Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2022

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
02-295597-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een crimineel samenwerkingsverband, dat zich bezighield met de productie van BMK en amfetamine. Hij heeft samen met anderen in dat kader deze drugs geproduceerd, waarbij verdachte in beeld kwam als er problemen waren. Verdachte werd vanwege zijn technische kennis en kennis van het productieproces ingeschakeld om deze te verhelpen. Gelet op de bijzondere en zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van verdachte is aan hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-295597-19 (hoofdzaak)

vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]
raadsman mr. J. Zaim, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25, 26, 28 januari 2021 en

2 februari 2021 en het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 22 april 2021. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officieren van justitie, mr. Gimbrère en mr. Smale, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

  1. deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met de productie van synthetische drugs in Esch;

  2. (samen met een ander of anderen) in een drugslaboratorium in Esch de productie

van synthetische drugs heeft voorbereid en ook synthetische drugs heeft geproduceerd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten. Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen in het dossier voeren zij aan dat vastgesteld kan worden dat er in het aangetroffen drugslab in Esch amfetamine is geproduceerd en dat verdachte hierbij betrokken is geweest als laborant. Voor de productie van MDMA vorderen de officieren van justitie partieel vrijspraak wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dat deze drugs daar in de tenlastegelegde periode is geproduceerd. Daarnaast achten zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onderdeel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie die zich bezighield met voornoemde amfetamineproductie, aangezien hij hieraan een actieve bijdrage heeft geleverd en directe contacten onderhield met de medeverdachten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor beide tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging primair aan dat niet kan worden gesproken van een criminele organisatie ex artikel 11b van de Opiumwet, omdat niet is gebleken dat er duurzaam werd samengewerkt en dat er evenmin sprake was van structuur en een onderlinge taakverdeling. Als er wel sprake was van enige vorm van samenwerking, dan is dit slechts incidenteel geweest. Subsidiair wordt gesteld dat verdachte niet als deelnemer van de criminele organisatie kan worden aangemerkt, omdat hij geen enkele rol heeft vervuld bij de verwezenlijking of ter bevordering van het criminele oogmerk van de vermeende organisatie. Voor wat betreft feit 2 voert de verdediging aan dat nergens uit blijkt dat verdachte in het lab aanwezig is geweest, dat hij contact onderhield met de medeverdachten en dat hij “[bijnaam]” is waarover wordt gesproken. Dat verdachte een actieve en essentiële bijdrage aan de productie van synthetische drugs (inclusief voorbereidings- en uitvoeringshandelingen) heeft geleverd, kan op basis van het dossier dan ook niet worden vastgesteld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Productie synthetische drugs

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 3 juli 2019 in de kelder van een pand aan de [adres 2] in Esch een amfetaminelaboratorium is aangetroffen. Door het LFO en het NFI zijn rapporten opgesteld over de aangetroffen goederen en stoffen in het lab. Het NFI heeft gerapporteerd dat in het lab sprake was van twee productieprocessen: het vervaardigen van BMK en het vervaardigen van amfetamine. Naar schatting zou het lab 186-254 kg onversneden amfetaminepasta hebben opgeleverd.

Het pand waar het lab in was gevestigd werd gehuurd door [medeverdachte 1]. In het lab werden DNA sporen aangetroffen van onder andere [medeverdachte 2] en verdachte. [medeverdachte 2] blijkt samen met [medeverdachte 3] meerdere keren in het lab te zijn geweest en de rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat zij samen met [medeverdachte 1] in het lab hebben geproduceerd. Ook verdachte heeft zich volgens de rechtbank bezig gehouden met het productieproces. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte “[bijnaam]” waarover in de taps wordt gesproken. Hij werd ingeschakeld op het moment dat er problemen waren in het lab die moesten worden opgelost.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat ook verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de productie van amfetamine in het lab in Esch. De betrokkenheid van verdachte baseert de rechtbank onder andere op de tapgesprekken, de reisbewegingen van de (mede)verdachten en de verslagen van het observatieteam zoals opgenomen in de bewijsbijlage. Bij de doorzoeking bij verdachte thuis is bovendien een notitie aangetroffen met daarop aantekeningen die betrekking hebben op de productie van synthetische drugs. Ook zijn er op zijn telefoon foto’s gevonden van het lab in Esch. Foto’s die op 29 juni 2019 zijn gemaakt met zijn telefoon, kort nadat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] daar waren vertrokken. Tot slot is het DNA van verdachte aangetroffen op een mok in het lab en is gebleken dat hij beschikte over een zogenaamde PGP-telefoon. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en bij gebrek aan een verklaring van verdachte hoe een en ander anders zou moeten worden uitgelegd, maken dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk een rol heeft gespeeld bij het lab in Esch. Verdachte werd ingevlogen om iets te maken en/of op te ruimen. Hij beschikte kennelijk over de benodigde kennis en acteerde daar ook op.

