Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1985

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
02-283436-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan meerdere criminele samenwerkingsverbanden. Zo heeft hij zich binnen een crimineel samenwerkingsverband bezig gehouden met de uitvoer van drugs naar Frankrijk, waarbij hij als opdrachtgever van de drugstransporten de leider van deze organisatie was. Daarnaast heeft verdachte binnen een crimineel samenwerkingsverband met anderen voorbereidingshandelingen verricht om MDMA te gaan produceren, in welk kader hij eveneens als leider is aangemerkt. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verschillende vormen van witwassen gedurende een lange periode en het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 3 kilo hasjiesj. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren. Vrijspraak van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband met betrekking tot de productie van synthetische drugs in Hechtel-Eksel (België) en in Esch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-283436-19 (hoofdzaak), 13-049537-19 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 januari 2021, 28 januari 2021,

22 februari 2021 en het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 22 april 2021. Verdachte en zijn raadsman zijn verschenen bij de inhoudelijke behandeling. De officieren van justitie, mr. Gimbrère en mr. Smale, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Op de zittingen is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.


De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. leiding heeft gegeven aan meerdere criminele organisaties, die zich bezighielden met:

 het vervoeren van drugs naar het buitenland;

 de productie van synthetische drugs in Hechtel-Eksel;

 de productie van synthetische drugs in Esch;

 de opslag van benodigdheden voor een drugslaboratorium in Rilland;

 het zoeken naar een nieuwe locatie voor de productie van drugs;

2. ( (samen met een ander of anderen) heeft witgewassen;

2. ( opzettelijk 3,032 kilo hasjiesj aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

3.2

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman voert aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van drie onderdelen van feit 1, te weten de verdenkingen met betrekking tot Hechtel-Eksel, Esch en Rilland, omdat de verdediging in haar belangen is geschaad door de wijze van vervolgen. Ten aanzien van Hechtel-Eksel is uitsluitend de zaak tegen verdachte bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant aangebracht, terwijl de zaken tegen de medeverdachten bij de rechtbank Oost-Brabant zijn aangebracht en in deze zaken nader onderzoek plaatsvindt in het kader van de waarheidsvinding. Inzake Esch en Rilland is de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] aangebracht bij de rechtbank-Oost-Brabant, waardoor bij deze rechtbank niet bekend is wat zijn verklaring in zijn eigen strafzaak inhoudt. Op deze wijze worden de zaken van verdachte niet in volle omvang aan één rechtbank c.q. één samenstelling van rechters voorgelegd.

De officieren van justitie zijn van mening dat het verweer van de verdediging op dit punt onvoldoende is onderbouwd en daarom verworpen dient te worden.

De rechtbank stelt voorop dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bepalen welke keuzes zij maakt ten aanzien van de vervolging van een verdachte en dat het om die reden mogelijk is dat de zaken tegen medeverdachten bij verschillende rechtbanken worden aangebracht. De rechtbank stelt vast dat de verdediging in het onderzoek Kandinsky de gelegenheid heeft gekregen om onderzoekswensen in te dienen. Een groot deel van deze onderzoekswensen is toegewezen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdediging door de wijze van vervolgen door het Openbaar Ministerie niet is geschaad in haar belangen. Het Openbaar Ministerie is daarom in de vervolging van deze feiten ontvankelijk.

3.4

Reden voor schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie voeren onder verwijzing naar de bewijsmiddelen in het dossier aan dat een bewezenverklaring kan volgen voor feit 1. Zij stellen zich op het standpunt dat verdachte een sturende en leidende rol heeft gehad bij de criminele organisaties ten aanzien van Hechtel-Eksel, Rilland, Esch en de internationale drugsritten. Inzake Hechtel-Eksel kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat verdachte hierbij betrokken was als investeerder dan wel leverancier van grondstoffen. Ten aanzien van Rilland kan mede uit zijn eigen verklaring worden afgeleid dat hij investeerder was. In Esch heeft hij samen met anderen het drugslab gefinancierd en over dit lab heeft hij met regelmaat contact gehad met de laboranten. Met betrekking tot de internationale drugsritten kan worden vastgesteld dat verdachte de opdrachtgever was. Ten aanzien van alle voornoemde onderdelen is voldaan aan de wettelijke criteria voor een criminele organisatie.

De officieren van justitie vorderen partieel vrijspraak ten aanzien van de criminele organisatie die ziet op het zoeken naar een nieuwe locatie, aangezien hiervoor onvoldoende bewijs voorhanden is.

Inzake feit 2 voeren de officieren van justitie aan dat een bewezenverklaring kan volgen voor het witwassen van alle in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen en geldbedragen, aangezien uitgebreid onderzoek van de politie de juistheid van de verklaring van verdachte niet heeft aangetoond. Dat geldt ook voor de verklaring van verdachte omtrent de Harley Davidson en de Rolexen met de unieke nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , inhoudende dat deze voorwerpen niet in eigendom aan hem zouden toebehoren. Daarom kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de goederen zijn aangeschaft met legaal geld en dat er sprake is van verdiensten uit een legale inkomstenbron, waardoor sprake is van witwassen. Gelet op de lange periode waarin verdachte vele witwashandelingen heeft verricht, is er sprake van gewoontewitwassen.

Voor feit 3 kan naar de mening van de officieren van justitie ook een bewezenverklaring volgen, gelet op onder meer de bekennende verklaring van verdachte ter zitting van

28 januari 2021.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor alle onderdelen van feit 1 wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van zowel Rilland als de internationale ritten wordt primair aangevoerd dat een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband ontbreekt en dat er om die reden geen sprake is van een criminele organisatie ex artikel 11b van de Opiumwet. Subsidiair wordt aangevoerd, indien wel sprake mocht zijn van een criminele organisatie, dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte hiervan de oprichter, leider of bestuurder is geweest. Ten aanzien van de overige criminele organisaties stelt de verdediging dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte hierbij enige betrokkenheid heeft gehad.

