Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1967

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
02-800268-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800268-16

vonnis van de meervoudige kamer van 23 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. E. Manders, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Verhoeven-Ivankovic, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte bedragen van
€ 99.700,00 en € 48.650,00 heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende vast is komen te staan dat verdachte in Egypte inkomsten heeft gehad uit de verkoop van onroerend goed. Er is echter onvoldoende gebleken dat het in Nederland aangetroffen contante geldbedrag daadwerkelijk bestaat uit de in Egypte verkregen inkomsten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de door verdachte gegeven concrete en verifieerbare verklaring met betrekking tot de legale herkomst van de aangetroffen geldbedragen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van anonieme meldingen is tegen verdachte een verdenking van het plegen van een terroristisch misdrijf ontstaan. Hierop hebben doorzoekingen plaatsgevonden. Op 25 april 2016 werd op het adres [adres 2] een bedrag van € 49.700,00 en een bedrag van € 50.000,00 aangetroffen. Op 28 april 2016 werd op het adres [adres 3] een bedrag ter grootte van € 48.650,00 aangetroffen. Uit het onderzoek is gebleken dat de genoemde geldbedragen toebehoren aan verdachte. Omdat het in Nederland ongebruikelijk is om dergelijke grote geldbedragen contant voorhanden te hebben, is er een vermoeden van witwassen ontstaan.

Verdachte heeft verklaard dat de geldbedragen afkomstig zijn van verkopen van onroerend goed in Egypte. De opbrengsten van deze verkopen heeft verdachte in Egypte omgewisseld naar contante geldbedragen in euro’s. Vervolgens hebben verdachte en vrienden en familieleden van verdachte de euro’s naar Nederland vervoerd om waardevermindering van het geldbedrag in Egypte te voorkomen. In Nederland heeft verdachte de geldbedragen contant bewaard. Deze verklaring is concreet en goeddeels verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Om die reden is er dan ook conform de geldende jurisprudentie onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van deze verklaring.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat uit de door de verdediging overgelegde stukken en het gevoerde onderzoek door of namens het openbaar ministerie voldoende is gebleken dat verdachte legale inkomsten heeft gehad uit de verkoop van onroerend goed in Egypte. Hierdoor is het vermoeden van witwassen niet meer evident.

De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot de geldstroom van Egypte naar Nederland door verdachte een onvoldoende verifieerbare verklaring is gegeven om die geldstroom te kunnen controleren. De rechtbank stelt vast dat verdachte duidelijk en consequent heeft verklaard hoe en waarom hij het geld contant naar Nederland heeft gebracht en tekent daarbij aan dat de mogelijkheden van verificatie van contante geldstromen uiteraard beperkter zijn. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verzocht zijn compagnon en een bankmedewerker als getuigen te horen. Zij zouden meer kunnen verklaren over de geldstroom. De officier van justitie heeft zich echter tegen het horen van de getuigen verzet en hierop is het verzoek door de rechter-commissaris afgewezen. Er is vervolgens door het openbaar ministerie getracht de verklaring te verifiëren met een rechtshulpverzoek aan Egypte. Dit verzoek heeft enkele jaren opengestaan en er is meerdere keren door de officier van justitie gerappelleerd. Desondanks heeft het verzoek geen resultaat opgeleverd, mogelijk vanwege de instabiele situatie in Egypte. De rechtbank is van oordeel dat het niet slagen van het nader onderzoek daarmee buiten de machtssfeer van verdachte ligt en niet tot zijn nadeel kan strekken. Ook voor verdachte zelf is het door het tijdsverloop van inmiddels bijna vijf jaren, onmogelijk geworden om de door de officier van justitie gewenste stukken te achterhalen in Egypte. Hoewel de verklaring van verdachte over de geldstroom niet volledig kon worden bevestigd, is door de officier van justitie ook niet aangetoond dat deze verklaring van verdachte niet correct is.

Verder stelt de rechtbank vast dat naar aanleiding van de aanvankelijke verdenking uitgebreid onderzoek naar verdachte is verricht in Nederland. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat verdachte zich schuldig zou maken aan specifieke strafbare feiten en hieruit inkomsten zou hebben.

Onder voornoemde omstandigheden kan de rechtbank niet tot de conclusie komen dat het niet anders kan dan dat de aangetroffen gelden een criminele herkomst hebben. Uit het onderzoek is juist een aanzienlijke bron van legale inkomsten gebleken waaruit de aangetroffen geldbedragen afkomstig kunnen zijn. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan en zal hem dan ook van het feit vrijspreken.

5 De overwegingen omtrent het beslag

5.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen geldbedragen aan verdachte, aangezien de geldbedragen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van:

* het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 35.700,00 met goednummer G1534428; en

* het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 48.650,00 met goednummer G1535849.

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Van Eck, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 april 2021.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

7 Bijlage I

De tenlastelegging

Hij,

in of omstreeks de periode van 25 april 2016 tot en met 28 april 2016, te Roosendaal, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen,

immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), van enig(e) contante geldbedrag(en). te weten:

- op of omstreeks 25 april 2016 van een contant geldbedrag van (ongeveer) 99.700.- euro (welk geldbedrag lag in de woning aan de [adres 2] )

en/of

- op of omstreeks 28 april 2016 van een contant geldbedrag van (ongeveer) 48.650,- euro (welk bedrag lag in de woning aan de [adres 3] ),

althans van enig(e) contante geldbedrag(en)

de herkomst en/of de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze contante geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
(art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)