Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2020

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
02-120867-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een crimineel samenwerkingsverband, binnen welk kader hij samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om MDMA te gaan produceren. Hij hielp bij het opbouwen en trad op als bewaker van de goederen en stoffen. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-120867-20

vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. M.C. van der Want, advocaat te Middelburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25, 28, 29 januari 2021 en het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 22 april 2021. Verdachte en zijn raadsman zijn verschenen bij de inhoudelijke behandeling. De officieren van justitie, mr. Gimbrère en

mr. Smale, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

1. deel heeft uitgemaakt van meerdere criminele organisaties, die zich bezighielden met:

 de opslag van benodigdheden voor een drugslaboratorium in Rilland;

 het zoeken naar een nieuwe locatie voor de productie van drugs;

2. ( (samen met een ander of anderen) in Rilland benodigdheden voor een drugslaboratorium heeft opgeslagen en daarmee de productie van synthetische drugs heeft voorbereid;

2. ( (samen met een ander of anderen) opzettelijk 422 gram MDMA (kristallen) en 0,6 liter MDMA-olie aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een deel van de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen in het dossier voeren zij aan dat vastgesteld kan worden dat verdachte een strafbare betrokkenheid heeft gehad bij de opslag van de Opiumwet gerelateerde goederen en de criminele organisatie die zich daarmee bezig hield. Verdachte kan namelijk bekend worden verondersteld met de aanwezigheid van de goederen en hij heeft een actieve bijdrage geleverd in de zin van het verrichten van hand- en spandiensten. Ook het aanwezig hebben van 422 gram MDMA-kristallen achten zij wettig en overtuigen bewezen. De officieren van justitie vorderen partieel vrijspraak voor de feiten 1 en 3, te weten de criminele organisatie die ziet op de nieuwe locatie en de 0,6 liter MDMA-olie, aangezien hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor alle tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Voor wat betreft feit 1 wordt aangevoerd dat niet is voldaan aan de criteria voor deelname aan een criminele organisatie. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 wordt aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de Opiumwet gerelateerde goederen, de MDMA-kristallen en de MDMA-olie, omdat hij op de dag van de ontmanteling op 19 juli 2019 niet meer woonachtig was in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] in Rilland.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.3.2.1 Feiten 1 en 2 Rilland

Opslag
Op 19 juli 2019 werden in de schuur en in de woning aan de [adres 2] in Rilland meerdere goederen en stoffen aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor de productie van MDMA. Door het LFO en het NFI zijn rapporten opgesteld over de aangetroffen goederen en stoffen. Hieruit bleek dat alle onderdelen voor de productie van MDMA aanwezig waren, maar dat de laboratoriumopstelling niet volledig was aangesloten. Er kon dan ook op dat moment niet geproduceerd worden, maar de productie was wel zeer eenvoudig op te starten. Daarnaast is er vastgesteld dat de kasten en de ketel zeer grote gelijkenis vertoonden met de kasten en de ketel die eerder bij het drugslab aan de [adres 3] in Esch zijn gebruikt. De woning en de schuur aan de [adres 2] werden vanaf 1 februari 2019 gehuurd door [medeverdachte 1] . In de woning zijn DNA-sporen aangetroffen van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA in Rilland.

[medeverdachte 1] heeft bekend dat hij de goederen en stoffen heeft opgeslagen in de schuur. Hoewel er nog niet geproduceerd was, was het de bedoeling om ter plaatse MDMA te produceren. Verdachte heeft bekend dat hij enige tijd in de woning heeft verbleven. Dit wordt bevestigd door het feit dat zijn telefoon vanaf 25 maart 2019 regelmatig aanstraalt op zendmasten in de omgeving van [adres 2] . In een tapgesprek tussen verdachte en zijn moeder heeft verdachte bevestigd dat hij ook heeft geholpen met opbouwen. Ook [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij aanwezig is geweest aan de [adres 2] . Dit gebeurde in een periode waarin hij veel optrok met [medeverdachte 1] . Gedurende dezelfde periode was [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 1] betrokken bij de productie van amfetamine in de kelder van de woning van [medeverdachte 3] in Esch.

Uit de tapgesprekken, de reisbewegingen van verdachten, de verslagen van de observatieteams en de verklaringen van verdachten blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] contact hadden met [Medeverdachte] en [medeverdachte 3] . Uit de telefoongegevens van [medeverdachte 3] volgt dat hij op 8 maart 2019 in Rilland is geweest. Ook in april en mei 2019 straalt zijn telefoon meerdere keren aan in Rilland. Op 25 maart 2019 heeft [medeverdachte 3] een ontmoeting met [Medeverdachte] in het bos. [Medeverdachte] heeft vervolgens op 29 mei 2019 een ontmoeting in ditzelfde bos met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 1] .