Voor wat betreft feit 2 voert de verdediging aan dat het toetsingskader van witwassen verkeerd wordt toegepast door de officieren van justitie, omdat zij van verdachte verlangen dat hij aannemelijk maakt dat de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. Weliswaar wordt toegegeven dat het vermoeden van witwassen in deze aanwezig is, echter voor de in de tenlastelegging opgenomen zaken is er een goede verklaring gegeven, zodat van witwassen geen sprake is. Ten aanzien van de Harley Davidson en de Rolexen met unieke nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] wordt aangevoerd dat deze niet aan verdachte toebehoren, maar dat deze eigendom zijn van, respectievelijk, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Het eerstgenoemde horloge lag bij verdachte ter reparatie en de overige drie horloges waren in consignatie gegeven aan verdachte. Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen en geldbedragen geldt dat deze niet zijn witgewassen, aangezien het geld dat hiermee is gemoeid niet afkomstig is uit enig misdrijf maar is verdiend met legale arbeid in de horloge- en de autohandel. Verdachte dient daarom integraal te worden vrijgesproken van feit 2.

Ook voor feit 3 dient een vrijspraak te volgen, aangezien de hasjiesj van slechte kwaliteit is. Het THC gehalte in de hasjiesj was erg laag, waardoor het niet geschikt was om te verkopen of te gebruiken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.3.2.1 Feit 1 criminele organisatie uitvoer drugs
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [naam 4] op 24 oktober 2018 in Frankrijk is aangehouden voor het vervoeren van verdovende middelen.Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat deze [naam 4] contacten had met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Bij bestudering van de appberichten op de telefoon van [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 2] en [naam 4] vanaf 14 maart 2018 regelmatig contact hebben over ritten naar Frankrijk. Uit de appberichten in combinatie met de verklaringen van [medeverdachte 2] en [naam 4] blijkt dat een deel van deze ritten is gereden in opdracht van verdachte. Afspraken voor deze ritten werden gemaakt via een speciale telefoon en [medeverdachte 2] kreeg een deel van de opbrengsten van de ritten.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat hij ervan op de hoogte was dat er sprake was van drugsritten in opdracht van verdachte. Hoewel [medeverdachte 2] later over deze verklaring heeft gezegd dat de politie deze niet correct op papier heeft gezet, aangezien hij het enkel over ritten en niet over drugsritten zou hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring wel degelijk voor het bewijs gebruikt kan worden. Zelfs indien het woord drugsritten zou worden vervangen door ritten, dan spreekt [medeverdachte 2] nog altijd in volzinnen en gedetailleerd over het vervoer van drugs. Daarbij komt dat [medeverdachte 2] op de hoogte was van het feit dat er gecommuniceerd werd via een speciale telefoon. Bovendien bevestigt de zoon van [medeverdachte 2] dat zijn vader hem heeft verteld over drugsritten die door [naam 4] werden uitgevoerd.

Gelet op voornoemde feiten acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam 4] in de tenlastegelegde periode drugstransporten naar Frankrijk heeft uitgevoerd voor verdachte en dat [medeverdachte 2] meedeelde in de opbrengsten hiervan.

Was er ook sprake van een criminele organisatie?

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie is blijkens de jurisprudentie een aantal aspecten van belang. Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Het oogmerk van de criminele organisatie dient te zijn gericht op het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.

Een betrokkene moet weten – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Een betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist.

Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, dat er in de periode van 14 maart 2018 tot en met 24 oktober 2018 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet. Gedurende deze gehele periode hebben [naam 4] , [medeverdachte 2] en verdachte deel uitgemaakt van dit samenwerkingsverband. Uit de appgesprekken blijkt dat de verhoudingen in het begin van de periode goed waren. [naam 4] had zeer regelmatig contact met [medeverdachte 2] . Deze gesprekken werden gevoerd op vriendschappelijke toon en informatie over de ritten die [naam 4] reed werd openlijk gedeeld. [medeverdachte 2] stelde gerichte vragen over de ritten en heeft [naam 4] meermalen gewezen op afspraken die waren gemaakt met betrekking tot de opbrengsten uit de ritten. Uit de inhoud van de appgesprekken volgt dat [naam 4] via een speciale telefoon (een PGP-telefoon) contact had met verdachte en voor verdachte ritten naar Frankrijk uitvoerde. Verdachte en [naam 4] zijn door [medeverdachte 2] aan elkaar voorgesteld en met elkaar in contact gekomen.

Uit de appberichten blijkt een duidelijke rolverdeling. Verdachte was de opdrachtgever voor de transporten die door [naam 4] werden uitgevoerd. [medeverdachte 2] was de bemiddelaar die beide personen met elkaar in contact heeft gebracht en die contact onderhield met beiden gedurende de periode waarin de ritten werden uitgevoerd. Op de momenten waarop de emoties bij [naam 4] hoog opliepen probeerde [medeverdachte 2] de situatie te sussen. Daarnaast deelde hij ook mee in de opbrengst die [naam 4] ontving. Hiermee is de structuur van de organisatie een gegeven.

Het samenwerkingsverband tussen de verdachten had naar het oordeel van de rechtbank ook een duurzaam karakter. In de beginperiode was er sprake van een hoge intensiteit in de contacten. Regelmatig werd er meerdere dagen achter elkaar gecommuniceerd tussen [naam 4] en [medeverdachte 2] . Uit die gesprekken blijkt ook dat er in diezelfde periode contact is met verdachte.

