Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1837

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5486
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5486 WABO

uitspraak van 13 april 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. W. Graafland

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[derde partij] , te [plaatsnaam] .

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 februari 2020 (bestreden besluit) inzake de afwijzing van het verzoek om intrekking van de aan derde partij verleende milieuvergunning van 25 augustus 2009 en de bouwvergunning 2e fase van 12 april 2013.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 februari 2021. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. W. Graafland. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C.J. Nouws-Vermeeren. Derde partij is in persoon verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 25 augustus 2009 is aan derde partij een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor een melkveehouderij op het perceel [adres1] te [plaatsnaam] . Bij besluit van 28 januari 2011 is aan derde partij een bouwvergunning 1e fase verleend voor het oprichten van een rundveestal op het perceel [adres1] te [plaatsnaam] . Bij besluit van 12 april 2013 is aan derde partij een bouwvergunning 2e fase verleend voor het oprichten van een rundveestal op het perceel [adres1] te [plaatsnaam] . De beide laatstgenoemde besluiten worden inmiddels aangeduid als de omgevingsvergunning voor de activiteiten handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening en het bouwen van een rundveestal op het perceel [adres1] te [plaatsnaam] .

Eiser woont op het adres [adres2] te [plaatsnaam] . Hij stelt overlast te ondervinden van de (niet-agrarische) activiteiten op het schuin tegenover gelegen perceel van derde partij en heeft daarom op 1 november 2018 aan verweerder verzocht om – onder meer en voor zover hier van belang – de milieuvergunning van 25 augustus 2009 en de bouwvergunning 2e fase van 12 april 2013 in te trekken.

Dit verzoek heeft geleid tot een controle van het bedrijf van derde partij op 21 januari 2019 door de Omgevingsdienst West- en Midden-Brabant (OMWB). Blijkens het desbetreffende controleverslag vinden er sinds de tweede helft van 2018 geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats. Derde partij heeft hoofdzakelijk om gezondheidsredenen zijn rechten verkocht, op 40 stuks melk- en kalfkoeien na. Voorts heeft de OMWB vermeld dat er mogelijk in de nabije toekomst nog dieren zullen worden gehouden (verhuren/verkopen van de inrichting) en dat alleen de kuilplaten aan de achterzijde van de stal nog in gebruik zijn.

Bij het primaire besluit van 20 mei 2019 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Daartegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er nog geen drie jaren verstreken zijn sinds derde partij voor het laatst handelingen heeft verricht met gebruikmaking van de milieuvergunning, dat derde partij aannemelijk heeft gemaakt dat hij uiterlijk het eerste kwartaal van 2020 weer vee zal gaan houden en dat dan ook een aanvang gemaakt zal worden met de realisatie van de vergunde rundveestal.

2. Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ruimschoots meer dan 26 weken zijn verstreken zonder dat derde partij een aanvang heeft gemaakt met de bouw van de rundveestal, zodat verweerder de desbetreffende omgevingsvergunning in ieder geval had moeten intrekken. Daar komt bij dat het, gezien het provinciale beleid om het mestoverschot terug te dringen, in de rede ligt om niet gebruikte vergunningen in te trekken. Met betrekking tot de stelling dat de milieuvergunning nog geen drie jaren ongebruikt is, heeft eiser betwijfeld of verweerder dit wel zorgvuldig onderzocht heeft.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij toepassing van die bevoegdheid komt verweerder beleidsruimte toe. Dit heeft tot gevolg dat de rechter terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:69), moeten bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle in aanmerking te nemen belangen worden betrokken en tegen elkaar worden afgewogen. Daartoe behoren naast de planologische en stedenbouwkundige belangen ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.

4.1

Gelet op het discretionaire karakter van de intrekkingsbevoegdheid kan het betoog van eiser dat de omgevingsvergunning moet worden ingetrokken vanwege het enkele verstrijken van 26 weken, niet slagen. Verweerder heeft niet de verplichting, maar de mogelijkheid om een omgevingsvergunning na 26 weken in te trekken en de rechtbank dient (uitsluitend) te toetsen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die mogelijkheid geen gebruik te maken.