Blijkens het dossier reed [medeverdachte 1] regelmatig naar het bedrijf van [medeverdachte 4] in Tiel en zijn er door het observatieteam ontmoetingen tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waargenomen. Daarnaast zijn de tapgesprekken veelzeggend. De rechtbank is, anders dan de verdediging heeft betoogd, van oordeel dat de tapgesprekken wel degelijk over het lab in Esch gaan. De bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien geven een duidelijk beeld over hoe een en ander in de laatste dagen voor het aantreffen van het lab is verlopen. Uit de tapgesprekken kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 4] meedeelt dat het allemaal niet lekker loopt met de productie en ook dat hij wil stoppen met het lab. Vervolgens belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 5] ([medeverdachte 5]). In dat gesprek wordt besproken dat [medeverdachte 1] wil stoppen met het lab, dat [medeverdachte 5] zal regelen dat de spullen worden opgehaald en dat daarvoor “[bijnaam]” zal worden benaderd. Ook komt uit de gesprekken naar voren dat [medeverdachte 5] geld had gestoken in het lab in Esch en ook de zeggenschap had om te regelen dat het lab zou worden opgeruimd. Kort hierna belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 1], maar hij krijgt geen gehoor. Desondanks is te horen dat hij tegen een derde spreekt over [medeverdachte 1] die mogelijk al in de kelder hangt waardoor zij niet meer hoeven te delen. Een minuut later belt [medeverdachte 1] terug naar [medeverdachte 4] om door te geven dat hij het heeft geregeld met [medeverdachte 5] en dat het lab zal worden opgeruimd. Verdachte rijdt vervolgens op 3 juli 2019 met de auto vanuit Culemborg via Tiel naar Esch.

Hoewel in de tapgesprekken soms in versluierd taalgebruik werd gesproken, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de gesprekken gaan over het productieproces in het laboratorium in Esch. Zo sluiten de bevindingen op 3 juli 2019 over het ontbreken van de branders aan bij het gesprek dat er zich op 2 juli 2019 problemen voordeden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring dat de gesprekken over een auto gingen die door [medeverdachte 1] zou worden aangekocht ongeloofwaardig is. Immers blijkt [medeverdachte 4] niet te weten over welke auto [medeverdachte 1] hem belt en blijkt uit de gesprekken juist dat [medeverdachte 1] geld van verdachte vraagt. Bovendien is het niet aannemelijk dat [medeverdachte 5] een derde zou regelen om een onderdeel te laten maken van een door [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 1] te verkopen auto. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat bewoordingen als auto, koppakking en kast in de tapgesprekken verwijzen naar de laboratoriumopstelling in Esch. Uit de tapgesprekken volgt voor de rechtbank dat verdachte met betrekking tot dit lab heeft gefungeerd de persoon met de technische kennis van het proces. Daarmee vervulde verdachte een essentiële rol bij het in stand houden van het productieproces.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 28 juni tot en met 3 juli 2019 nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt en als medepleger betrokkenheid heeft gehad bij de productie van amfetamine in het lab in Esch en de voorbereiding hieraan voorafgaand.

Met de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat, hoewel ter plaatse MDMA-resten zijn aangetroffen, het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat er ook in de tenlastegelegde periode MDMA is geproduceerd. Verdachte zal van dit onderdeel dan ook worden vrijgesproken.

Was er ook sprake van een criminele organisatie?

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie is blijkens de jurisprudentie een aantal aspecten van belang. Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Het oogmerk van de criminele organisatie dient te zijn gericht op het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.