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien blijkt dat het samenwerkings-verband het oogmerk had om misdrijven te plegen als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet. Dat er slechts een beperkt aantal ritten is uitgevoerd in de tenlastegelegde periode doet hier niet aan af. De contacten zijn doorgelopen ook na wat, zo zou achteraf blijken, de laatste rit te zijn geweest. Op enig moment zijn de verhoudingen tussen de betrokkenen ernstig bekoeld door problemen met een voertuig op naam van [naam 4] . Dit neemt niet weg dat er gedurende de tenlastegelegde periode sprake was van een gestructureerde en duurzame samenwerking om het beoogde doel te verwezenlijken.

Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Deze organisatie had als oogmerk het vervoeren, uitvoeren en verkopen van drugs. Gelet op het bovenstaande was de bijdrage die alle verdachten leverden naar het oordeel van de rechtbank van voldoende intensiteit en duur om te worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van de verdachten, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachten is overwogen.

Conclusie

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode van 14 maart 2018 tot en met 24 oktober 2018 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, waar verdachte onderdeel van uitmaakte. Gelet op zijn rol als opdrachtgever van de drugstransporten is de rechtbank van oordeel dat verdachte als leider van deze organisatie kan worden aangemerkt.

4.3.2.2 Feit 1 criminele organisatie Hechtel-Eksel

De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek Kandinsky verscheidene processen-verbaal bevat waaruit mogelijke betrokkenheid van verdachte bij voornoemd laboratorium concreet kan worden afgeleid. Allereerst zijn er de processen-verbaal met TCI-informatie. Deze processen-verbaal mogen echter niet worden gebruikt voor het bewijs. Daarnaast is er een proces-verbaal met als inhoud de weergave van een WhatsAppgesprek tussen [naam 5] (de (toenmalige) vriendin van verdachte) en [naam 6] (de moeder van verdachte). De rechtbank stelt vast dat dit gesprek pas 8 maanden na het aantreffen van de drie overleden personen in het laboratorium in Hechtel-Eksel heeft plaatsgevonden. Ongeacht of de inhoud van het gesprek al dan niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt, stelt de rechtbank vast dat uit het gesprek niet blijkt welke rol of aandeel verdachte zou hebben gehad bij of in het laboratorium in Hechtel-Eksel. De overige bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de contacten met [naam 7] , de gedragingen van verdachte op 28 januari 2019 en de reisbewegingen en contacten van verdachte op 29 januari 2019 bieden geen, althans onvoldoende concrete en directe aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte bij het lab in Hechtel-Eksel. Daar komt bij dat deze stukken in combinatie met de andere bewijsmiddelen niet slechts op één manier kunnen worden geïnterpreteerd. Op basis van het procesdossier kan de rechtbank daarom niet vaststellen wat het aandeel van verdachte zou zijn geweest in de verweten criminele organisatie. Om die reden spreekt zij verdachte vrij van deelname aan de criminele organisatie met als oogmerk de productie van synthetische drugs in Hechtel-Eksel.

4.3.2.3 Feit 1 criminele organisatie Esch

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte contacten heeft gehad met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Deze medeverdachten hebben alle drie gebruik gemaakt van een personenauto, die verdachte samen met [medeverdachte 1] heeft opgehaald en waarvan een deel van de leasetermijnen door verdachte is voldaan. Daarnaast volgt uit de afgeluisterde OVC-gesprekken met [naam 8] dat er door verdachte is gesproken over investeringen die verband houden met, zoals verdachte ook heeft verklaard, de productie van drugs. Hieruit kan worden opgemaakt dat er kennelijk al hoge bedragen zijn geïnvesteerd, maar daaruit volgt niet met betrekking tot welke locatie dit heeft plaatsgevonden.

Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij het lab in Esch ontkend en heeft aangegeven dat de verschillende bewijsmiddelen die lijken te zien op zijn betrokkenheid bij de productielocatie in Esch in werkelijkheid verband houden met rol bij de productielocatie in Rilland.

In dat verband stelt de rechtbank vast dat een aantal van de genoemde medeverdachten ook betrokken zijn bij de opslaglocatie in Rilland. Daarnaast geldt dat er geen contacten kunnen worden vastgesteld tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] , die ook betrokken zijn bij het lab in Esch. Verdachte is zelf nooit gezien in het lab in Esch noch is gebleken dat zijn telefoon daar heeft aangestraald. Ook de geconstateerde reisbewegingen van de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , de verschillende (heimelijke) ontmoetingen, de reeds aangehaalde investeringen en het OVC-gesprek op de luchtplaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] wijzen, zonder nadere ondersteuning met overig bewijs, niet of onvoldoende op directe betrokkenheid van verdachte bij het lab Esch. Dit wordt niet anders voor zover deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang worden bezien, nu ook daaruit niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een en ander betrekking heeft op de locatie in Esch. Deze bewijsmiddelen kunnen immers ook zien op betrokkenheid bij de locatie Rilland en daarmee kunnen passen in de verklaring van verdachte daaromtrent.

Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de bewijsmiddelen slechts kunnen duiden op betrokkenheid van verdachte bij het lab in Esch. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van feit 1.

4.3.2.4 Feit 1 criminele organisatie Rilland

Opslag
Op 19 juli 2019 werden in de schuur en in de woning aan de [adres 2] in Rilland meerdere goederen en stoffen aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor de productie van MDMA. Door het LFO en het NFI zijn rapporten opgesteld over de aangetroffen goederen en stoffen. Hieruit bleek dat alle onderdelen voor de productie van MDMA aanwezig waren, maar dat de laboratoriumopstelling niet volledig was aangesloten. Er kon dan ook op dat moment niet worden geproduceerd, maar de productie was wel zeer eenvoudig op te starten. Daarnaast is er vastgesteld dat de kasten en de ketel zeer grote gelijkenis vertoonden met de kasten en de ketel die eerder bij het drugslab aan de [adres 3] in Esch zijn gebruikt. De woning en de schuur aan de [adres 2] werden vanaf 1 februari 2019 gehuurd door [medeverdachte 3] . In de woning zijn DNA-sporen aangetroffen van [medeverdachte 8] .

