Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1808

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
02-251464-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vrijspraak artikel 6 WVW, veroordeling artikel 5 WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/251464-20

vonnis van de meervoudige kamer van 15 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats]

wonende te ( [adres 1]

raadsman mr. E.H.J. van der Heijden, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Hendriks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeers- ongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 2] is komen te overlijden en [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), waarbij [slachtoffer 2] is komen te overlijden en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte linksaf is geslagen zonder zich ervan te vergewissen dat de weg waarover hij reed vrij was om dat te doen. Dit handelen kan niet worden beschouwd als momentane onoplettendheid, maar als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarom is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit. De verdediging stelt hiertoe primair dat niet is komen vast te staan dat het (dodelijk) letsel is veroorzaakt door de gedragingen van verdachte. Subsidiair stelt de verdediging dat verdachte de auto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten (hierna: de Citroën) wegens omstandigheden die hij niet kon beïnvloeden, te laat heeft gezien waardoor hij gedacht heeft veilig linksaf te kunnen slaan. Niet geconcludeerd kan worden dat verdachte zich roekeloos, zeer of aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig heeft gedragen. Daarom is geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat concreet gevaar op de weg werd of kon worden veroorzaakt. Daarnaast heeft de Citroën volgens de verdediging zo hard gereden dat dit de eventuele gevaarzetting van de verdachte opheft. Daarom bepleit de verdediging ook vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde feit, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte reed kort voor de botsing stapvoets met zijn voertuig en had de richtingaanwijzer van het voertuig aangezet om linksaf te slaan. Al vrij snel nadat verdachte zijn voertuig naar links instuurde, botste de Citroën met de linker voorzijde tegen de linker voorzijde van het voertuig van verdachte. Ten tijde van de botsing was verdachte met de linker voorzijde van zijn voertuig net het midden van de rijbaan gepasseerd en op de rijbaan van de Citroën gekomen.

Op grond van de verklaring van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in ieder geval heeft gekeken voordat hij zijn voertuig naar links instuurde om af te slaan. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gekeken en dat hij toen passerende fietsers op het langs de weg liggende fietspad achter de bomen zag. Hij heeft gewacht totdat de fietsers gepasseerd zijn. Naar eigen zeggen heeft hij toen weer gekeken voordat hij naar links instuurde. Verdachte heeft bij de tweede keer kijken kennelijk onvoldoende gezien wat er zich op de weg bevond. Verdachte heeft in elk geval de hem tegemoetkomende Citroën die hij voorrang had moeten verlenen, niet gezien. In dit kader neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat niet is gebleken dat het zicht van verdachte belemmerd is geweest en dat hij de naderende Citroën niet had kunnen zien.

Weliswaar staat vast dat de Citroën harder reed dan de toegestane maximum snelheid, maar niet wat de exacte hoogte van de snelheid is geweest. Bovendien moet de Citroën naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de plaats waar de botsing plaatsvond en waar en hoe de voertuigen elkaar hebben geraakt, al relatief dichtbij zijn genaderd op het moment dat verdachte naar links instuurde. Vast staat immers dat de botsing al snel nadat verdachte naar links instuurde heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft ook verklaard dat de botsing één seconde nadat hij naar links wilde gaan, plaatsvond.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat verdachte kan worden verweten dat hij weliswaar heeft gekeken, maar dat hij het voertuig niet heeft gezien, terwijl hij dat voertuig wel had moeten zien.

Primair, artikel 6 WVW

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf zoals bedoeld in artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, waarbij er in ieder geval sprake dient te zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door verdachte.

Bij de beantwoording van de vraag of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Hoewel in dit geval wel vast staat dat de gevolgen van het verkeersongeval zeer ernstig zijn geweest, wordt opgemerkt dat niet uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Het gaat om de handelingen en het gedrag van verdachte die wel of niet verwijtbaar en strafbaar zijn en niet om de, vreselijke, gevolgen bij deze beoordeling.