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien blijkt dat voornoemde personen aanvankelijk onder leiding van mister X - later door verdachte aangeduid als [naam 2] - een MDMA-lab zouden opzetten op voornoemde locatie. [Medeverdachte] heeft bekend dat hij de investeerder was van het op te zetten lab in Rilland. [medeverdachte 3] is ingezet omwille van zijn kennis van het productieproces. Hij beschikte bovendien over de materialen die gebruikt konden worden bij de productie.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de ter plaatse aanwezige goederen en stoffen. Dit volgt de rechtbank niet. Vaststaat dat het pand in Rilland met maar één doel door [medeverdachte 1] is gehuurd, namelijk om daar samen met anderen MDMA te produceren. Ook staat vast dat [medeverdachte 1] de huur niet kon betalen en dat hij er zelf niet heeft gewoond. Verdachte heeft daar wel verbleven, zonder dat hij huur hoefde te betalen, hetgeen in het licht van het voorgaande hoogst onaannemelijk is, tenzij verdachte een rol had bij de opslag. Uit het gesprek tussen verdachte en zijn moeder leidt de rechtbank ook af dat hij wist om welke spullen het ging. Dit geldt temeer nu hem naar eigen zeggen is gevraagd om mee te produceren voor € 3.000,-. In Rilland was weliswaar (nog) geen sprake van een operationeel lab, maar gelet op de aanwezige hardware en grondstoffen was dit kennelijk wel de bedoeling en was er niet veel voor nodig om de productie op te starten. Dan heeft te gelden dat geen pottenkijkers worden getolereerd om ontdekking door de politie of concurrenten te voorkomen. De rechtbank houdt het ervoor dat verdachte heeft geholpen bij de opslag en dat hij ter plaatse aanwezig was om op “de winkel” te passen.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 25 maart tot en met 19 juli 2019 nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt en als medepleger betrokkenheid heeft gehad bij het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs op de genoemde locatie.

Was er ook sprake van een criminele organisatie?

Voor het toetsingskader van de criminele organisatie verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover onder 4.3.2.1 is overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, dat er in de periode van 1 februari 2019 tot en met 19 juli 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank kan op grond van de stukken vaststellen dat [medeverdachte 1] vanaf 1 februari 2019, [medeverdachte 3] vanaf 8 maart 2019, [Medeverdachte] en verdachte vanaf 25 maart 2019 en [medeverdachte 2] vanaf 29 mei 2019 deel uit hebben gemaakt van dit samenwerkingsverband.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van verdachten in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van wederzijds vertrouwen tussen verdachten. Er vond overleg plaats over de kosten en het opstarten van de productie. Daarnaast heeft [Medeverdachte] [medeverdachte 3] erbij betrokken en een deel van de kosten voor de leaseauto van [medeverdachte 3] voor zijn rekening genomen. Deze leaseauto werd op enig moment in gebruik genomen door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarnaast werd er door een aantal deelnemers van het samenwerkingsverband afgesproken op openbare plaatsen of in het bos, met de kennelijke bedoeling om zoveel mogelijk het risico te beperken dat hetgeen daar werd besproken bekend zou worden.

Evenals bij legale organisaties was er sprake van een hiërarchische managementstructuur. Ieder had zijn eigen rol binnen het samenwerkingsverband. [Medeverdachte] was de investeerder en degene dienaar zijn zeggen de “draaier” heeft gezocht en gevonden in de persoon van [medeverdachte 3] . Hij was ook degene die in overleg met [medeverdachte 3] besloot welke soort drugs geproduceerd zou gaan worden. [medeverdachte 3] zou deze productie door zijn kennis voor zijn rekening gaan nemen. Hij heeft daarnaast in ieder geval een deel van de aangetroffen productieopstelling geleverd. [medeverdachte 1] regelde de locatie en zou naar de overtuiging van de rechtbank samen met [medeverdachte 2] verantwoordelijk zijn voor de daadwerkelijke productie. Zij hebben de locatie in Rilland hiervoor grotendeels gereed gemaakt. Tot slot werd verdachte in de organisatie betrokken om te helpen met het opbouwen. Daarnaast heeft hij opgetreden als bewaker van de goederen en stoffen.

Het samenwerkingsverband tussen de verdachten had naar het oordeel van de rechtbank ook een duurzaam karakter. De intensiteit van de contacten in de bewezenverklaarde periode blijkt uit de waargenomen ontmoetingen, de tapgesprekken en alle reisbewegingen. Niet alle verdachten hebben onderling direct contact gehad, maar dit is ook niet vereist voor de bewezenverklaring van de criminele organisatie. Vastgesteld kan worden dat alle verdachten in de verweten periode contact hebben gehad met in ieder geval een of meerdere andere personen uit de organisatie met betrekking tot de opslag in Rilland. Deze contacten tussen de verdachten kunnen gelet op hun duur en hetgeen verdachten erover verklaren niet als vluchtig worden aangemerkt.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Deze organisatie had als oogmerk het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet. Deze voorbereidingshandelingen hadden moeten leiden tot productie van synthetische drugs. Echter voordat deze productie kon worden gestart is de locatie opgerold. De bijdrage die verdachte leverde is naar het oordeel van de rechtbank ook van voldoende intensiteit en duur waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie.

