Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1708

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 881
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bpm

Belanghebbende heeft aangifte Bpm gedaan ter zake van de registratie van een auto. De datum eerste toelating van de auto is 2 februari 2016. In de aangifte doet zij een beroep op het historische tarief van 2015. De inspecteur heeft de aangifte niet geaccepteerd. Vervolgens vindt een e-mailcorrespondentie plaats tussen de inspecteur en belanghebbende en gaat belanghebbende akkoord met aanpassing van de aangifte naar het tarief van 2016. Dit leidt tot een hoger bedrag aan verschuldigde Bpm dat door belanghebbende diezelfde dag nog wordt voldaan in verband met het verkrijgen van een fiscaal akkoord.

In de beroepsfase is tussen partijen niet meer in geschil dat het historische tarief van 2015 kan worden toegepast. Nog wel in geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende stelt dat zij gelet op de gang van zaken recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur met het sturen van een betaalbericht met een hoger bedrag aan verschuldigde Bpm niet tegen beter weten in en evenmin ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat betekent dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de forfaitaire proceskostenvergoeding rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1125
FutD 2021-1560 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1737 met annotatie van mr. J. Kastelein
V-N 2021/25.18.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/881

uitspraak van 8 april 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 7 februari 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) ter zake van het motorrijtuig [merk] , type [type] met VIN nummer [VIN nummer] .

Zitting

Het onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019 te Breda (regiezitting). De meervoudige kamer heeft de onderhavige zaak op grond van artikel 8:10 van de Awb verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021 te Breda. Ter zitting zijn gelijktijdig met het onderhavige zaaknummer de zaken met zaaknummers 18/882 en 18/7745 tot en met 18/7752, alsmede 18/864 en 18/7737 tot en met 18/7744 behandeld. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt de verschuldigde Bpm vast op een bedrag van € 35.971;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 714;

  • -

    veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.786;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.598;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 338 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 12 december 2016 op aangifte een bedrag van € 35.971 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig [merk] , type [type] met VIN nummer [VIN nummer] . De datum eerste toelating van de auto is 2 februari 2016.

2.2.

Belanghebbende heeft in de aangifte onder onderdeel 4, als begindatum van de gekozen periode 1 januari 2015 vermeld. Dat betekent dat zij het historische tarief voor 2015 wenst toe te passen.

2.3.

De inspecteur heeft de aangifte niet geaccepteerd. Hij heeft belanghebbende op 27 december 2016 een e-mail verstuurd in plaats van een brief in verband met de korte week tussen de feestdagen en een eventuele vertraging per post. In de e-mail staat dat belanghebbende de mogelijkheid wordt geboden om de aangifte te herstellen om de voortgang te waarborgen. Voorts staat hierin vermeld: “U maakt op de BPM 13 gebruik van een zg “gekozen datum” die voor de Datum Eerste Toelating ligt. Bij de registratie van de aangiften wordt dit door de applicatie geweigerd, je krijgt een foutcode. Om ook bij deze aangifte Bpm de voortgang te waarborgen vragen wij u bij deze toestemming om de “gekozen datum” aan te passen aan de Datum Eerst Toelating en de berekeningsdatum te laten ingaan op deze datum”.

2.4.

Belanghebbende heeft de inspecteur diezelfde dag teruggemaild. In de e-mail staat, voor zover hier van belang, vermeld: “Ik ga akkoord met uw voorstel om de data aan te passen. Graag zie ik de betaalberichten tegemoet”. In het beroepschrift en ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij slechts onder protest akkoord is gegaan met wijziging van de datum omdat zij anders geen “fiscaal akkoord” zou ontvangen.

2.5.

Vervolgens heeft de betreffende afdeling van de Belastingdienst belanghebbende diezelfde dag een betaalbericht verzonden met een te betalen bedrag van € 40.620 waarbij is uitgegaan van het tarief voor 2016. In de e-mail staat daarbij vermeld: “Het verschuldigde bedrag wijkt af van uw aangifte. Bij het registeren is gebleken dat u een te hoog bedrag hebt berekend. Voor het overige heb ik uw aangifte nog niet inhoudelijk beoordeeld”. Het verschil tussen het in de oorspronkelijke aangifte opgenomen bedrag van € 35.971 en het op het betaalbericht opgenomen bedrag van € 40.620 is uitsluitend een gevolg van het door de wijziging van de datum toegepaste tarief 2016 in plaats van het tarief 2015.

2.6.

Belanghebbende heeft de betreffende afdeling van de Belastingdienst vervolgens een e-mail teruggestuurd met een schermafdruk waarop te zien is dat met een spoedbetaling een bedrag van € 40.620 aan de Belastingdienst is overgemaakt.

2.7.

Belanghebbende heeft vervolgens op 6 januari 2017 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het door haar betaalde bedrag. Dit bezwaarschrift is door de inspecteur ongegrond verklaard.

2.8.

Tussen partijen bestaat geen geschil meer over het toepasselijke tarief. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat het gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:821) inmiddels is toegestaan om voor de onderhavige auto het historische tarief van 2015 toe te passen zodat het bedrag van de aangifte gevolgd kan worden. Het beroep is om die reden gegrond verklaard.

Proceskostenvergoeding

2.9.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende stelt dat zij gelet op de gang van zaken recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. De gemachtigde van belanghebbende heeft daarvan ter zitting een factuur overgelegd.

