Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1831

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
BRE - 20 _ 5719
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 16 AWR

De inspecteur gaat ten onrechte ervan uit dat volstaan kon worden met alleen het beoordelen van de aangifte IB/PVV op zichzelf, zonder daarbij ook aangiftes van eerdere jaren te raadplegen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een onderdeel van de bedoelde zorgvuldige kennisname van de inhoud van de aangifte ook de raadpleging van het IB/PVV-dossier is. Alsdan is niet in geschil dat geen sprake is van een nieuw feit.

Ten aanzien van de belastingrente overweegt de rechtbank dat, ook als de belastingrente bij de aanslag voor het jaar 2017 gematigd zou zijn (in afwijking van de juiste wetstoepassing), betekent dat enkele feit nog niet dat de belastingrente 2016 moet worden gematigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-05-2021
V-N Vandaag 2021/1072
Viditax (FutD), 12-5-2021
FutD 2021-1476 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1691 met annotatie van mr. N. van den Hoek
NLF 2021/1001 met annotatie van
V-N 2021/27.18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/5719 en 20/5720

uitspraak van 13 april 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

  • -

    De uitspraak van de inspecteur van 24 februari 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.030 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.005 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.57.01) (hierna: de navorderingsaanslag) en gelijktijdig opgelegde beschikking belastingrente van € 932 (hierna: rentebeschikking 2015).

  • -

    De uitspraak van de inspecteur van 24 februari 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.930 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.771 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.66.01) (hierna: de aanslag), en gelijktijdig opgelegde beschikking belastingrente van € 334 (hierna: rentebeschikking 2016).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , verbonden aan [kantoor] te [plaats] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

De inspecteur heeft op 1 april 2021 telefonisch aan de griffier gemeld dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. De griffier heeft tijdens dat gesprek melding gemaakt van een door belanghebbende ingediend proceskostenformulier. De inspecteur heeft gemeld in te stemmen met de proceskosten voor het geval er aanleiding zou zijn voor een proceskostenveroordeling.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep betreffende de aanslag en de rentebeschikking 2016 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep betreffende de navorderingsaanslag en de rentebeschikking 2015 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de rentebeschikking 2015;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag en de rentebeschikking 2015;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af;

  • -

    verklaart zich onbevoegd voor zover belanghebbende verzoek om andere immateriële schade;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 1.806,59;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is werkzaam in loondienst. Daarnaast exploiteert belanghebbende (in de vorm van een eenmanszaak) een webshop en borduurstudio.

2.2.

In de jaren 2003 tot en met 2015 heeft belanghebbende in zijn aangiften IB/PVV steeds een verlies uit onderneming aangegeven. Daarbij is het belastbaar inkomen uit werk en woning steeds positief gebleven. De aanslag IB/PVV 2015 is overeenkomstig de aangifte opgelegd.

2.3.

In juli 2019 heeft de inspecteur zich bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 2016 op het standpunt gesteld dat afgeweken zal worden van de aangifte IB/PVV omdat naar de mening van de inspecteur de activiteiten van de eenmanszaak geen bron van inkomen vormen gelet op de structurele verliezen. Voor het jaar 2015 is een navorderingsaanslag opgelegd waarbij het verlies uit onderneming is gecorrigeerd.

2.4.

Niet in geschil is dat de eenmanszaak geen bron van inkomen vormt in de jaren 2015 en 2016 en dat de inspecteur zich dus terecht op het standpunt stelt dat geen verlies uit onderneming in aanmerking kan worden genomen. De aanslag voor het jaar 2016 als zodanig is niet in geschil. Tussen partijen zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

  1. Voor het jaar 2015: Is er sprake van een navorderingsgrond zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?

  2. Dient de belastingrente over de jaren 2015 en 2016 gematigd te worden?

  3. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding?

Nieuw feit?

2.5.

In artikel 16, eerste lid, van de AWR is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. De inspecteur moet dus beschikken over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

2.6.

De inspecteur is van mening dat er sprake is van een nieuw feit. Hiertoe heeft de inspecteur gesteld dat – omdat belanghebbende steeds een positief inkomen uit werk en woning had – de aanslagen automatisch conform de aangiften zijn opgelegd. De inspecteur is pas in 2016 op de hoogte geraakt van de jarenlang aangegeven verliezen zodat er sprake is van een nieuw feit.

2.7.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2015 niet bekend was met het feit dat sprake was van structurele verliezen en de activiteiten van de eenmanszaak geen bron van inkomen vormen. Het gaat er echter ook om of de inspecteur redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met dat feit. Aan deze voorwaarde is niet voldaan indien de inspecteur een zogenoemd ambtelijk verzuim heeft begaan. Een ambtelijk verzuim is niet afwezig reeds omdat een aangifte geautomatiseerd is afgedaan. Dat laatste is namelijk een omstandigheid die voor risico van de inspecteur komt. Het gaat erom of de inspecteur de aangifte had behoren nader te onderzoeken.

De inspecteur heeft aangevoerd dat dit laatste niet het geval is omdat hij slechts de ingediende aangifte IB/PVV 2015 hoefde te onderzoeken en deze geen aanleiding tot twijfel over de juistheid daarvan gaf, aangezien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was. De inspecteur heeft daarbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad uit 2010.1

De rechtbank heeft ter zitting aan de inspecteur gevraagd wat zijn standpunt is indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de inspecteur gehouden is om in het kader van de beoordeling van de aangifte IB/PVV 2015 ook aangiftes van andere jaren te raadplegen. De inspecteur heeft daarop verklaard dat hij de structurele verliezen had kunnen zien en er aanleiding was geweest om nader onderzoek te doen. De inspecteur heeft vervolgens bevestigd dat het geschil dus alleen de juridische vraag betreft of de inspecteur bij de beoordeling van de aangifte kan volstaan met alleen het bekijken van de aangifte van dat jaar zelf dan wel of van hem ook mag worden verwacht dat hij ook de aangiftes van eerdere jaren bekijkt.