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA in Rilland.

[medeverdachte 3] heeft bekend dat hij de goederen en stoffen heeft opgeslagen in de schuur. Hoewel er nog niet geproduceerd was, was het de bedoeling om ter plaatse MDMA te produceren. [medeverdachte 8] heeft bekend dat hij enige tijd in de woning heeft verbleven. Dit wordt bevestigd door het feit dat zijn telefoon vanaf 25 maart 2019 regelmatig aanstraalt op zendmasten in de omgeving van [adres 2] . In een tapgesprek tussen [medeverdachte 8] en zijn moeder heeft [medeverdachte 8] bevestigd dat hij ook heeft geholpen met opbouwen. Ook [medeverdachte 4] heeft bekend dat hij aanwezig is geweest aan de [adres 2] . Dit gebeurde in een periode waarin hij veel optrok met [medeverdachte 3] . Gedurende dezelfde periode was [medeverdachte 4] samen met [medeverdachte 3] betrokken bij de productie van amfetamine in de kelder van de woning van [medeverdachte 1] in Esch.

Uit de tapgesprekken, de reisbewegingen van verdachten, de verslagen van de observatieteams en de verklaringen van verdachten blijkt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] contact hadden met verdachte en [medeverdachte 1] . Uit de telefoongegevens van [medeverdachte 1] volgt dat hij op 8 maart 2019 in Rilland is geweest. Ook in april en mei 2019 straalt zijn telefoon meerdere keren aan in Rilland. Op 25 maart 2019 heeft [medeverdachte 1] een ontmoeting met verdachte in het bos. Verdachte heeft vervolgens op 29 mei 2019 een ontmoeting in ditzelfde bos met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [naam 9] .

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien blijkt dat voornoemde personen aanvankelijk onder leiding van mister X een MDMA-lab zouden opzetten op voornoemde locatie. Verdachte heeft bekend dat hij de investeerder was van het op te zetten lab in Rilland. [medeverdachte 1] is ingezet omwille van zijn kennis van het productieproces. Hij beschikte bovendien over de materialen die gebruikt konden worden bij de productie.

Was er ook sprake van een criminele organisatie?

Voor het toetsingskader van de criminele organisatie verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover onder 4.3.2.1 is overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, dat er in de periode van 1 februari 2019 tot en met 19 juli 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank kan op grond van de stukken vaststellen dat [medeverdachte 3] vanaf 1 februari 2019, [medeverdachte 1] vanaf 8 maart 2019, verdachte en [medeverdachte 8] vanaf 25 maart 2019 en [medeverdachte 4] vanaf 29 mei 2019 deel uit hebben gemaakt van dit samenwerkingsverband.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van verdachten in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van wederzijds vertrouwen tussen verdachten. Er vond overleg plaats over de kosten en het opstarten van de productie. Daarnaast heeft verdachte [medeverdachte 1] erbij betrokken en een deel van de kosten voor de leaseauto van [medeverdachte 1] voor zijn rekening genomen. Deze leaseauto werd op enig moment in gebruik genomen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Daarnaast werd er door een aantal deelnemers van het samenwerkingsverband afgesproken op openbare plaatsen of in het bos, met de kennelijke bedoeling om zoveel mogelijk het risico te beperken dat hetgeen daar werd besproken bekend zou worden.

Evenals bij legale organisaties was er sprake van een hiërarchische managementstructuur. Ieder had zijn eigen rol binnen het samenwerkingsverband. Verdachte was de investeerder en degene die naar zijn zeggen de “draaier” heeft gezocht en gevonden in de persoon van [medeverdachte 1] . Hij was ook degene die in overleg met [medeverdachte 1] besloot welke soort drugs geproduceerd zou gaan worden. [medeverdachte 1] zou deze productie door zijn kennis voor zijn rekening nemen. Hij heeft daarnaast in ieder geval een deel van de aangetroffen productieopstelling geleverd. [medeverdachte 3] regelde de locatie en zou naar de overtuiging van de rechtbank samen met [medeverdachte 4] verantwoordelijk zijn voor de daadwerkelijke productie. Zij hebben de locatie in Rilland hiervoor grotendeels gereed gemaakt. Tot slot werd [medeverdachte 8] in de organisatie betrokken om te helpen met het opbouwen. Daarnaast heeft hij opgetreden als bewaker van de goederen en stoffen.

Het samenwerkingsverband tussen de verdachten had naar het oordeel van de rechtbank ook een duurzaam karakter. De intensiteit van de contacten in de bewezenverklaarde periode blijkt uit de waargenomen ontmoetingen, de tapgesprekken en alle reisbewegingen. Niet alle verdachten hebben onderling direct contact gehad, maar dit is ook niet vereist voor de bewezenverklaring van de criminele organisatie. Vastgesteld kan worden dat alle verdachten in de verweten periode contact hebben gehad met in ieder geval een of meerdere andere personen uit de organisatie met betrekking tot de opslag in Rilland. Deze contacten tussen de verdachten kunnen gelet op hun duur en hetgeen verdachten erover verklaren niet als vluchtig worden aangemerkt.

Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Deze organisatie had als oogmerk het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet. Deze voorbereidingshandelingen hadden moeten leiden tot productie van synthetische drugs. Echter, voordat deze productie kon worden gestart is de locatie opgerold. De bijdrage die verdachte leverde is naar het oordeel van de rechtbank ook van voldoende intensiteit en duur waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie.

Het bewijs van het opzet van de verdachten, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachten is overwogen.

