Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1928

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
AWB- 19_4698
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4698 WIA

uitspraak van 20 april 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Bakker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

Op 3 november 2020 heeft de rechtbank in het geschil tussen eiseres en het UWV over de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een tussenuitspraak gedaan. Daarbij is het UWV in de gelegenheid gesteld om het in die uitspraak nader omschreven gebrek in het bestreden besluit van 31 juli 2019 te herstellen.

Het UWV heeft bij brief van 19 november 2020 laten weten dat van deze mogelijkheid gebruik zou worden gemaakt. Vervolgens heeft het UWV bij brief van 4 februari 2021 een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 19 januari 2021 en een aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 28 januari 2021 ingebracht.

Eiseres heeft bij brief van 16 maart 2021 te kennen gegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid om te reageren op de aanvullende rapporten van het UWV.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak gesloten, hiervan mededeling gedaan aan partijen en de uitspraakdatum bepaald op heden.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst allereerst naar de tussenuitspraak van 3 november 2020. Deze (eind-)uitspraak bouwt voort op die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

2. In de tussenuitspraak is de rechtbank - kort samengevat - tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit lijdt aan een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek, omdat het UWV niet - op basis van recente medische gegevens - heeft onderzocht of op de beëindigingsdatum van de WIA-uitkering van eiseres van 23 oktober 2020 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 56, tweede lid, van de WIA.

3. In het aanvullende medische rapport van 19 januari 2021 gaat de verzekeringsarts b&b in op de vraag of op 23 oktober 2020 bij eiseres sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres gezien op een spreekuur van 14 januari 2021. Zij heeft eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft zij door eiseres ingebrachte medische informatie bestudeerd, te weten: een huisartsenjournaal, een brief van de huisarts van 26 juli 2019 en een brief van de reumatoloog van 10 februari 2020. De verzekeringsarts b&b rapporteert dat er geen grote verschillen zijn als de huidige klachten worden vergeleken met de in het dossier omschreven klachten. Wat wel afwijkt is dat eiseres nu heeft aangegeven dat zij niet meer kan douchen. Volgens de verzekeringsarts b&b kunnen in verband hiermee geen beperkingen worden aangenomen, omdat de bevindingen bij eigen lichamelijk onderzoek en het onderzoek door de reumatoloog niet verschillen van de bevindingen bij eerdere onderzoeken. Toegenomen beperkingen gerelateerd aan fibromyalgie kunnen evenmin worden geobjectiveerd. Er is geen sprake van ADL-afhankelijkheid, en eiseres kan zichzelf nog wel wassen en zij kan bijvoorbeeld ook zelf een boterham en een kop thee nemen. Een tweede verschil betreft het carpaal tunnel syndroom. Eiseres heeft bij de eerdere WIA-beoordeling geen melding gemaakt van klachten als gevolg van dit syndroom, maar nu wel. Hoe de situatie op 23 oktober 2020 was is volgens de verzekeringsarts b&b niet meer exact vast te stellen, maar gezien de klachten en informatie van de huisarts neemt zij wel een aanvullende beperking aan voor het kracht zetten met de handen. De verschillende grepen en gewrichtsbewegingen zijn niet beperkt. Op het psychische vlak worden geen aanvullende beperkingen aangenomen. Dat de fysieke klachten mentaal van invloed zijn is eerder normaal te noemen, en niet is gebleken van een psychiatrische ziekte. De klachten worden door huisarts beschreven als een down of depressief gevoel. Het laatste gesprek met de praktijkondersteuner GGZ vond plaats in januari 2020. Eiseres had destijds geen behoefte aan verdere therapie of ondersteuning op het psychische vlak. Uit het journaal van de huisarts blijkt niet van een consult op 24 maart 2020 wegens psychische klachten en bij eigen onderzoek blijkt evenmin van psychopathologie. De verzekeringsarts b&b heeft de gewijzigde belastbaarheid van eiseres per 23 oktober 2020 opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 januari 2021.

4. In het aanvullende rapport van 28 januari 2021 heeft de arbeidskundige b&b eiseres op basis van de FML van 19 januari 2021 per 23 oktober 2020 geschikt geacht voor de functies van receptionist (Sbc-code 315120), secretarieel medewerker (Sbc-code 315030), en administratief ondersteunend medewerker (Sbc-code 315100). De arbeidsdeskundige b&b heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze functies vastgesteld op 30,60%, waarmee eiseres per 23 oktober 2020 – net als bij de beoordeling per 8 februari 2019 – valt in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 35%. Uitgaande van de aanvullende rapporten van het UWV was per 23 oktober 2020 daarom geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 56, tweede lid, van de WIA.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV het in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek toereikend hersteld met de aanvullende rapporten van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b. Genoemde rapporten zijn inzichtelijk gemotiveerd en concludent. De daarin opgenomen overwegingen zijn op objectieve wijze en zorgvuldig opgesteld. Niet is gebleken dat zij onjuistheden bevatten wat betreft de medische situatie van eiseres, of dat niet alle beschikbare informatie bij de beoordeling is betrokken. Eiseres heeft niet inhoudelijk gereageerd op de aanvullende rapporten van het UWV, en zij heeft ook geen nieuwe medische stukken ingediend die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de in genoemde rapporten opgenomen conclusies. Ook overigens ziet de rechtbank daar aanleiding voor. Dit betekent dat het UWV op basis van zijn aanvullende rapporten het standpunt mocht innemen dat op 23 oktober 2020 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid als hiervoor bedoeld.

6. Omdat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Omdat het UWV het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek toereikend heeft hersteld kan de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand laten.

7. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt dat UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 20 april 2021, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.