4.2

In het kader van die toetsing stelt de rechtbank vast dat tijdens de voorbereiding van het nemen van het primaire besluit derde partij heeft aangegeven dat hij inmiddels stappen heeft ondernomen om de beide vergunningen tot uitvoer te brengen. Daarbij heeft hij gewezen op een prijsopgave van [bouwbedrijf1] d.d. 25 april 2019 voor het bouwen van een rundveestal. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat derde partij op 3 maart 2020 een opdrachtbevestiging van [bouwbedrijf2] voor het bouwen van een rundveestal heeft ondertekend en zijn er foto’s overgelegd waarop te zien is dat in oktober 2020 een begin is gemaakt met het aanbrengen van de fundering van de stal. Deze overgelegde stukken bevestigen dat verweerder in het bestreden besluit aannemelijk heeft kunnen achten dat derde partij zou beginnen met de realisatie van de vergunde rundveestal. Weliswaar dateert het begin van de uitvoering niet van het eerste maar van het laatste kwartaal van 2020, maar volgens derde partij is deze vertraging te wijten aan de covid 19-pandemie en de rechtbank acht dit niet onaannemelijk.

Dat derde partij niet op korte termijn van de omgevingsvergunning gebruik zou maken, behoefde voor verweerder dus geen reden te zijn om die vergunning in te trekken.

4.3

Eiser heeft als argument voor intrekking van de vergunning(en) gewezen op het belang van het terugdringen van het mestoverschot in Brabant, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit belang buiten beschouwing kunnen laten. Ook hier geldt dat verweerder (beleids)ruimte heeft om aan dit argument geen (doorslaggevend) gewicht toe te kennen. De rechtbank voelt zich hierbij gesteund door vorengenoemde uitspraak van de AbRS waarin is overwogen “dat de rechtbank, door het college op te dragen een gedetailleerd onderzoek te verrichten naar de ontwikkelingen in de relevante regelgeving na de vergunningverlening en de huidige stand van die regelgeving in relatie tot het project waarvoor de vergunningen zijn verleend, het college een te verregaande opdracht heeft gegeven. Zij heeft daarmee in dit geval de beleidsruimte van het college bij dit besluit onvoldoende in acht genomen”.

4.4

Eiser heeft met een beroep op de uitspraak van de AbRS van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1917, betoogd dat intrekking van de omgevingsvergunning in de rede had gelegen omdat een afbouwplanning ontbreekt en er geen concreet zicht is op uitvoering van het bouwplan.

De rechtbank overweegt dat het college van burgemeester en wethouders van Haaren in de door eiser genoemde uitspraak uitvoering hebben gegeven aan hun “Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen" en dat dit college daarbij doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan het voorkomen van het ontstaan van "slapende omgevingsvergunningen". Verweerder hanteert niet een dergelijk beleid. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat dit deel van het buitengebied een agrarische bestemming heeft en dat verweerder het van belang acht dat deze bestemming zo veel mogelijk wordt verwezenlijk. Derde partij gaat ter plaatse een agrarisch bedrijf (her)oprichten en handelt aldus in overeenstemming met de bestemming en in lijn met waar verweerder belang aan hecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom het belang van derde partij bij behoud van zijn omgevingsvergunning voor de bouw van de rundveestal zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij intrekking van die vergunning.

5. Met betrekking tot de weigering van verweerder om de milieuvergunning van 25 augustus 2009 in te trekken is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich daartoe terecht niet bevoegd heeft geacht. Na het verzoek van eiser om intrekking van de vergunningen heeft de OMWB ter plaatse een onderzoek ingesteld en op de vraag sedert wanneer er geen vee meer wordt gehouden heeft derde partij geantwoord dat hij eind 2018 daarmee is gestopt. Er was geen reden voor de OMWB om deze verklaring van derde partij in twijfel te trekken en vervolgens nader onderzoek te doen in de registers. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser gelegen om zijn twijfel aan de juistheid van de verklaring van derde partij nader te onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan en daarom mocht verweerder er van uitgaan dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen drie jaren verstreken waren sinds derde partij voor het laatst handelingen heeft verricht met gebruikmaking van de milieuvergunning.

6. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 13 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

P.H.M. Verdonschot, griffier G.M.J. Kok, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.