Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1874

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
27-04-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7012
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7012 WABOA

uitspraak van 16 april 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam1] , eiser,

gemachtigde: mr. T.J.H.M. Linssen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[derde partij] , te [plaatsnaam2] .

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 mei 2020 (bestreden besluit) van verweerder inzake een verleende omgevingsvergunning aan [derde partij] voor het oprichten van een bedrijfspand aan de [straat] te [plaatsnaam1] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M. van der Meer. [derde partij] heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H.A.C.M. Janssen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 17 april 2018 heeft [derde partij] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een bedrijfspand en een uitweg op het perceel aan de [straat] te [plaatsnaam1] , destijds kadastraal bekend als [perceelnummer] , inmiddels plaatselijk bekend als [perceel] .

Bij besluit van 23 juli 2018 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’, ‘gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ en ‘maken, hebben of veranderen van een uitweg’.

Eiser woont op het adres [straat] [huisnummer] te [plaatsnaam1] , tegenover het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Een hangende bezwaar ingediend verzoek om voorlopige voorziening (zaaknummer BRE 18/6487 WABOA VV) is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 24 oktober 2018 afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2019 heeft het college de bezwaren van eiser gegrond verklaard ten aanzien van het niet voldoen aan de parkeernormen, omdat het primaire besluit op dat punt niet of onvoldoende was gemotiveerd. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft bij het besluit van 8 januari 2019 een gewijzigde omgevingsvergunning van 8 januari 2019 gevoegd.

Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank (zaaknummer BRE 19/1102 WABOA). De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 7 oktober 2019 gegrond verklaard, waarbij het besluit van 8 januari 2019 is vernietigd en waarbij het college is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep aangetekend.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, waarbij het gewijzigde primaire besluit onder verbeterde motivering in stand is gelaten.

Beroepsgronden

2. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit opnieuw onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De beoordeling van het geluidsaspect en de parkeer- en verkeerssituatie is in het bestreden besluit volgens eiser onvoldoende en gebaseerd op onjuiste uitgangspunten.

Omvang geding

3. De rechtbank stelt vast dat het beroep uitsluitend is gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij omgevingsvergunning is verleend voor het gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Deze procedure is, zoals hiervoor al aangegeven, een vervolg op een eerder gevoerde beroepsprocedure onder zaaknummer BRE 19/1102 WABOA. Het is van belang om eerst vast te stellen op welke punten de rechtbank het destijds bestreden besluit van 8 januari 2019 heeft vernietigd. Voor eerder ingebrachte beroepsgronden die door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, geldt immers, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS)1 dat de rechtbank van de juistheid van dat oordeel heeft uit te gaan. De rechtszekerheid brengt met zich dat het bestuursorgaan en belanghebbenden mogen uitgaan van de rechtmatigheid van het besluit, voor zover hiertegen beroepsgronden zijn gericht en de rechtbank deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser in de vorige beroepsprocedure gronden heeft aangevoerd met betrekking tot twee onderwerpen:

 overschrijding van het maximale bebouwingspercentage;

 parkeren (hoeveelheid parkeerplaatsen en breedte parkeerplaatsen).

Over het bebouwingspercentage heeft de rechtbank in haar uitspraak van 7 oktober 2019 (rechtsoverweging 4.1) geoordeeld dat het maximale bebouwingspercentage niet wordt overschreden en dat er op dit punt geen strijd is met het bestemmingsplan.

Voor het parkeren geldt dat de rechtbank in haar vorige uitspraak de breedte van de parkeervakken voldoende gemotiveerd heeft geacht.

Eiser heeft geen hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van 7 oktober 2019, en dat betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van het rechterlijk oordeel op deze punten.

Het besluit van 8 januari 2019 is alleen vernietigd voor wat betreft het aantal parkeerplaatsen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zonder goede onderbouwing is afgeweken van de door het CROW geadviseerde berekeningswijze van de parkeerbehoefte en dat het besluit in zoverre een deugdelijke motivering ontbeert.

In de onderhavige beroepsprocedure kan dus alleen het aantal parkeerplaatsen nog onderwerp van geschil zijn. Alle andere beroepsgronden, bijvoorbeeld de gronden met betrekking tot de hoogte van het gebouw, geluids- en stankoverlast vanwege laden en lossen, vallen dus buiten de omvang van dit geding.

Parkeren

5. Het perceel [perceel] te [plaatsnaam1] is gelegen in het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein [naam bedrijventerrein] ’. Op het perceel rust de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’.

De regels voor ‘parkeren’ zijn neergelegd in artikel 16 (Algemene gebruiksregels).

Ingevolge artikel 16.2.1 van de planregels moet bij een gebouw ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort, met dien verstande dat:

  1. de juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp van de parkeernormen zoals die zijn opgenomen in de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van oktober 2012;

  2. de onder a bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan;

  3. indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor laden en lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

Ingevolge artikel 16.2.2 van de planregels kan het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.2.1 indien op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

6. Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van 7 oktober 2019 het benodigd aantal parkeerplaatsen opnieuw berekend aan de hand van de parkeerkencijfers uit de CROW-publicatie 317. In het bestreden besluit is uitgegaan van een parkeerbehoefte van 34 parkeerplaatsen. Het college heeft overwogen dat de gemeente Goirle valt in de categorie ‘matig stedelijk gebied’ en dat het bedrijf van [derde partij] – internethandelsbedrijf met hoofdzakelijk een opslag- en distributiefunctie – qua bedrijvigheid kan worden getypeerd als een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een transportbedrijf. Daarop is volgens het college een parkeerkencijfer van toepassing van minimaal 0,8 parkeerplaats per 100 m² bruto vloeroppervlak en maximaal 1,3 parkeerplaats per 100 m² bruto vloeroppervlak. Het college heeft vervolgens toegelicht dat het in dit geval is uitgegaan van het minimale kencijfer van 0,8 parkeerplaats per 100 m² en dat het daarbij heeft meegewogen dat [derde partij] blijkens het document ‘Beleid personeel, parkeren en toelichting van het gebruik van de diverse ruimten’ haar personeel stimuleert om gebruik te maken van het openbaar vervoer en de fiets.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het college de parkeerbehoefte onjuist heeft berekend. Volgens eiser bedraagt de parkeerbehoefte minimaal 40 parkeerplaatsen. Eiser heeft zich daarbij gebaseerd op het memo van [architect] van 6 november 2018. Eiser stelt dat op basis daarvan moet worden uitgegaan van een minimaal aantal parkeerplaatsen:

 van 22 ten behoeve van de magazijnfunctie;

 van 3 ten behoeve van kantoor met baliefunctie, en

 van 15 ten behoeve van kantoor zonder baliefunctie.

De rechtbank is van oordeel dat het college de parkeerbehoefte voor het bedrijf van [derde partij] correct heeft berekend door het bedrijf in zijn geheel te typeren als ‘arbeidsextensief en bezoekersextensief’ en het daarbij behorende parkeerkencijfer toe te passen op het brutovloeroppervlak van het gehele bedrijf. Het college heeft daarbij voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de bedrijfsvoering van [derde partij] te vergelijken is met een transportbedrijf (relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers, relatief groot oppervlak voor opslag en logistieke afhandeling van internetbestellingen). Dat het bedrijf ook incidenteel wordt bezocht door klanten van de webshop, door vertegenwoordigers en zakenrelaties, maakt niet dat dan niet van de bedrijfstypering ‘arbeidsextensief en bezoekersextensief’ mag worden uitgegaan. [derde partij] heeft ter zitting toegelicht dat het aantal bezoekers zeer beperkt is en dat afhalen slechts sporadisch voorkomt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bezoekersaantal zodanig is, dat niet langer van de categorie ‘arbeidsextensief en bezoekersextensief’ kan worden uitgegaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het bedrijf van [derde partij] al enige tijd geopend is en dat eiser op zitting weliswaar heeft toegelicht dat het parkeerterrein van [derde partij] vaak vol staat, maar niet dat er sprake is van een parkeerprobleem of -overlast.

7. Niet in geschil is dat er op het eigen terrein van [derde partij] 28 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd. Daarmee wordt niet aan de parkeerbehoefte voldaan.

Om wel aan die parkeerbehoefte te kunnen voldoen, heeft [derde partij] een overeenkomst gesloten waarbij op een naburig perceel aan de [straat] [huisnummer2] zes parkeerplaatsen worden gehuurd, met in beginsel een looptijd van 10 jaar. Deze overeenkomst is gesloten met zowel de gebruiker als de eigenaar van het perceel. Het college heeft daarin aanleiding gezien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 16.2.2 van de planregels om af te wijken van de eis dat op eigen terrein in de benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien. Het college heeft daartoe in het bestreden besluit overwogen dat met die overeenkomst voldoende is verzekerd dat er in de (nabije) toekomst voldoende parkeerplaatsen zijn.

Dat wordt door eiser bestreden. Eiser stelt dat de gesloten overeenkomst geen enkele zekerheid geeft dat de zes parkeervakken duurzaam en onafgebroken voor een duur van tien jaar door [derde partij] kunnen worden gehuurd, omdat de overeenkomst afhankelijk is van de toekomst van de op dat adres gevestigde bistrobar (de gebruiker). Ter zitting heeft in dat verband ter zitting nog opgemerkt dat de openingstijden van het bedrijf van [derde partij] en de bistrobar elkaar overlappen, en dat het gebruik van de zes parkeervakken ten behoeve van [derde partij] dus ook niet gegarandeerd is.

Voorop dient te worden gesteld dat de bevoegdheid van het college als bedoeld in artikel 16.2.2 van de planregels om af te wijken van artikel 16.2.1 een discretionaire bevoegdheid is, die de rechtbank slechts terughoudend kan toetsen.

De rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten om gebruik te maken van zijn afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 16.2.2 van de planregels. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank een zorgvuldige belangenafweging verricht en heeft zijn besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd. Het college heeft in zijn belangenafweging geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de vrees van eiser, dat wellicht niet duurzaam en onafgebroken voor de duur van tien jaar gebruik kan worden gemaakt van de zes gehuurde parkeervakken. Het college heeft in dat verband in redelijkheid opgemerkt dat het huren van parkeerplaatsen een gangbare en in de jurisprudentie geaccepteerde manier is om op andere manier in de nodige parkeerruimte te voorzien. Ook het rekening houden met enig dubbelgebruik, acht de rechtbank niet onredelijk. Daarbij heeft het college in het verweerschrift erop gewezen dat de eis van zes extra parkeerplaatsen ook bij een eventuele beëindiging van de huurovereenkomst onverminderd blijft gelden en dat [derde partij] dan een andere oplossing moet zoeken om op andere wijze in de benodigde parkeerruimte te voorzien.

Slotoverwegingen

8. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid aan [derde partij] heeft kunnen verlenen.

Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 16 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid (voor zover relevant):

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  1. het bouwen van een bouwwerk,

  2. […],

  3. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

  4. […].

Artikel 2.10 (voor zover relevant):

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. […];

b.

c. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;

d. […].

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a (voor zover relevant):

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

  1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

  2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

1 bijvoorbeeld uitspraak 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2819