2.8.

Ter zitting is partijen een arrest van de Hoge Raad van 25 juni 19582 voorgehouden, waarin voor zover hier van belang is overwogen: “O. (…) dat voor een belastingplichtige ernstige gevolgen aan het opleggen van een navorderingsaanslag verbonden kunnen zijn en zijn redelijk belang derhalve met zich brengt, dat de Inspecteur alvorens tot het opleggen van een definitieven aanslag over te gaan, de gedane aangifte althans in dien zin aan een onderzoek onderwerpt, dat zij vergeleken wordt met de gegevens, die er in het dossier van den belastingplichtige ter inspectie aanwezig zijn, tot welke gegevens behoren de aangiften en aanslagen over vorige jaren, renseignementen en rapporten door den Rijksaccountantsdienst uitgebracht”.

2.9.

Deze overweging heeft volgens de rechtbank nog steeds haar belang gehouden. In bijvoorbeeld een arrest van de Hoge Raad van 17 februari 20173 is overwogen dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag IB/PVV in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige.

2.10.

Gelet op deze arresten van de Hoge Raad gaat de inspecteur ten onrechte ervan uit dat volstaan kon worden met alleen het beoordelen van de aangifte IB/PVV 2015 op zichzelf zonder daarbij ook aangiftes van eerdere jaren te raadplegen. De arresten over het met een normale zorgvuldigheid kennisnemen van de inhoud van de aangifte, waaronder het door de inspecteur aangehaalde arrest, zijn niet in tegenspraak met de in 2.8 en 2.9 genoemde arresten. De rechtbank begrijpt de verhouding tussen de arresten aldus dat een onderdeel van de bedoelde zorgvuldige kennisname van de inhoud van de aangifte ook de raadpleging van het IB/PVV-dossier is.

Voor het hier zich voordoende geval dat de rechtbank de in 2.7 vermelde juridische vraag in het nadeel van de inspecteur beslist, is niet in geschil dat geen sprake is van een nieuw feit. De navorderingsaanslag en de rentebeschikking 2015 zijn daarom vernietigd.

Belastingrente

2.11.

Belanghebbende heeft ten aanzien de belastingrente aangevoerd dat de rente gematigd dient te worden. Ter motivering van dit standpunt heeft belanghebbende aangevoerd dat zijn standpunt gebaseerd is op het vermoeden dat de inspecteur bij de berekening van de belastingrente over het jaar 2017 kennelijk een matiging heeft toegepast. Naar aanleiding hiervan meent belanghebbende dat ook de belastingrente over het jaar 2016 gematigd dient de worden.

De inspecteur heeft betwist dat er sprake is van een matiging bij de belastingrente bij de aanslag voor het jaar 2017 en heeft hiertoe ter zitting een kopie van de berekening van die belastingrente overgelegd. Tevens heeft de inspecteur toegelicht dat de belastingrente over het jaar 2017 lager is omdat de aanslag over het jaar 2017 overeenkomstig de aangifte is opgelegd zodat de belastingrente berekend is overeenkomstig artikel 30fc, derde lid, van de AWR.

2.12.

Dit geschilpunt is alleen nog relevant met betrekking tot het jaar 2016. Niet in geschil is dat de belastingrente berekend is overeenkomstig de wettelijke bepalingen. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, volgt uit zijn stellingen niet dat daarvan sprake is. Ook als de belastingrente bij de aanslag voor het jaar 2017 gematigd zou zijn (in afwijking van de juiste wetstoepassing), betekent dat enkele feit nog niet dat de belastingrente 2016 moet worden gematigd, ook niet op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Conclusie

2.13.

Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 en de rentebeschikking 2015 gegrond verklaard en is het beroep met betrekking tot het jaar 2016 ongegrond verklaard.

Overschrijding van de redelijke termijn?

2.14.

Belanghebbende heeft ter zitting een verzoek gedaan om toekenning van een vergoeding van immateriële schade. Dit verzoek moet worden afgewezen. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt, en ook in dit geval, 24 maanden. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.4 Niet in geschil is dat de inspecteur op 11 oktober 2019 het bezwaar tegen beide jaren heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 april 2021. De redelijke termijn van 24 maanden is dus niet overschreden.

De stelling dat de aanslagfase voor het jaar 2016 te lang heeft geduurd, kan niet leiden tot honorering van het verzoek in deze procedure. De aanslagfase maakt geen onderdeel uit van de in aanmerking te namen termijn in het kader van de ‘redelijke termijn’-jurisprudentie. Weliswaar is in theorie denkbaar dat buiten die jurisprudentie om aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan worden gemaakt wegens traag handelen van een bestuursorgaan, maar daarvoor zou belanghebbende zich tot de civiele rechter moeten wenden, nu het beroep betreffende het jaar 2016 ongegrond is.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

2.15.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep voor het jaar 2015 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.806,59, bestaande uit:

  • -

    € 1.598 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

  • -

    € 208,59 (€ 23,40 reiskosten en € 185,19 verletkosten).

Ook krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 13 april 2021 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082.

2 ECLI:NL:HR:1958:AY1185, BNB 1958/255

3 ECLI:NL:HR:2017:249

4 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.