Een betrokkene moet weten – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Een betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist.

Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, dat er in de periode van 29 mei 2019 tot en met 3 juli 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank kan op grond van de stukken vaststellen dat onder meer [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] vanaf 29 mei 2019, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] vanaf 13 juni 2019 en verdachte vanaf 28 juni 2019 deel uit hebben gemaakt van dit samenwerkingsverband. De rechtbank wijkt hierbij voor wat betreft de pleegperiode ten aanzien van verdachte af van het standpunt van de officieren van justitie, omdat zij door het ontbreken van bewijs voor eerdere contactmomenten tussen verdachte en zijn medeverdachten niet vast kan stellen dat verdachte al eerder betrokken was.

De rechtbank overweegt dat uit de tapgesprekken volgt dat er sprake was van wederzijds vertrouwen tussen de verdachten en dat er werd bemiddeld bij problemen. Er werd samengewerkt om het productieproces in stand te houden en voort te zetten. Evenals veelal bij legale organisaties was er sprake van een hiërarchische managementstructuur. Ieder had zijn eigen rol binnen het samenwerkingsverband. De investeerder en eindverantwoordelijke -[medeverdachte 5]- had de leiding op de achtergrond en werd ondersteund door een assistent -[medeverdachte 4]-. Die assistent onderhield contacten met de meewerkend voorman op de werkvloer -[medeverdachte 1]- en met de technische afdeling met kennis van het productieproces -verdachte-. Tot slot waren er ook werknemers die net als de meewerkend voorman benodigdheden naar het lab vervoerden en daarnaast werkzaamheden verrichtten in het laboratorium -[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]-. Die structuur komt goed naar voren als de tapgesprekken in onderlinge samenhang worden bezien.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat bij een aantal verdachten zogenaamde crypto-telefoons zijn aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke telefoons, waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd, veelvuldig worden gebruikt in het criminele milieu. Daarnaast werd er door een aantal deelnemers van het samenwerkingsverband afgesproken op openbare plaatsen of in het bos, met de kennelijke bedoeling om zoveel mogelijk het risico te beperken dat hetgeen daar werd besproken bekend zou worden. Tot slot werd gebruik gemaakt van een “bedrijfsauto” die door [medeverdachte 1] was geleased maar die later ook door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werd gebruikt.

Het samenwerkingsverband tussen de verdachten had naar het oordeel van de rechtbank ook een duurzaam karakter. Dit blijkt onder meer uit de intensiteit van de contacten in de bewezenverklaarde periode en de inhoud van de tapgesprekken waaruit ook de eerder omschreven rolverdeling blijkt. De inhoud van de gesprekken duidt niet op een eenmalig of vluchtig contact. Zo weet [medeverdachte 1] in het gesprek op 2 juli 2019 met wie hij spreekt, zonder dat [medeverdachte 5] hierbij zijn naam hoeft te noemen. Bij [medeverdachte 1] is ook bekend wie door zijn gesprekspartners wordt bedoeld als zij spreken over “[bijnaam]”. Daarnaast blijkt uit de tapgesprekken dat de gesprekspartners steeds beschikken over achtergrondinformatie om gericht vragen te kunnen stellen over de feitelijke situatie. De rechtbank maakt hieruit op dat de verdachten elkaar kenden, dat ze al langere tijd samen bezig waren met het lab en dat duidelijk was wie waar verantwoordelijk voor was.

Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Deze organisatie had als oogmerk het produceren van amfetamine en uiteindelijk ook de verkoop van deze drug om hiermee zichzelf te bevoordelen. De bijdrage die alle verdachten leverden is naar het oordeel van de rechtbank ook van voldoende intensiteit en duur om hen zodoende te worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie.

Het bewijs van het opzet van de verdachten, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachten is overwogen.

