Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1846

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6038
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

HOREC

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6038 HOREC

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

de burgemeester van de gemeente Waalwijk (de burgemeester), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 21 mei 2019 (primair besluit) heeft de burgemeester aan eiseres op grond van de Drank- en horecawet (DHW) een boete opgelegd.

In het besluit van 21 november 2019 (bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De burgemeester heeft de relevante stukken aan de rechtbank gezonden en daarbij meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van een deel van die stukken, meer specifiek twee legitimatiebewijzen. De rechtbank heeft op 18 juni 2020 besloten dat beperkte kennisneming van die stukken gerechtvaardigd is. Eiseres heeft ermee ingestemd dat de rechtbank deze stukken bij haar beoordeling betrekt.

De burgemeester heeft daarnaast een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 7 januari 2021, tegelijkertijd met het beroep van eiseres met zaaknummer 20/16. Hierbij waren aanwezig gemachtigde van eiseres, [secretaris] (secretaris) en [vertegenwoordiger] en namens de burgemeester mr. R.G.L. van de Ven en [vertegenwoordiger vwr] . Bij aanvang van de behandeling is aan eiseres de cautie gegeven. Ter zitting zijn de volgende meegebrachte getuigen gehoord: [getuige1] (barmedewerker) en [getuige2] . Het onderzoek is op de zitting geschorst om op een nadere zitting nog drie getuigen te horen.

Op 10 maart 2021 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eiseres, [voorzitter] (voorzitter), [secretaris] en namens de burgemeester [vertegenwoordiger vwr] en [vertegenwoordiger vwr2] . Op de zitting zijn, na daartoe door de rechtbank te zijn opgeroepen, de volgende getuigen gehoord:

[toezichthouder] (toezichthouder), [stagiair1] en [stagiair2] (beiden stagiair). Het onderzoek is op de zitting gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Op 16 februari 2019 is de kantine van de voetbalvereniging van eiseres, gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam] , door een toezichthouder en twee stagiairs van de gemeente Waalwijk bezocht voor een controle in het kader van de DHW.

Op 22 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (het college) aan eiseres meegedeeld voornemens te zijn aan haar, wegens overtreding van artikel 20, eerste lid, van de DHW, een boete van € 1.360,- op te leggen.

Eiseres heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.

Met het primaire besluit heeft het college aan eiseres een boete van € 1.360,- opgelegd. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op het proces-verbaal van 6 maart 2019 van buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) [boa] . Daaruit blijkt dat door toezichthouder [toezichthouder] is geconstateerd dat er op 16 februari 2019 in de kantine van eiseres alcohol is verstrekt aan twee personen jonger dan 18 jaar.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit, mede onder verwijzing naar het advies van de commissie Bezwaarschriften, ongegrond verklaard. Het primaire besluit is opgesteld in de ik-vorm, maar per abuis ondertekend namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk. De burgemeester herstelt deze verschrijving met het bestreden besluit.

De boeteoplegging is gebaseerd op het proces-verbaal van 6 maart 2019. De burgemeester stelt dat de constateringen in het proces-verbaal, dat één van de twee minderjarige stagiairs twee glazen alcoholhoudende drank heeft besteld bij de barmedewerker, dat de stagiair na te zijn gevraagd naar zijn leeftijd niet heeft geantwoord maar een legitimatiebewijs heeft laten zien en dat vervolgens de alcohol is verstrekt, niet worden betwist door eiseres. Daarbij is door de barmedewerker niet vastgesteld of het tweede glas alcohol al dan niet bestemd was voor een persoon die al 18 jaar was. Daarmee staat overtreding van het verbod van artikel 20 van de DHW vast. Dat de barmedewerker zich bij het berekenen van de leeftijd, uitgaande van de geboortedatum van het legitimatiebewijs, heeft vergist, is een omstandigheid die voor eiseres dient te blijven. De burgemeester stelt verder dat het inzetten van lokjongeren niet zonder meer ontoelaatbare uitlokking is. Daarvan zou slechts sprake zijn als de stagiair/lokjongere de barmedewerker zou hebben aangezet tot andere handelingen dan hij als barman al van plan was te verrichten. Daarvan is volgens de burgemeester niet gebleken. De burgemeester vindt het acceptabel dat door middel van de toegepaste werkwijze wordt onderzocht of het personeel van eiseres volgens de wet handelt. De burgemeester meent dan ook op goede gronden een boete aan eiseres te hebben opgelegd.

3. Beroepsgronden

Eiseres heeft gesteld dat volgens haar barmedewerker, [getuige1] , door één van de lokjongeren, op de vraag of hij 18 jaar is, ter legitimatie een rijbewijs is overgelegd. [getuige1] heeft het rijbewijs goed bekeken maar zich vergist bij berekening van de leeftijd. De tweede stagiair/lonkjongere heeft hij niet gezien. Als de lokjongere inderdaad minderjarig is en toch een rijbewijs heeft overgelegd, dan moet er van uit worden gegaan dat dit niet zijn eigen rijbewijs was. Dan is er sprake van niet-toegestane uitlokking. Eiseres stelt verder dat onduidelijk is hoe door de burgemeester is vastgesteld dat de stagiairs niet onmiskenbaar ouder zijn dan 18 jaar. Eiseres meent dat ten onrechte aan haar een boete is opgelegd; in ieder geval is er aanleiding voor matiging daarvan.

4. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of de burgemeester op goede gronden aan eiseres, vanwege overtreding van artikel 20 van de DHW, een boete van € 1.360,- heeft opgelegd.

In artikel 20 van de DHW is bepaald dat het verboden is alcohol te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Deze vaststelling gebeurt aan de hand van een legitimatiebewijs, zoals een rijbewijs of identiteitskaart, en blijft achterwege indien de persoon onmiskenbaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Op de zitting van 10 maart 2021 is namens eiseres, na het horen van de stagiairs [stagiair2] en [stagiair1] als getuigen, erkend dat zij zelfs op dit moment nog niet onmiskenbaar 18 jaar of ouder zijn. Aangezien de bewuste controle ruim 2 jaar eerder (op 16 februari 2019) heeft plaatsgevonden, moet naar het oordeel van de rechtbank er vanuit worden gegaan dat de stagiairs er ook toen niet onmiskenbaar uitzagen alsof zij 18 jaar of ouder waren. Dat betekent dat hun leeftijd vastgesteld diende te worden aan de hand van een legitimatiebewijs.

Barmedewerker [getuige1] heeft ter zitting verklaard dat hij ten tijde van de controle één jongere heeft gezien en dat deze twee biertjes heeft besteld. Nadat hij de jongere om zijn leeftijd heeft gevraagd, heeft deze een rijbewijs op de bar gelegd. Hij heeft die gecontroleerd en geconstateerd dat die jongere 18 jaar was. Vervolgens heeft hij aan die persoon twee biertjes verstrekt.

[getuige2] heeft verklaard dat zij ten tijde van de controle in de kantine van eiseres aanwezig was en op een zodanige plaats aan de bar zat dat zij alles goed heeft kunnen zien. Er kwamen twee jongeren binnen, waarvan één iets bestelde. De andere jongere stond ernaast. [getuige2] heeft gehoord dat de barmedewerker aan de jongere, die de bestelling deed, vroeg om het legitimatiebewijs. [getuige2] heeft gezien dat door die jongere een roze kaart werd overhandigd, waaruit zij concludeerde dat het om een rijbewijs ging. Die kaart heeft [getuige1] volgens [getuige2] gecontroleerd en vervolgens aan die jongere twee biertjes gegeven.

Toezichthouder [toezichthouder] en stagiairs [stagiair2] en [stagiair1] hebben verklaard dat zij ten tijde van de controle in de kantine aanwezig waren, [stagiair2] en [stagiair1] stonden naast elkaar aan de bar en [toezichthouder] bevond zich op enige afstand achter hen. [toezichthouder] heeft verklaard dat hij daardoor niet heeft kunnen zien wat [stagiair2] op de bar legde.

[stagiair2] heeft verder verklaard dat hij bij de barmedewerker twee biertjes heeft besteld en dat, nadat om zijn leeftijd werd gevraagd, hij zijn identiteitskaart op de bar heeft gelegd. Hij had toen nog geen rijbewijs, ook geen voorlopig rijbewijs. Hij heeft geen rijbewijs op de bar gelegd maar een identiteitskaart. Aan [stagiair1] is door de barmedewerker volgens [stagiair2] niet gevraagd om een legitimatiebewijs.

[stagiair1] heeft verklaard dat hij niet gezien heeft wat [stagiair2] op de bar legde, maar omdat hij noch [stagiair2] op dat moment een rijbewijs had gaat hij er van uit dat het een identiteitskaart was. Hem is niet gevraagd om een legitimatiebewijs.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [stagiair2] dat hij zijn identiteitskaart heeft getoond aan de barmedewerker. Deze verklaring sluit immers logisch aan bij het doel van de controle waar [stagiair2] als stagiair aan meewerkte, namelijk de controle of in de kantine van eiseres de regels van de DHW werden nageleefd. Deze verklaring past ook logisch bij de voorafgaande instructie van [toezichthouder] . Die instructie hield volgens de verklaringen van [stagiair2] en [toezichthouder] ter zitting in dat een identiteitskaart zou worden getoond als daarnaar of naar zijn leeftijd zou worden gevraagd. Van de identiteitskaarten heeft [toezichthouder] voorafgaand aan de controle foto’s gemaakt.

Datzelfde geldt voor de verklaring van [stagiair2] dat hij op 16 februari 2019 geen (voorlopig) rijbewijs had. De rechtbank ziet geen enkele reden om hieraan te twijfelen.

De rechtbank is er daarom van overtuigd dat [stagiair2] zijn (witte) identiteitskaart op de bar heeft gelegd. De verklaringen van [getuige1] en [getuige2] , dat [stagiair2] een roze kaart of rijbewijs op de bar legde, acht de rechtbank niet aannemelijk. De suggestie van de gemachtigde van eiseres dat [stagiair2] het rijbewijs van iemand anders heeft getoond aan de barmedewerker, vindt geen enkele steun in de vaststaande feiten en omstandigheden. [stagiair2] werkte immers als stagiair in het kader van zijn opleiding mee aan een controle door toezichthouders van de gemeente op de naleving van de DHW.