2.10.

De inspecteur stelt dat uitgegaan moet worden van een forfaitaire proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

2.11.

Ingevolge artikel 2, lid 1, van het Besluit wordt, voor zover hier van belang, het bedrag ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a (kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand), vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief (tarief volgens het puntenstelsel). Lid 3 van artikel 2 van het Besluit bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen is, voor zover hier van belang, sprake:

1. indien de inspecteur het verwijt treft dat het een beschikking geeft of uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.1 Dit wordt ook wel het “tegen beter weten in”-criterium genoemd;

2. indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.2

2.12.

Belanghebbende stelt dat het door de inspecteur eigenhandig verhogen van de op aangifte verschuldigde Bpm zo zeer in strijd is met het wettelijke systeem van heffing door middel van voldoening op aangifte dat sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, waarbij op het moment van correctie duidelijk moet zijn geweest dat die handelwijze in rechte geen stand zou houden. Gelet daarop bestaat volgens belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding.

2.13.

De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur niet eigenhandig de aangifte mag aanpassen met als gevolg dat een hoger bedrag aan belasting verschuldigd is. Als hij dat, tegen beter weten in, toch doet kan dat een bijzondere omstandigheid vormen die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Echter, naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in dit geval niet tegen beter weten in gehandeld door het betaalbericht te sturen voor een hoger bedrag dan het bedrag volgens de oorspronkelijke aangifte. De verhoging van het bedrag vloeide immers, gelet op de geldende wettelijke bepalingen, automatisch voort uit de wijziging van de “gekozen” datum waarvoor belanghebbende toestemming had gegeven. De inspecteur mocht in redelijkheid menen dat belanghebbende door de toegestemde wijziging van de datum, in combinatie met het direct daarop volgende verzoek om een betaalbericht te sturen, een aanvulling op haar aangifte heeft willen doen en daarbij akkoord ging met het hogere bedrag dat op aangifte moest worden voldaan.

Dat belanghebbende dit onder protest deed, omdat zij anders kennelijk geen “fiscaal akkoord” kon krijgen, doet daar niet aan af. Immers, de onder 2.3. vermelde werkwijze, waarbij de aangifte niet werd geaccepteerd omdat de “gekozen” datum vóór de datum eerste toelating lag, vloeide voort uit de op dat moment geldende wettelijke bepalingen inzake de toepassing van het historische Bpm-tarief en was dus niet (ernstig) onzorgvuldig. Dat de Hoge Raad in het arrest van 1 mei 2020 (zie 2.8) hierover anders heeft beslist doet daar niet aan af nu dat arrest op het moment van het doen van de aangifte voor de onderhavige auto immers nog niet bekend was.

2.14.

Van belang is tevens dat de inspecteur voor het overige niets aan de aangifte heeft gewijzigd en dat hij zich, gelet op het e-mailverkeer tussen hem en belanghebbende, heeft ingespannen om belanghebbende alsnog zo snel mogelijk een fiscaal akkoord te kunnen verlenen. De rechtbank merkt daarbij overigens op dat de inspecteur zich welwillend heeft opgesteld door via e-mail alsnog een oplossing te zoeken en daarmee tegemoet heeft willen komen aan de tijdnood van belanghebbende om zo spoedig mogelijk een fiscaal akkoord te verkrijgen.

2.15.

De rechtbank is samenvattend van oordeel dat de inspecteur met het sturen van een betaalbericht met een hoger bedrag aan verschuldigde Bpm niet tegen beter weten in en evenmin ernstig onzorgvuldig gehandeld heeft. Dat betekent dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de forfaitaire proceskostenvergoeding rechtvaardigen.

2.16.

De rechtbank stelt de proceskosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.598 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van het hoorgesprek met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). De rechtbank acht geen gronden aanwezig voor een hogere proceskostenvergoeding. De rechtbank neemt het verschijnen ter zitting voor de meervoudige kamer van 27 februari 2019 niet mee in de proceskostenvergoeding voor de onderhavige zaak. Voor deze meervoudige zitting is reeds in vijf uitspraken van zaken die eveneens eerder op die regiezitting zijn behandeld, een vergoeding toegekend van in totaal € 3.702. De rechtbank acht het niet redelijk om daar nogmaals een vergoeding voor toe te kennen.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

2.17.

Belanghebbende heeft ter zitting voor de behandeling voor de enkelvoudige kamer op 25 maart 2021 een verzoek gedaan om toekenning van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift op 6 januari 2017 door de inspecteur is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 8 april 2021 gedaan en dus afgerond 52 maanden na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Nu er geen reden is om van dit uitgangspunt af te wijken, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 28 maanden.

2.18.

De vergoeding bedraagt € 500 per half jaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft derhalve recht op een vergoeding van immateriële schade van afgerond 5 x € 500 is € 2.500.

Voor de verdeling van de schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister van Justitie en Veiligheid (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 7 februari 2018. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 14 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 8 maanden is overschreden. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. De inspecteur dient daarom 8/28e deel van € 2.500 te betalen (€ 714) en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) 20/28e deel van € 2.500 (€ 1.786). De rechtbank merkt de Minister van Justitie en Veiligheid in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Vergoeding griffierecht

2.19.

Belanghebbende heeft tevens recht op vergoeding van het griffierecht.

Deze uitspraak is op 8 april 2021 gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

2 Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.