Conclusie

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode van 29 mei 2019 tot en met 3 juli 2019 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, waar verdachte van 28 juni tot en met 3 juli 2019 onderdeel van uitmaakte.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 28 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en na te noemen personen, te weten


• in de periode van 28 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren en/of te Bergen op Zoom en/of te Tiel en/of te Culemborg en/of Renesse en/of Brouwershaven en/of Burgh-Haamstede en/of Oosterland en/of Serooskerke Schouwen en/of elders in Nederland met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]


welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk

-
het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en

-
het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals bedoeld

in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet;


2.

in de periode van 28 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

EN

in de periode van 28 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,


te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen

- voorwerpen en stoffen voorhanden hebben gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/die delict(en),

immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

* een laboratorium-opstelling / productieplaats, bedoeld/bestemd voor de productie/ vervaardiging van BMK en/of de omzetting van MAPA naar BMK en

* een laboratorium-opstelling / productieplaats, bedoeld/bestemd voor de

productie/vervaardiging van amfetamine en

* hoeveelheden BMK en

* hoeveelheden MAPA en


* hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/ vervaardiging van BMK en amfetamine en


* productiemiddelen / voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van BMK

en amfetamine

voorhanden gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie vorderen, gelet op hetgeen zij bewezen achten, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, indien een bewezenverklaring mocht volgen, bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hierbij wordt in het bijzonder gewezen op het feit dat hij ongeneeslijk ziek is en op korte termijn zal komen te overlijden. Daarnaast wordt gevraagd rekening te houden met zijn leeftijd, zijn strafblad, zijn beperkte rol en de gevolgen van zijn aanhouding op zijn gezondheidstoestand. Gelet op dit alles wordt primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. Subsidiair wordt verzocht uitsluitend een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich binnen een crimineel samenwerkingsverband schuldig gemaakt aan het produceren van BMK en amfetamine. In dit verband is ook het medeplegen van diezelfde productie bewezen.

Het gebruik van amfetamine brengt gezondheidsrisico’s met zich. Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van amfetamine ook het gevaar van schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen. Bovendien is het produceren van amfetamine heel gevaarlijk en zijn er helaas ook al meerdere gevallen bekend van laboranten die als gevolg van het inademen van bij de productie vrijkomende gassen ter plaatse zijn overleden. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat gedurende een langere periode is geproduceerd en dat het vermoedelijk om een grote hoeveelheid amfetamine is gegaan. Daar staat tegenover dat verdachte slechts korte tijd van dit crimineel samenwerkingsverband deel heeft uitgemaakt. Wel was hij een belangrijke schakel in het geheel omdat hij blijkbaar de persoon was met verstand van zaken die te hulp schoot op het moment dat de productie stil dreigde te vallen.

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor andersoortige feiten. Deze feiten hebben bovendien niet plaatsgevonden in de 5 jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten. Verdachte heeft voor onderhavige feiten 44 dagen in voorlopige hechtenis verbleven.

Alles afwegend komt de rechtbank tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officieren van justitie is geëist. Dit komt met name doordat de rechtbank uitgaat van een veel kortere pleegperiode. De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte ook, meer dan de officieren van justitie hebben gedaan, rekening mee dat er sprake is van eendaadse samenloop van beide bewezen feiten.

De rechtbank is van oordeel dat normaal gesproken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden gepast en geboden zou zijn. Echter, de rechtbank stelt vast dat verdachte terminaal ziek is en waarschijnlijk op korte termijn zal overlijden. Onder deze omstandigheden acht zij verdachte niet detentiegeschikt. Dit neemt echter niet weg dat alsnog een straf gepast is gelet op de ernst van het feiten en het strafdoel van de algemene preventie. De rechtbank zal dus niet volstaan met schuldigverklaring zonder straf of maatregel. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

7 Het beslag

7.1

De onttrekking aan het verkeer

Bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten is in de woning van verdachte een jammer aangetroffen. Dit voorwerp behoort aan verdachte toe en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Dit voorwerp is daarom vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

7.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen geldtelmachine en GPS trackers, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feiten 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet

en

 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

en

 medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

574611: 1 STK meetapparatuur, omschrijving: jammer en diverse dectie-apparatuur in koffer;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

574626: 1 STK geldautomaat, geldtelmachine, omschrijving: grijs, merk: Safescan;

574607: 1 STK computer, GPS tracker, omschrijving: Magnet/Tk20SE.

574608: 1 STK computer, GPS tracker Smart Terminal, omschrijving: zwart, merk: Smart Terminal.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Fleskens en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen en mr. Van Beek, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2021.