De rechtbank ziet voorts geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van de verklaringen van [stagiair2] en [stagiair1] dat zij naast elkaar aan de bar stonden toen [stagiair2] twee biertjes bestelde en dat aan [stagiair1] niet is gevraagd om een legitimatiebewijs. Die verklaringen worden namelijk bevestigd/ondersteund door de verklaringen van [toezichthouder] en [getuige2] . De rechtbank gaat van die verklaringen uit.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat eiseres artikel 20 van de DHW heeft overtreden. Een medewerker van haar heeft namelijk alcohol verstrekt aan [stagiair2] en [stagiair1] , terwijl niet was vastgesteld dat zij al 18 jaar waren. Wellicht dat de barmedewerker heeft getracht de leeftijd van [stagiair2] vast te stellen, maar in dat geval heeft hij dat niet op een juiste manier gedaan. Bovendien heeft hij de leeftijd van [stagiair1] in het geheel niet gecontroleerd. Dat dient voor rekening en risico van eiseres te blijven. Van ontoelaatbare uitlokking is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Niet is gebleken dat [stagiair2] [getuige1] heeft gebracht tot andere handelingen dan die hij uit hoofde van zijn functie als barmedewerker al van plan was te verrichten.1

De rechtbank acht eiseres voorts niet in haar verdediging benadeeld doordat zij niet al in bezwaar foto’s van [stagiair2] en [stagiair1] heeft kunnen zien. Zij heeft namelijk wel hun identiteitskaarten, met foto, toen ingezien. Bovendien vond barmedewerker [getuige1] blijkbaar ook dat [stagiair2] niet onmiskenbaar 18 jaar was, nu hij hem om zijn leeftijd dan wel zijn legitimatiebewijs heeft gevraagd.

Nu vaststaat dat eiseres artikel 20 van de DHW heeft overtreden is de burgemeester bevoegd een boete op te leggen. Het opleggen van een boete van € 1.360,- is in overeenstemming met het Boetebesluit. In hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd en de omstandigheden van dit geval ziet de rechtbank geen grond om de boete te matigen. Naar haar oordeel is de boete van € 1.360,- evenredig en houdt dan ook stand.

De overige beroepsgronden leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Voor zover eiseres, onder verwijzing naar het evenement ’80 van de Langstraat’, een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. Ter zitting heeft de burgemeester afdoende gesteld dat er tijdens dat evenement ook boetes zijn opgelegd. Voor zover al sprake zou zijn van gelijke gevallen is derhalve niet gebleken dat die ongelijk behandeld zijn.

6. Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Op grond van artikel 8:36, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt ten laste van het Rijk aan de door de rechtbank opgeroepen getuigen een vergoeding toegekend overeenkomstig het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. De vergoeding voor tijdsverzuim van de getuigen [toezichthouder] , [stagiair2] en [stagiair1] wordt met toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgesteld op € 13,62 per persoon (2 uur maal € 6,81). De te vergoeden reiskosten van de getuigen [toezichthouder] en [stagiair1] worden met toepassing van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgesteld op de kosten van openbaar vervoer op respectievelijk € 17,90 en € 23,44. De reiskosten van getuige [stagiair2] worden vastgesteld op een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer, omdat openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is, op € 29,68 (106 km maal € 0,28).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat aan getuige [toezichthouder] een vergoeding wordt toegekend van

€ 31,52, aan getuige [stagiair2] een vergoeding van € 43,30 en aan getuige [stagiair1] een vergoeding van € 37,06, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 15 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: Wettelijk kader

DRANK- EN HORECAWET

Artikel 20

1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

3. De vaststelling, bedoeld in het eerste en tweede lid:

a. geschiedt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht, dan wel op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen andere wijze;

b. blijft achterwege, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt.

Artikel 44a

1. De burgemeester kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding binnen zijn gemeente van het bij of krachtens de artikelen 3, 4, 9, derde, vierde en vijfde lid, 12 tot en met 19, 20, eerste tot en met vierde lid, 22, eerste en tweede lid, 24, 25, behoudens het derde lid, 25a tot en met 25d, 29, derde lid, 35, tweede en vierde lid, of 38 gestelde.

2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 100 000 bedraagt.

Artikel 44b

1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een bijlage vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete bepaalt.

BESLUIT BESTUURLIJKE BOETE DRANK- EN HORECAWET

Artikel 1

Als bijlage bedoeld in artikel 44b, eerste lid, van de Drank- en Horecawet wordt vastgesteld de bij dit besluit behorende bijlage.

Artikel 2

Voor in de bijlage omschreven overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag de bestuurlijke boete die opgelegd kan worden.

Artikel 3

1. Het in kolom I van de bijlage genoemde bedrag geldt voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op de dag waarop de overtreding is begaan minder dan vijftig werknemers telde.

Bijlage bij het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet

Voor overtreding van artikel 20, eerste lid, van de DHW is de boete in kolom I bepaald op

€ 1.360,-.

1 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:195)