Verdachte heeft een verkeersfout gemaakt en is onvoldoende oplettend geweest. Hij heeft de tegemoetkomende Citroën immers niet gezien toen hij zijn voertuig naar links instuurde om af te slaan. Daarmee heeft verdachte schuld aan het ontstaan van het verkeersongeval gehad. Zonder het linksaf slaan, was er geen botsing geweest. De rechtbank neemt aan dat verdachte wel gekeken heeft of hij af kon slaan, maar dat hij de naderende Citroën niet gezien heeft.

Anders dan de officier van justitie en met de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat deze mate van schuld in de gegeven omstandigheden niet dusdanig is, dat gesproken kan worden van roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.

Subsidiair, artikel 5 WVW

De rechtbank acht, gelet op de mate van schuld, het subsidiaire ten laste gelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW door onvoldoende oplettend te kijken of de weghelft voor het tegengestelde verkeer vrij was voordat verdachte zijn voertuig naar links instuurde om af te slaan en de naderende Citroën geen voorrang te verlenen, wat heeft geleid tot het verkeersongeval.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair
op 5 juni 2018 te Rucphen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Zundertseweg, zonder er zich voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde afleggen vrij was, linksaf is geslagen, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, stelt de verdediging dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte reed in zijn personenauto en heeft daarbij onvoldoende opgelet. Toen verdachte linksaf wilde slaan heeft hij het voertuig van de slachtoffers over het hoofd gezien en dat voertuig geen vrije doorgang verleend. Zodoende heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, nu hierdoor een botsing tussen de voertuigen van verdachte en de slachtoffers heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en [slachtoffer 2] is overleden. Voor de nabestaanden van [slachtoffer 2] betekent dit een tragisch verlies. Dat de gevolgen voor hen groot zijn blijkt ook uit de verklaring die de moeder van [slachtoffer 2] ter terechtzitting heeft voorgelezen en de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] die door de officier van justitie is voorgelezen.

Hoewel de gevolgen zeer ernstig zijn, moet niet uit het oog worden verloren dat verdachte deze gevolgen nooit heeft gewild. Verdachte zal moeten leven met de ernstige gevolgen van zijn verkeersfout en het leed dat hij hierdoor veroorzaakt heeft. Ter zitting is gebleken dat hij zich hiervan zeer bewust is.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat tussen de dag van het ongeval en de dag van de inhoudelijke behandeling bijna drie jaar heeft gezeten. Er is dus sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, zodat de rechtbank naar bevind van zaken een straf- korting zal toepassen.

Daarnaast kiest de rechtbank voor een andere strafmodaliteit dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank dit in overeenstemming acht met de ernst van het feit, zoals deze moet worden gekwalificeerd in de door de rechtbank bewezen geachte variant. De rechtbank houdt hierbij rekening met de straffen die in dergelijke gevallen worden opgelegd.

De rechtbank heeft op basis van het dossier, het blanco strafblad van verdachte en de ter zitting door verdachte afgelegde verklaring, niet de indruk gekregen dat verdachte een onverantwoorde weggebruiker is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Dit heeft na al die tijd en gelet op de persoon van verdachte geen meerwaarde.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geldboete van € 500,00 moet worden opgelegd, te vervangen door 10 dagen hechtenis indien de geldboete niet wordt betaald.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 20.224,34, bestaande uit € 10.224,34 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde uitvaartkosten van € 10.224,34 weliswaar met stukken zijn onderbouwd, maar dat uit de door de verdediging overgelegde mail van 31 maart 2021 van Reaal Verzekeringen NV kan worden afgeleid dat in totaal € 25.000,00

aan de heer [naam 2] zou zijn uitbetaald ter zake van uitvaartkosten. Hierover is discussie ontstaan. Ook stelt de verdediging ter discussie of de ontstane schade mede een gevolg is geweest van een omstandigheid die aan de bestuurder van de Citroën kan worden toegerekend.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8 De wettelijke voorschriften

Deze beslissing berust op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzitter, mr. Beudeker en mr. A. Ides Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 april 2021.

Mr. De Beer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 5 juni 2018 te Rucphen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Zundertseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, zonder er zich voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde afleggen vrij was, linksaf af te slaan, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) werd gedood, en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een/twee gebroken bovenbe(e)n(en), één of meerdere breuk(en) van (een)(de) voet(en), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
(Artikel art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 juni 2018 te Rucphen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Zundertseweg, zonder er zich voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde afleggen vrij was, linksaf af is geslagen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
(Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994).