Conclusie

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode van 1 februari 2019 tot en met 19 juli 2019 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, waar verdachte van 25 maart 2019 tot en met 19 juli 2019 deel van uitmaakte. Gelet op de omvang van zijn rol als investeerder en organisator is de rechtbank van oordeel dat verdachte als leider van deze organisatie kan worden aangemerkt.

4.3.2.5 Feit 1 criminele organisatie nieuwe locatie

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit onderdeel van feit 1. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van deelname aan de criminele organisatie met als oogmerk het vinden van een nieuwe locatie voor de productie van drugs.

4.3.2.6 Feit 2

Beoordelingskader
In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen een bepaald misdrijf en de specifieke in de tenlastelegging genoemde bedragen, goederen en voertuigen. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom gebruik maken van het toetsingskader dat voor dergelijke gevallen volgt uit het zogenaamde 6-stappen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). Hieruit volgt dat het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ pas bewezen kan worden, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen de volgende stappen. Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de goederen dan wel gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden, goederen en voertuigen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.

Vermoeden van witwassen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 beperkte legale inkomsten en een beperkt vermogen had. Desondanks heeft verdachte meerdere contante betalingen verricht bij de aankoop van waardevolle goederen en heeft hij meerdere geldboetes contant voldaan. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is een aantal waardevolle goederen en een contant geldbedrag van

€ 8.080,00 aangetroffen. Gebleken is dat op de rekeningen van verdachte een grote hoeveelheid contante bedragen is gestort. Van ongeveer € 54.000,00 is niet te herleiden waarvan dit geldbedrag afkomstig is. Verdachte heeft bevestigd dat zijn boekhouding niet op orde was. Hij heeft andere personen, zoals [medeverdachte 2] en [naam 10] , gevraagd facturen op te maken voor zijn bedrijf [naam 11] , maar lang niet alle transacties werden opgenomen in de administratie. Verder is uit de bewijsmiddelen gebleken dat verdachte voertuigen die hij kocht niet op eigen naam wilde hebben. Hij heeft [naam 12] en [medeverdachte 2] bereid gevonden om voertuigen voor hem te importeren, dan wel op naam te zetten. Verdachte was echter wel zelf de feitelijke gebruiker van de voertuigen. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden bestaat het vermoeden dat er sprake is van witwassen, hetgeen overigens ook door de verdediging wordt toegegeven.


Was er ook sprake van witwassen?

Eigendom goederen
Verdachte heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hij niet de eigenaar is van de volgende goederen:

  1. een motorfiets (Harley Davidson) kenteken [kenteken 1] ;

  2. een horloge, merk Rolex, type Submariner, voorzien van groene wijzerplaat (ibn nr.02.01.003, uniek nr. [nummer] );

  3. een horloge, merk Rolex, goudkleurig met zwarte wijzerplaat (ibn nr. 01.02.004, uniek nr. [nummer] );

  4. een horloge, merk Rolex, zilverkleurig met zwarte wijzerplaat (ibn nr. 02.01.004, uniek nr. [nummer] );

  5. een horloge, merk Rolex met zwart wijzerplaat (ibn nr. 05.07.001, uniek nr. [nummer] ).

Doordat verdachte niet de eigenaar is van voornoemde goederen, kan er naar de mening van de verdediging ook geen sprake zijn van witwassen.

De rechtbank stelt vast dat er meerdere klaagschriftprocedures over voornoemde goederen

zijn gevoerd en daarin de volgende stellingen zijn ingenomen. [naam 1] heeft aangevoerd dat hij de eigenaar van de motorfiets (Harley Davidson) met kenteken [kenteken 1] is. [naam 2] heeft gesteld dat het horloge als hiervoor genoemd onder nummer 3 aan hem toebehoort. Verder heeft [naam 3] aangevoerd dat de horloges als genoemd onder nummers 2, 4 en 5 aan hem toebehoren.

De rechtbank stelt vast dat de horloges en de motorfiets met de sleutels en de kenteken-papieren bij de doorzoeking van de woning en aanhorigheden van verdachte op 26 november 2019 zijn aangetroffen.

In beginsel wordt de beslagene aangemerkt als eigenaar van een inbeslaggenomen goed. Dit is anders als de rechtbank vast kan stellen dat een ander dan de beslagene de redelijkerwijs rechthebbende op het inbeslaggenomen goed is. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Er is nader onderzoek gedaan naar de aankoop van de motorfiets (Harley Davidson) met kenteken [kenteken 1] en de hierop volgens verdachte en [naam 1] gevolgde leaseconstructie. Uit dit onderzoek is gebleken dat verdachte het voertuig heeft aangekocht, maar op naam van [naam 12] heeft laten invoeren. Dit terwijl de motor bij verdachte zelf in gebruik was. Vervolgens zou hij de motor met behoorlijke winst hebben verkocht aan [naam 1] . Uit de administratie van [naam 1] is echter niet gebleken dat dit specifieke voertuig door hem is aangekocht. Ook is niet gebleken van een sluitende administratie waaruit blijkt dat verdachte de motor van hem zou leasen. De door betrokkenen opgestelde stukken en de tijdstippen waarop zij zijn opgesteld komen niet overeen met de door verdachte en [naam 1] geschetste gang van zaken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een schijnconstructie, waarbij verdachte wil doen voorkomen dat niet hij maar [naam 1] de eigenaar van het voertuig is. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zelf de eigenaar van de motorfiets is.