Het bewijs van het opzet van de verdachten, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachten is overwogen.

De rechtbank wijkt hierbij voor wat betreft de pleegperiode ten aanzien van verdachte af van het standpunt van de officieren van justitie, omdat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte al eerder dan 25 maart 2019 betrokken was. Nu evenmin kan worden vastgesteld dat er na 19 juli 2019 met betrekking tot deze locatie nog strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden, zal de rechtbank de bewezenverklaarde periode in die zin beperken.

Conclusie

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode van 1 februari 2019 tot en met 19 juli 2019 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, waar verdachte van 25 maart 2019 tot en met 19 juli 2019 onderdeel van uitmaakte.

4.3.2.2 Feit 1 Nieuwe locatie

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tenlastegelegde criminele organisatie die zich zou bezighouden met het vinden van een nieuwe locatie voor de productie van drugs. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.


4.3.2.3 Feit 3
Zoals hiervoor overwogen is verdachte betrokken bij de opslag van goederen en stoffen voor de productie van MDMA aan de [adres 2] in Rilland. De rechtbank stelt echter vast dat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat verdachte daardoor ook wetenschap had van de aanwezigheid van de aangetroffen MDMA-kristallen. Met betrekking tot de 0,6 liter MDMA-olie ontbreekt het wettige bewijs dat dit überhaupt op deze locatie aanwezig was. Gelet hierop spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder feit 3 tenlastegelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 25 maart 2019 tot en met 19 juli 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en na te noemen personen, te weten

• in of omstreeks de periode van 25 maart 2019 tot en met 19 juli 2019 te Rilland, gemeente Reimerswaal en/of Bergen op Zoom en/of Renesse en/of Brouwershaven en/of Burgh-Haamstede en/of Oosterland en/of Serooskerke Schouwen althans in de gemeente Schouwen-Duiveland en/of elders in Nederland met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en een andere persoon welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk

- het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet;

2.

in de periode van 25 maart 2019 tot en met 19 juli 2019, te Rilland, gemeente Reimerswaal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

voor te bereiden en/of te bevorderen

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die delicten,

immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

* een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/ vervaardiging van MDMA en

* een hoeveelheid PMK en

* hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/ vervaardiging van MDMA, te weten methylamine en methanol en aceton en zoutzuur en

* productiemiddelen / voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA,

voorhanden gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie vorderen aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 1,5 jaar, met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten zijn jeugdige leeftijd, zijn strafblad en het feit dat hij zijn leven momenteel op orde heeft. Verzocht wordt nadrukkelijk te volstaan met gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest in combinatie met een taakstraf dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf (zo nodig met een langere proeftijd) en eventueel aanvullend een geldboete.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft binnen een crimineel samenwerkingsverband voorbereidingshandelingen verricht om MDMA te gaan produceren. Ook het medeplegen van die voorbereidings-handelingen zelf is bewezen.

Het gebruik van amfetamine en MDMA brengt gezondheidsrisico’s met zich. Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van amfetamine ook het gevaar van schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen. Bovendien is het produceren van amfetamine heel gevaarlijk en zijn er helaas ook al meerdere gevallen bekend van laboranten die als gevolg van het inademen van bij de productie vrijkomende gassen ter plaatse zijn overleden. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voor het bewezenverklaarde rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank de rol van verdachte in het geheel meegewogen. Verdachte wist wat er in Rilland ging gebeuren en hield een oogje in het zeil. In vergelijking met de mededaders was zijn rol beperkt.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor verkeersfeiten en vermogensdelicten. Hij is echter niet eerder veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Voor onderhavige feiten heeft hij 4 dagen in voorlopige hechtenis verbleven.

De verdediging heeft meegedeeld dat verdachte inmiddels betaald werk, een eigen bedrijf en een woonruimte heeft. Hij heeft volgens de raadsman zijn leven gebeterd en is ontzettend geschrokken van de strafeis. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het risico op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met alle gevolgen van dien zelf heeft aanvaard toen hij de bewezen feiten pleegde. De huidige omstandigheden van verdachte geven dan ook geen aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van voornoemde uitgangspunten die uitgaan van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

Alles afwegend zal de rechtbank een straf opleggen die lager is dan door de officieren van justitie is gevorderd nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt en de oriëntatiepunten van de rechtbank en het Openbaar Ministerie verschillen. De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte ook, meer dan de officieren van justitie hebben gedaan, rekening mee dat er sprake is van eendaadse samenloop van beide bewezen feiten. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank ziet, met name gezien de ernst van de feiten, geen mogelijkheid de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest. Wel ziet de rechtbank, gezien de beperkte rol van verdachte, ruimte om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest, voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10a en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feiten 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet

en

 medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Fleskens en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen en mr. Van Beek, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2021.