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindprocesverbaal met dossiernummer PL2000-2018129351 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 121.

Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, pagina’s 3 tot en met 5 van het eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:

Op 5 juni 2018 omstreeks 19:07 uur heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden aan de Zundertseweg in Rucphen tussen een personenauto van het merk Renault Clio met Belgisch kenteken [kenteken 1] en een bedrijfsauto van het merk Citroën Berlingo met Nederlands kenteken [kenteken 2] De bestuurder van de Renault was verdachte. De bestuurder van de Citroën was [slachtoffer 1] en de passagier was [slachtoffer 2] .

Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict, pagina’s 22, 38 en 39 van het eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:

De Zundertseweg had op de plaats van het ongeval een recht wegverloop en bestond uit één rijbaan met onderbroken zijmarkering, bestemd voor verkeer in beide richtingen.

De ter plaatse wettelijk toegestane maximumsnelheid is aangegeven door middel van bord A1 en bedraagt 60 kilometer per uur (km/h).

Uit de aangetroffen situatie, de sporen, de eindpositie van de voertuigen en de schade aan

de voertuigen, kan de volgende vermoedelijke toedracht worden geconcludeerd:

De bestuurder van de Renault heeft gereden over de Zundertseweg komende uit de richting vanaf Zundert en gaande in de richting van Rucphen.

De bestuurder van de Citroën heeft gereden over de Zundertseweg komende uit de richting vanaf Rucphen en gaande in de richting van Zundert.

De bestuurder van de Renault heeft de inrit naar pand [adres 2] in willen rijden en heeft hierbij de hem tegemoetkomende bestuurder van de Citroën geen vrije doorgang verleend door zich deels op de rijstrook van de hem tegemoetkomende Citroën te bevinden.

De bestuurder van de Citroën heeft voorts door naar voor hem naar rechts uit te wijken en geblokkeerd te remmen gepoogd een aanrijding te voorkomen. De Citroën was vervolgens met de linker voorzijde, tegen de linker voorzijde van de Renault gebotst. De Renault is achteruit gedrukt en in de voor hem rechterberm tot stilstand gekomen. De Citroën was door het geblokkeerd remmen en afgebroken voorwiel onbestuurbaar en is na de botsing met de Renault in de voor hem rechter berm frontaal op een boom gebotst om vervolgens om zijn lengteas te draaien en op het fietspad aan de rechterzijde van de weg tot stilstand te komen.

Als gevolg van voornoemd verkeersongeval:

- had de bestuurder van de Citroën zwaar lichamelijk letsel opgelopen;

- had de passagier van de Citroën zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Ten gevolge van dit

letsel was deze persoon overleden;

- was schade ontstaan aan de bij dit ongeval betrokken voertuigen.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 54 en 55 van voormeld eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:

Ik wilde indraaien op een oprit aldaar. Ik heb gekeken naar het fietspad en naar alle waarschijnlijkheid ook op de weg. Ik zag fietsers achter de bomen aan komen rijden. Hierdoor hield ik in. Mijn focus was daarop gericht. Ik heb mijn richting naar links aangegeven. Mijn snelheid was licht rollend. Ik heb het voertuig in het geheel niet gezien. Er was ineens een botsing. Ongeveer één seconde nadat ik het voertuig zag kwam de klap.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 1 april 2021, inhoudende

- zakelijke weergegeven -:

Ik heb gekeken. Ik zag achter de bomen fietsers aankomen. Ik besloot toen om die fietsers voor te laten gaan. Toen de fietsers bij de oprit fietsten heb ik nog een keer gekeken en toen zag ik niets.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 61 van voormeld eindproces-verbaal, inhoudende - zakelijke weergegeven -:

[verdachte] wilde gaan keren. Ik zag dat hij naar voren en naar links keek. Ik had al gezien dat [verdachte] al over het midden van de rijbaan reed.

De eigen waarneming van de rechtbank ter zitting aan de hand van de situatie- tekening, pagina 42 van het eindproces-verbaal.

Te zien is dat het voertuig van verdachte ten tijde van de botsing met de linker voorzijde van het voertuig deels over het midden van de rijbaan staat.