Ten aanzien van het horloge, merk Rolex, goudkleurig met zwarte wijzerplaat (ibn nr. 01.02.004, uniek nr. [nummer] ) is aangevoerd dat verdachte het in reparatie had gekregen van [naam 2] . De rechtbank stelt vast dat het horloge tijdens de doorzoeking op 26 november 2019 is aangetroffen op het nachtkastje van verdachte. Het andere horloge dat door [naam 2] ter reparatie zou zijn aangeboden is aangetroffen op het keukenblad. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank geen plaatsen waar horloges die iemand bedrijfsmatig onder zich heeft, normaliter worden bewaard. Er is niet gebleken dat verdachte de vaardigheden dan wel de benodigdheden had voor het repareren van Rolex-horloges. Tijdens de klaagschriftprocedure heeft [naam 2] bovendien geen sluitend bewijs aangeleverd waaruit blijkt dat hij de eigenaar van het horloge was ten tijde van de doorzoeking. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat niet [naam 2] maar verdachte de eigenaar is van het horloge hierboven genoemd onder 3.

Tot slot heeft [naam 3] gesteld dat hij de eigenaar is van de horloges als hierboven genoemd onder nummers 2, 4 en 5. Deze horloges zouden aan verdachte in consignatie zijn gegeven. De rechtbank stelt echter vast dat een consignatie-overeenkomst voor de horloges ontbreekt. Gelet op de hoge waarde van de horloges acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat dergelijke horloges zonder enige vorm van bewijs of borgstelling zou worden overdragen aan een derde, in dit geval verdachte. Ook [naam 3] heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat de horloges op het moment van de inbeslagneming aan hem toebehoorden. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van deze horloges verdachte zelf de eigenaar is.

Gelet op voornoemde conclusies zal de rechtbank ook ten aanzien van deze voorwerpen beoordelen of er sprake is van witwassen. Nu het vermoeden reeds is vastgesteld is het aan verdachte om over de herkomst van de gelden en goederen een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring af te leggen. Dit betekent echter niet dat het aan verdachte is om aan te tonen dat dat deze gelden goederen niet uit misdrijf afkomstig zijn.

Verklaring verdachte herkomst
De verdediging heeft betoogd dat de goederen en contante gelden zijn verkregen door inkomsten uit de horloge- en autohandel. De rechtbank stelt vast dat de verdediging geen specifieke transacties heeft benoemd, waardoor de verklaring niet is geconcretiseerd. Deze algemene verklaring is bovendien niet te controleren door de gebrekkige administratie van verdachte persoonlijk en van zijn bedrijven. Er is geen enkel overzicht ter beschikking gesteld met gegevens waarin de handel in horloges en/of auto’s en de daarmee gemoeide inkomsten volledig in kaart zijn gebracht, dan wel waarin de herkomst van de geldbedragen is onderbouwd of op andere wijze inzichtelijk is gemaakt. In tegenstelling tot het betoog van de verdediging kan de rechtbank door deze gebrekkige administratie ook niet vaststellen dat de inkomsten uit de horlogehandel per definitie een legale herkomst hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring onvoldoende concreet en verifieerbaar is. Het vermoeden van witwassen is dan ook niet ontkracht en dit betekent dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat de gelden en goederen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de aard en de herkomst van de gelden en goederen heeft geprobeerd te verhullen met de in de bewezenverklaring genoemde handelingen.

Gewoonte

De rechtbank stelt vast dat de verweten periode meerdere jaren omvat. Gedurende deze periode zijn door verdachte herhaaldelijk goederen en gelden verkregen die geen legale herkomst hadden. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor gesproken kan worden over een gewoonte maken van het witwassen van gelden en goederen.

Medeplegen

Van de voornoemde gewoonte is de Mercedes met kenteken [kenteken 2] uitgezonderd. Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien blijkt dat [medeverdachte 2] en verdachte contact hebben gehad met de verkoper van de Mercedes [kenteken 2] , dat zij allebei een proefrit hebben gemaakt en beiden bij de aankoop van het voertuig aanwezig waren. Het aankoopbedrag van € 21.500,00 is contant voldaan. Na de aankoop van het voertuig is het voertuig op naam gezet van [medeverdachte 2] . Verdachte maakte gebruik van het voertuig en betaalde de verzekeringskosten in contanten aan [medeverdachte 2] . Uit deze omstandigheden blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] nauw en bewust hebben samengewerkt bij de aanschaf van en de verdere administratie rond het voertuig. [medeverdachte 2] had als boekhouder van verdachte inzicht in zijn financiële situatie en die van zijn bedrijf. Verdachte heeft zelf over deze boekhouding verklaard dat die niet klopte. Zo werd een deel van de inkomsten van verdachte buiten de boeken gehouden. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij de nodige twijfels had over de inkomsten van [verdachte] . Zo wist hij niet of de inkomsten uit de horlogehandel eerlijk waren. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.


Conclusie

Gelet op voornoemde acht de rechtbank het medeplegen van witwassen van de Mercedes met kenteken [kenteken 2] en/of het aankoopbedrag van € 21.500,00 wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot de overige in de tenlastelegging genoemde goederen en gelden, acht zij het gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.

4.3.2.7 Feit 3
De rechtbank stelt vast dat uit de bijgevoegde bewijsmiddelen blijkt dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 26 november 2019 ongeveer 3,03 kilo hasjiesj is aangetroffen. Verdachte heeft bevestigd dat er sprake is van hasjiesj en dat het van hem is.

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de inbeslaggenomen hasjiesj THC bevatte en dat de Opiumwet niet bepaalt dat er sprake moet zijn van een minimale hoeveelheid THC, alvorens er gesproken kan worden van hasjiesj. Zij verwerpt daarom voornoemd bewijsverweer. De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 14 maart 2018 tot en met 24 oktober 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan organisaties, welke organisaties bestonden uit samenwerkingsverbanden van hem, verdachte en na te noemen personen, te weten

• in of omstreeks de periode van 14 maart 2018 tot en met 24 oktober 2018 te Bergen op Zoom en/of Almere en/of elders in Nederland en/of in Frankrijk met [naam 4] en [medeverdachte 2] en

• in de periode van 25 maart 2019 tot en met 19 juli 2019 te Rilland, gemeente Reimerswaal en/of te Bergen op Zoom en/of Renesse en/of Brouwershaven en/of Burgh-Haamstede en/of Oosterland en/of Serooskerke Schouwen althans in de gemeente Schouwen-Duiveland en/of elders in Nederland met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] en een of meer (andere) personen

welke organisaties tot oogmerk hadden het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk

- het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen zoals bedoeld

in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet;

Zulks terwijl hij, verdachte, leider van voormelde organisaties was;

2.

