid van de woning in het drugsmilieu geen sprake is geweest.

7.4

Voorts acht de voorzieningenrechter het - in tegenstelling tot de burgemeester - aannemelijk dat [zoon 1] zelf de politie heeft gebeld, nu dit wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 2 december 2020 en de verklaring van [naam schoondochter] ter zitting. Zij heeft toegelicht dat zij op de telefoon die zij samen met [zoon 1] gebruikte, zag dat er was gebeld met een nummer van de politie. Ook in het proces-verbaal van bevindingen is aangegeven dat om 9.51 uur voor de duur van enkele minuten met de telefoon is gebeld met de politie. In het proces-verbaal van bevindingen staat verder dat volgens zijn vriendin en moeder, [zoon 1] al ongeveer twee jaar wordt afgeperst en gechanteerd, waardoor het vermoeden is ontstaan dat hij zichzelf heeft aangegeven in de hoop dat hij dan veilig is en vast komt te zitten. [zoon 1] zou recent een zelfmoordpoging hebben gedaan omdat hij de consequenties van de chantage en afpersing niet meer overziet. De voorzieningenrechter stelt vast dat de suïcidepoging door andere stukken wordt bevestigd in het dossier.

Uitgaande van het feit dat [zoon 1] zelf de politie heef gebeld, constateert de voorzieningenrechter dat het niet zijn wens was om de drugs in de woning aanwezig te hebben. Ook acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat verzoeker dit niet wenst.

7.5

Namens de burgemeester is ter zitting betoogd dat de noodzaak tot sluiting niet alleen gelegen is in de hoeveelheid aangetroffen drugs, maar ook in de kwetsbare woonwijk waarin de woning gelegen is, het aantreffen van drugs in naburige panden en in de preventieve werking die van een sluiting uitgaat. De buurt weet dat er politie in de woning is geweest en dat er drugs is aangetroffen. Er moet een signaal worden afgegeven dat dit niet wordt getolereerd. Sluiting van de woning is ook hierom noodzakelijk. De voorzieningenrechter heeft begrip voor dit standpunt van de burgemeester, maar is van oordeel dat de onder 7.2 en 7.4 genoemde omstandigheden ervoor zorgen dat de noodzaak van de sluiting relatief gezien beperkt is.

Evenredigheid

8.1

De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of sluiting, gegeven de (beperkte) noodzaak daartoe, ook evenredig is. Voor de beoordeling van de evenredigheid zijn onder meer de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting van belang.

8.2

Verzoeker heeft aangegeven dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de woning. Ook heeft hij stukken overgelegd ten aanzien van zijn psychische gesteldheid. Uit de stukken blijkt dat verzoeker is doorverwezen naar een ouderenpsychiater en dat sprake is van een depressieve stoornis. [naam schoondochter] heeft ter zitting aangegeven dat inmiddels in het ziekenhuis een beginnende dementie is vastgesteld en dat zij verzoeker overal bij moet helpen. De voorzieningenrechter heeft ter zitting met verzoeker gesproken.

De in het dossier aanwezige (medische) stukken, de overgelegde verklaringen van familieleden en het gesprek met verzoeker ter zitting leiden ertoe dat de voorzieningenrechter aanneemt dat verzoeker geen wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen heeft gehad.

Voorts dient verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon - voor wie zij de diagnose van beginnende dementie, ondanks dat deze nog niet met medische stukken is onderbouwd, voorshands niet onaannemelijk acht - voor wie het ernstige, onomkeerbare, negatieve gevolgen kan hebben indien hij geen woonruimte heeft.

8.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ter zitting aannemelijk is geworden dat het voor verzoeker niet mogelijk is zelf vervangende woonruimte te vinden. De door de burgemeester genoemde mogelijkheid van nachtopvang bij de opvanglocatie Het Witte Huis in Vlissingen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reëel alternatief voor de kwetsbare persoon van verzoeker. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat Vlissingen 80 kilometer van [woonplaats] ligt en dat op de website van Emergis valt te lezen dat personen die tijdelijk niet beschikken over onderdak zich aan kunnen melden voor de bed-, bad- en broodvoorziening van Het Witte Huis. Aanmelding hiervoor kan tot uiterlijk 17.00 uur op de dag zelf en er is plaats voor maximaal 10 personen. Er wordt niet gesproken over tijdelijke dagopvang. Namens de burgemeester is deze informatie van de gemachtigde niet betwist.

De voorzieningenrechter overweegt dat zij verzoeker niet in staat acht om zich dagelijks te melden voor de nachtopvang in een opvanglocatie voor daklozen die op ruim 80 kilometer afstand is gelegen van zijn huidige woonplaats. Bovendien is de voorzieningenrechter de mening toegedaan dat verzoeker in zijn situatie niet overdag op straat kan zwerven. Bij Het Witte Huis is niet gegarandeerd dat verzoeker overdag kan worden opgevangen en dat er voor hem een slaapplaats in de nachtopvang is. Er zijn immers maar 10 plaatsen.

Conclusie

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er, mede gelet op de beperkte noodzaak tot sluiting, bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen van de burgemeester overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dit betekent dat de burgemeester in dit geval niet in redelijkheid van haar bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. Het bezwaar heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen. Zeker nu er andere mogelijkheden voorhanden zijn, zoals voorwaardelijke sluiting, waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld over bijvoorbeeld het verblijf van [zoon 1] in de woning en welke hulp er beschikbaar moet komen voor verzoeker.

De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen en het bestreden besluit schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Griffierecht en proceskosten

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 22 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze

uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.