Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:2018

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
02-283217-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van dure/exclusieve horloges. Verdachte heeft de horloges vervoerd en op openbare plaatsen afspraken gehad met leveranciers en afnemers, voor welke diensten hij contant betaald kreeg. Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-283217-19

vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996

wonende te [adres]

raadsman mr. M. Houweling, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25, 26, 28 januari 2021 en

1 februari 2021 en het onderzoek ter zitting is gesloten op 22 april 2021. Verdachte en zijn raadsman zijn verschenen bij de inhoudelijke behandeling. De officieren van justitie,

mr. Gimbrère en mr. Smale, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

  1. deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het zoeken naar een nieuwe locatie voor de productie van drugs;

  2. (samen met een ander of anderen) heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie vorderen vrijspraak voor feit 1 wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Voor feit 2 dient naar hun mening wel een bewezenverklaring te volgen, aangezien verdachte uit de feiten en omstandigheden waaronder hij horloges voor [medeverdachte] vervoerde, had moeten afleiden dat betreffende horloges uit misdrijf afkomstig waren. Gelet op de beperkte periode en het beperkte aantal activiteiten, gaat het hierbij om schuldwitwassen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging aan dat vrijspraak moet volgen wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Volgens de verdediging had hij geen wetenschap van het bestaan van een criminele organisatie en het oogmerk hiervan.

Voor wat betreft feit 2 voert de verdediging primair aan dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enig moment wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de horloges die hij tegen betaling voor [medeverdachte] wegbracht dan wel de geldbedragen die hiermee gemoeid waren (middellijk of onmiddellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf en dat verdachte daarom van dit feit moet worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor schuldwitwassen in de periode vanaf medio oktober 2019.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode tegen betaling meerdere dure horloges voor medeverdachte [medeverdachte] heeft vervoerd. De vraag die allereerst aan de orde is, is of de horloges afkomstig waren uit enig misdrijf. Indien dit het geval is dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden, en of hij als medepleger voor dit witwassen verantwoordelijk kan worden gehouden.

Vermoeden van witwassen
Blijkens de bewijsmiddelen beschikte [medeverdachte] in betreffende periode nauwelijks over (legaal) inkomen. Desondanks handelde hij in dure horloges zonder dat duidelijk is hoe hij deze horloges kon aankopen en verhandelen. Conform de geldende jurisprudentie is [medeverdachte] in de gelegenheid gesteld een concrete en verifieerbare verklaring af te leggen over de herkomst en financiering van de horloges. Hij heeft bekend dat hij ook “handelde met boefjes” en dat zijn “administratie een puinhoop was”. Hij heeft bovendien toegegeven dat hij zijn inkomsten niet heeft opgegeven bij de Belastingdienst. De rechtbank is van oordeel dat de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn. Hierdoor is het vermoeden van witwassen van de horloges niet weerlegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de horloges middellijk of onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Medeplegen

Verdachte heeft meerdere keren voor [medeverdachte] horloges weggebracht of opgehaald die door [medeverdachte] waren ver- of gekocht. Verdachte verzorgde dan de overdracht van het horloge aan of van de koper of verkoper. Hij heeft daarmee horloges die uit enig misdrijf afkomstig waren vervoerd, overgedragen en omgezet. De vraag is of verdachte wist dat de horloges van enig misdrijf afkomstig waren of dat hij dit had moeten vermoeden. In dat kader stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat hij zeer waardevolle horloges vervoerde, maar dat hij desondanks geen enkele concrete opdracht kreeg van [medeverdachte] , inhoudende welk merk of type horloge en bijbehorende officiële documenten hij moest wegbrengen dan wel ophalen of om hoeveel horloges het zou gaan. Verdachte had meestal ook geen factuur, slechts incidenteel heeft [medeverdachte] aan hem gevraagd een factuur op te maken. De afspraken die verdachte namens [medeverdachte] had vonden plaats op openbare parkeerplaatsen of op de openbare weg en vaak met voor verdachte onbekende personen. Verdachte wist dus niet bij wie hij moest zijn en wat hij moest afleveren of ophalen. Verdachte kreeg contant uitbetaald voor zijn diensten. Er was geen sprake van een structureel dienstverband van verdachte bij [naam] , het bedrijf van [medeverdachte] . Verdachte is door zijn ouders bovendien gewaarschuwd het contact met [medeverdachte] te verbreken vanwege de criminele activiteiten van [medeverdachte] . Zij hebben verdachte uitdrukkelijk gezegd te stoppen met het vervoeren van de horloges.

Het is een feit van algemene bekendheid dat door middel van de handel in dure en vaak exclusieve horloges regelmatig crimineel vermogen wordt witgewassen. Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de horloges door hem niet in het kader van reguliere handel werden vervoerd. Van verdachte mocht worden verwacht dat hij vragen stelde over de hiervoor geschetste handelwijze en de aard en herkomst van de horloges die hij moest vervoeren. Zeker nu hij door anderen is gewaarschuwd. Dit heeft hij nagelaten. Desondanks is verdachte met medeverdachte [medeverdachte] blijven samenwerken en is hij doorgegaan met het vervoeren, afleveren en ophalen van de horloges. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 19 juli tot en met 26 november 2019 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 19 juli 2019 tot en met 26 november 2019 te Bergen op Zoom en/of elders in Nederland en/of te Antwerpen, tezamen en in vereniging met een ander, zich schuldig

heeft gemaakt aan schuldwitwassen,

immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader, meermalen voorwerpen, te weten dure/exclusieve horloges, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie vorderen aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hierbij wordt verwezen naar de duur van het voorarrest, de impact hiervan op verdachte, zijn blanco strafblad en het feit dat hij zijn leven momenteel op orde heeft. Verzocht wordt te volstaan met het opleggen van uitsluitend een taakstraf, met aftrek van het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het witwassen van dure/exclusieve horloges. Verdachte heeft de horloges voor [medeverdachte] vervoerd en op openbare plaatsen afspraken gehad met leveranciers en afnemers. Voor die diensten kreeg hij contant betaald. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen enkele navraag heeft gedaan naar de herkomst van de horloges en de voor dure horloges ongebruikelijke handelswijze bij de verkoop en overdracht. Verdachte heeft met het grootste gemak zijn eigen financiële gewin voorop gesteld en zijn ogen gesloten voor de mogelijke illegale herkomst van de horloges die hij voorhanden had.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) als uitgangspunt, waarbij zij specifiek kijkt naar de oriëntatiepunten voor fraude die ook van toepassing zijn op witwassen.

Daarnaast houdt zij rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren niet eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Voor onderhavig feit heeft verdachte 43 dagen in voorlopige hechtenis verbleven.

Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest. Om de ernst van het feit te benadrukken en om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen waarbij hij zijn eigen financiële gewin voorop stelt, zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren opleggen. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie.

7 Het beslag

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de behandeling ter zitting op 1 februari 2021 uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het onder hem inbeslaggenomen klapmes. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan het nemen van enige beslagbeslissing ten aanzien van dit voorwerp.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 2: medeplegen van schuldwitwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Fleskens en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen en mr. Van Beek, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2021.