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2019 te Bergen op Zoom en/of Sas van Gent en/of Almere, tezamen en in vereniging met een ander, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen

immers hebben hij, verdachte en zijn mededader (van)

- een personenauto Mercedes kenteken [kenteken 2] en/of een bedrag van 21.500 euro (ten behoeve van de aankoop van die auto)

de werkelijke aard en de herkomst verhuld

en/of

voorhanden gehad en/of omgezet en/of van dat voorwerp en/of geldbedrag gebruik gemaakt,

terwijl hij en zijn mededader wisten, dat dat voorwerp en/of geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

en

in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2019 te Bergen op Zoom en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt

immers heeft hij, verdachte meermalen (van) voorwerpen en/of geldbedragen, te weten van onder meer

- een personenauto BMW 335i en/of een bedrag van € 18.000,= en/of

- een motorfiets (Harley Davidson) kenteken [kenteken 1] en/of

- een horloge, merk Rolex, type Submariner, voorzien van groene wijzerplaat (ibn nr.

02.01.003, uniek nr. [nummer] ) en/of

- een horloge, merk Rolex, goudkleurig met zwarte wijzerplaat (ibn nr. 01.02.004, uniek nr. [nummer] ) en/of

- een horloge, merk Rolex, zilverkleurig met blauwe wijzerplaat (ibn nr. 01.02.005, uniek nr. [nummer] ) en/of

- een horloge, merk Rolex, zilverkleurig met zwarte wijzerplaat (ibn nr. 02.01.004, uniek nr. [nummer] ) en/of

- een horloge, merk Rolex met zwart wijzerplaat (ibn nr. 05.07.001, uniek nr. [nummer] ) en/of

- een personenauto (Mercedes Benz SL350, kenteken [kenteken 3] ) en/of een geldbedrag van

€ 19.000,= en/of

- een personenauto (Mini Cooper), kenteken [kenteken 4] en/of

- een zitbank (Chesterfield) en/of een salontafel ter waarde van in totaal € 13.650,=, althans enig geldbedrag en/of

- een aantal contante stortingen ter waarde van € 6.925,= aan [naam 13] en/of

- contante betalingen ten behoeve van meerdere CJIB boetes tot een bedrag van € 1.976,= en/of 3210,81 althans enig geldbedrag en/of

- 8.080 euro contant geld

de werkelijke aard en de herkomst verhuld

en/of

voorhanden gehad en/of omgezet en/of van die voorwerpen en/of geldbedragen gebruik gemaakt,

terwijl hij wist, dat die voorwerpen en/of geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

3.

op 26 november 2019 te Bergen op Zoom, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,03 kilogram, hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie vorderen aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder verzoeken de officieren van justitie de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging, maar de raadsman heeft wel verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij zich binnen een crimineel samenwerkingsverband schuldig gemaakt aan het uitvoeren van drugs naar Frankrijk, waarbij hij als opdrachtgever van de drugstransporten de leider van deze organisatie was. Door de uitvoer van drugs naar het buitenland wordt de handel in verdovende middelen in en met het buitenland in standgehouden en de uitvoerders van die verdovende middelen kunnen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarnaast blijft door het faciliteren van de handel ook de productie van de verdovende middelen in stand, hetgeen veelal gepaard gaat met de nodige veiligheidsrisico’s.

Ook heeft verdachte binnen een crimineel samenwerkingsverband voorbereidings-handelingen verricht om MDMA te gaan produceren. Gelet op zijn rol is verdachte ook ten aanzien van dit samenwerkingsverband als leider aangemerkt.

Het gebruik van MDMA brengt gezondheidsrisico’s met zich. Naast het gevaar voor de volksgezondheid en voornoemde risico’s binnen het productieproces schuilt in de productie van MDMA ook het gevaar van schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen. Bovendien is het produceren van drugs zoals MDMA gevaarlijk en zijn er helaas ook al meerdere gevallen bekend van laboranten die als gevolg van het inademen van bij de productie vrijkomende gassen ter plaatse zijn overleden. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Dat de productie en daarmee de mogelijke gevolgen niet zijn gerealiseerd, is uitsluitend te wijten aan het feit dat de productielocatie tijdig werd ontdekt. Dit neemt niet weg dat de intentie van verdachte anders was.

Verder heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen en het medeplegen van witwassen. Het witwassen van gelden en goederen vormt een ernstige bedreiging voor de legale economie en met dat witgewassen geld wordt bovendien vaak ander strafbaar handelen gefaciliteerd. Daarnaast wordt door witwassen vaak onderliggende strafbare feiten dan wel illegale handel afgedekt en wordt de mogelijkheid gecreëerd van een geldelijke beloning voor strafbare gedragingen. Dit heeft verdachte gedurende maar liefst zes jaren gedaan, waardoor hij voor zichzelf een enorm financieel voordeel heeft gecreëerd. De rechtbank rekent dat verdachte aan.

Tot slot heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 3 kilo hasjiesj.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voor het onder feit 1 en 3 bewezenverklaarde rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij kijkt zij in het bijzonder naar de oriëntatiepunten voor de uitvoer van harddrugs. Daarnaast neemt de rechtbank voor het onder feit 2 bewezenverklaarde de oriëntatiepunten van het LOVS voor fraude als uitgangspunt, omdat die oriëntatiepunten ook van toepassing zijn op witwassen.

