Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1774

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1039 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag uitkering op grond van de Participatiewet (PW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1039 PW VV

uitspraak van 13 april 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 februari 2021 (bestreden besluit) van het college inzake de weigering aan hem een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) toe te kennen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 30 maart 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Francke.

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft zich op 7 december 2020 gemeld voor een bijstandsuitkering. In zijn aanvraag heeft verzoeker gesteld te wonen op het adres [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker] . Op dit adres staat hij ook ingeschreven.

Het college heeft aanleiding gezien onderzoek te doen naar de woonsituatie van verzoeker. Dit onderzoek heeft bestaan uit diverse waarnemingen, het aanbrengen van merktekens, een buurtonderzoek en het opvragen van de gegevens van het water- en energieverbruik. Ook heeft er een gesprek met verzoeker plaatsgevonden op 1 februari 2021 met aansluitend een huisbezoek.

Uit de resultaten van het onderzoek heeft het college de conclusie getrokken dat verzoeker niet woont op het opgegeven adres.

Met het bestreden besluit is geweigerd om een uitkering toe te kennen omdat het recht niet kan worden vastgesteld.

Voorlopige voorziening

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Wettelijk kader

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.

Standpunt verzoeker

4. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat het adres aan [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker] het zwaartepunt van zijn maatschappelijk bestaan is. Hij verblijft, vooral door financiële problemen, veel bij vrienden maar dat betekent niet dat dit adres niet zijn hoofdverblijf is. Doorgaans slaapt hij ook in de woning. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker diverse verklaringen van vrienden overgelegd. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat het college aan verzoeker maandelijks voorschotten op een te verlenen bijstandsuitkering moet betalen, ter hoogte van de norm voor een alleenstaande.

Beoordeling voorzieningenrechter

5. De te beoordelen periode loopt van 7 december 2020, de datum waarop verzoeker zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 18 februari 2021, de datum van het besluit op de aanvraag.

6.1

Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is onder meer verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld1.

6.2

Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW, is bepalend de plaats waar hij daadwerkelijk woont dan wel verblijft en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW, moet dan ook te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden2.

6.3

Uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker over de periode 1 april 2020 tot 1 februari 2021 een waterverbruik van 2 m3 heeft. Dit is een extreem laag waterverbruik. Dit wordt ook niet betwist door verzoeker.

Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt een extreem laag waterverbruik de vooronderstelling dat de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is in deze situatie aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken3.

6.4

Ter zitting is namens verzoeker gesteld dat niet duidelijk is op welke periode het waterverbruik betrekking heeft. Verzoeker heeft pas in december 2020 een uitkering aangevraagd. Het waterverbruik voor december is niet relevant, aldus verzoeker.

Verzoeker heeft zich op 7 december 2020 gemeld voor een bijstandsuitkering. Het is niet aannemelijk dat verzoeker voorafgaand aan 7 december 2020 in het geheel geen water zou hebben verbruikt. In de periode 29 maart 2019 tot 1 april 2020 heeft verzoeker immers 14 m3 water verbruikt. Maar ook al zou het waterverbruik nagenoeg volledig toegerekend kunnen worden aan de periode 7 december 2020 tot 1 februari 2021 (2 maanden) dan nog is er sprake van een laag waterverbruik. Omgerekend naar een jaar zou dit betekenen dat verzoeker ongeveer 24m3 zou gebruiken. Het college heeft onbetwist gesteld dat een volwassen persoon gemiddeld 46 m3 gebruikt. Verzoeker heeft ter zitting gesteld dat om het weekend zijn kinderen bij hem in de woning zijn. Af en toe gaat hij met zijn kinderen naar zijn vriendin. Mede gelet op het feit dat de kinderen om het weekend bij verzoeker zijn, wijst een dergelijk laag watergebruik er niet op dat verzoeker in de woning zijn hoofdverblijf heeft.

6.5

Ook het gasverbruik van 10 m 3 in de maand januari 2021 is extreem laag. Het was in januari 2021 zeer koud. Een gasverbruik van 10 m3 is dan, gelet op wat het gemiddelde gasverbruik van een appartement in Nederland is, namelijk 75 m3, zo laag dat het niet aannemelijk is dat verzoeker woonde op het door hem opgegeven adres.

6.6

Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat hij, buiten de weekenden, elke dag in zijn woning is. Dit blijkt echter niet uit de door het college verrichte waarnemingen en de aangebrachte merktekens. De stelling van verzoeker dat de merktekens zo zijn aangebracht dat deze niet vallen als hij de deur opent, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk.

6.7

Gelet op alle onderzoeksbevindingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk op het opgegeven adres woont. Het enkele gegeven dat er wat verzorgingsproducten in de woning aanwezig zijn, hij zijn administratie naar eigen zeggen in de woning heeft liggen en hij zijn huisarts en apotheek in [woonplaats verzoeker] heeft, is, gelet op de overige bevindingen, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat verzoeker daar wel woont. Hierbij heeft de voorzieningenrechter tevens betrokken dat verzoeker niet consistent in zijn verklaringen is geweest. Zo is in het bezwaarschrift van 2 maart 2021 gesteld, en daarbij verwezen naar de bijgevoegde verklaringen, dat hij niet veel thuis is, terwijl verzoeker tijdens de zitting heeft gesteld (nagenoeg) elke dag thuis te zijn.

Het bestreden besluit zal naar verwachting in bezwaar in stand kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 13 april 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Wettelijk kader

Participatiewet

In artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te raken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand door de overheid.

Artikel 17

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

1 ECLI:NL:CRVB:2019:1814

2 ECLI:NL:CRVB:2021:506

3 ECLI:NL:CRVB:2020:430