De rechtbank weegt bij de bepaling van de strafmaat verder mee dat zij aanzienlijk minder feiten bewezen acht dan de officieren van justitie. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat er een langere periode is bewezen waarin verdachte heeft deelgenomen aan het criminele samenwerkingsverband gericht op internationale drugstransporten en het feit dat in het lab in Rilland alles al klaar stond om te gaan produceren, hetgeen ook de intentie was. Daarnaast heeft de rechtbank de rol van verdachte als leider en opdrachtgever bij zowel de internationale drugstransporten als het lab in Rilland in het geheel meegewogen hetgeen een in de wet verankerde strafverzwarende omstandigheid betreft. In die rol vormde verdachte een prominente schakel in de criminele organisaties. Zonder zijn opdrachten tot transporten dan wel zonder zijn investeringen zouden geen activiteiten tot stand zijn gekomen. Voorts slaat de rechtbank in strafverzwarende zin acht op de periode waarin verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

De rechtbank houdt ook rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij meerdere keren is veroordeeld voor verschillende soorten strafbare feiten. Verdachte is eerder veroordeeld voor een Opiumwetfeit, maar deze veroordeling heeft meer dan vijf jaar voor onderhavige feiten plaatsgevonden, zodat er formeel geen sprake is van recidive. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht vanwege meerdere veroordelingen aan de orde is. Verdachte heeft voor onderhavige feiten reeds 281 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht.

Alles afwegend zal de rechtbank een straf opleggen die aanzienlijk lager is dan door de officieren van justitie is gevorderd, nu de rechtbank verdachte van een drietal ernstige strafbare feiten vrijspreekt en daarmee tot een andere bewezenverklaring komt. Daarnaast geldt dat de door de rechtbank gehanteerde oriëntatiepunten verschillen van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Zij acht deze straf passend en geboden. De rechtbank ziet, met name gezien de ernst van de feiten, geen mogelijkheid de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest. Evenmin acht zij redenen aanwezig om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst tot aan de datum van de uitspraak. Gelet hierop heeft zij geen mogelijkheid om de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen. De rechtbank is van oordeel dat er gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf geen reden bestaat om de voorlopige hechtenis op te heffen.

7 Het beslag

Met betrekking tot de eigendom van de inbeslaggenomen goederen verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 4.3.2.6 is overwogen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook van horloge G_571759 (omschrijving: goud, merk: Rolex) op grond van dezelfde argumenten als aangevoerd ten aanzien van het horloge, merk Rolex, goudkleurig met zwarte wijzerplaat (ibn nr. 01.02.004, uniek nr. [nummer] ) kan worden vastgesteld dat het aan verdachte toebehoort. Bij de beoordeling van het beslag gaat de rechtbank er dan ook van uit dat verdachte de eigenaar is van alle op de beslaglijst genoemde goederen en gelden.

7.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.


De aansteker in de vorm van een pistool en de borduursels van [naam 14] zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

7.3

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank stelt vast dat op de hierna te noemen goederen naast een klassiek beslag op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering een conservatoir beslag op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering rust. Dit conservatoire beslag kan gebruikt worden voor de betaling van het bedrag dat in het afzonderlijke ontnemingsvonnis is toegewezen. Indien de rechtbank zoals gevorderd de verbeurdverklaring van de genoemde goederen zou bevelen, dan zou de waarde van goederen mogelijk niet in mindering komen op het te ontnemen bedrag. De verbeurdverklaring zou daarmee een extra straf vormen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Om die reden gelast zij de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de hierna in de beslissing genoemde goederen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke geldboete ter hoogte van
€ 500,00 die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 16 juli 2019 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 47, 57, 63, 420 bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

een misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a

eerste lid van de Opiumwet

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een

misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste

lid van de Opiumwet;

Feit 2: het medeplegen van witwassen
en
van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

Teruggave aan verdachte

- gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
10 35,4 EUR, G571761 datum IBN 26-11-19;
11 1 STK Administratie _571751; brief van [naam 4] ;

12 1 STK Computer; _571730; GPS tracker +simkaart Tmobile;

13 1 STK USB-stick (memorykaart); _574388; 16gb;

Onttrekking aan het verkeer

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

9 1 STK Aansteker (G_571732);

14 1 STK Naamplaat _517741; borduursels van [naam 14] ;

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1. EUR, _571721, ibn 26-11-2019;
2 5500 EUR, _571720, ibn 26-11-2019;

3 1800 EUR, _571764, ibn 26-11-2019;

4 100 EUR, _571765, ibn 26-11-2019;

5 100 EUR, _571756, ibn 26-11-2019;

6 200 EUR, _571704, ibn 26-11-2019;

7 1 STK Horloge, G_571759 (Omschrijving: goud, merk: Rolex);

8 1 STK Horloge, G_571712 (Omschrijving: goud /groen, merk: Rolex);

15 1 STK Motorfiets (Omschrijving: G_571768, Harley Davidson, Met sleutels);

16 1 STK Horloge (Omschrijving: G_571725, Groen, merk: Rolex);

17 1 STK Horloge (Omschrijving: G_571726, Zwart, merk: Rolex);

18 1 STK Horloge (Omschrijving: G_571757, Zilver en zwart, merk: Rolex);

19 1 STK Horloge (Omschrijving: G_571713, Rolex);

20 1 STK Horloge (Omschrijving: G_571758, Goud, merk: Rolex);


Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 16 juli 2019 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 13-049537-19 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een geldboete ter hoogte van € 500,00 te vervangen door 10 dagen vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Fleskens en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen en mr. Van Beek, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2021.