Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1685

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
C/02/337051 / FA RK 17-5827
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kindvriendelijke overweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg

zaak/rekestnr: C/02/337051 / FA RK 17-5827

beschikking d.d. 8 april 2021

in de zaak van

[de vrouw] (hierna: de vrouw), domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, verzoekster,

advocaat: mr. P.W. Bakkum, gevestigd te Zierikzee,

tegen

[de man] (hierna: de man), wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

advocaat: mr. R. Wouters, gevestigd te Middelburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.

Partijen hebben de navolgende minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op 19 november 2004;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op 1 juni 2006;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op 13 augustus 2008.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

  • -

    de beschikking van 28 augustus 2018;

  • -

    het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 21 juni 2019;

  • -

    het F9-formulier, op 16 juli 2019 ingediend door mr. Bakkum;

  • -

    het F9-formulier, op 23 juli 2019 ingediend door mr. Wouters;

  • -

    de F9-formulieren, op 5 februari 2020 en op 6 juli 2020 ingediend door mr. Bakkum;

  • -

    de afsluitende rapportage van de Ouderschapsbemiddeling, d.d. 27 juli 2020, opgesteld door Juvent;

  • -

    het F9-formulier, op 1 september 2020 ingediend door mr. Bakkum;

  • -

    het F9-formulier, op 8 september 2020 ingediend door mr. Wouters.

1.2

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 4 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn

verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad. De advocaat van de vrouw was ter zitting niet aanwezig.

1.3

Voornoemde minderjarige [minderjarige 3] heeft zijn mening omtrent de zorgregeling op

24 februari 2021 kenbaar gemaakt tijdens een zogenoemd kindgesprek. De rechtbank heeft onder punt 3 een uitleg geschreven van haar beslissing voor de minderjarigen.

2 De verdere beoordeling.

2.1

In geschil is nog de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen.

2.2

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 28 augustus 2018, in welke beschikking partijen zijn verwezen naar Juvent voor ouderschapsbemiddeling in de vorm van oudergesprekken. Daarnaast heeft de rechtbank de Raad verzocht onderzoek in te stellen naar de (on)mogelijkheden van omgangscontacten tussen de minderjarigen en de man, en voorts hoe eventuele belemmeringen voor een goede zorgregeling weggenomen kunnen worden en de rechtbank te adviseren tot welke zorgregeling dit dient te leiden.

2.3

De Raad heeft in zijn rapport d.d. 21 juni 2019 geadviseerd de beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen beide ouders aan te houden voor de duur van zes maanden in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening door Juvent.

2.4

Juvent heeft bij brief d.d. 28 juli 2020 de afsluitende rapportage van de Ouderschapsbemiddeling aan de rechtbank toegezonden.

2.4.1

Juvent stelt dat de doelen met betrekking tot het contact tussen ouders deels zijn behaald en dat ouders aanvullende afspraken hebben gemaakt in het ouderschap. Tot contactherstel tussen de man en de minderjarigen heeft de ouderschapsbemiddeling niet geleid. Juvent stelt dat de inspanningen van de beide ouders in de ouderschapsbemiddeling wellicht wel een proces in gang hebben gezet wat contact tussen de man en (een van) de minderjarige(n) op langere termijn mogelijk maakt.

2.4.2

De zorg van Juvent is dat als de kinderen worstelen met diverse loyaliteiten, dit bepalend en / of belemmerend kan zijn voor de identiteitsontwikkeling. Juvent beschrijft in haar rapportage dat moeder zich klem voelt zitten tussen kinderen en vader. Zij ziet graag dat de kinderen weer met hun vader in contact zijn. Dat wenst ze ook voor vader. Het lukt niet om de kinderen tot contact te stimuleren.

2.4.3

Ten aanzien van vader adviseert Juvent praktische ondersteuning (in de vorm van familie/netwerk) om zijn positie van vader op afstand jegens de minderjarigen vorm te blijven geven, ook zonder dat de minderjarigen naar hem terug reageren, door zelf initiatief te blijven nemen om zich richting de minderjarigen te laten zien en attent op hen te zijn. De zorg van Juvent is dat onverwerkt verlies en rouw en het persoonlijk gemis van de minderjarigen bij de man tot een te grote emotionele druk kan leiden in een toekomstig contact met één of meer van de kinderen.

2.5

De vrouw heeft gesteld dat het traject Ouderschapsbemiddeling niet tot een

gewijzigd inzicht van de minderjarigen ten aanzien van contact met hun vader heeft geleid. De vrouw stelt dat het gezien de weerstand bij de minderjarigen nog steeds niet lukt om de minderjarigen tot contact met hun vader te stimuleren. De minderjarigen hebben geen behoefte aan contact met hun vader. De vrouw verzoekt het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling om die reden thans af te wijzen.

2.6

De man heeft aangegeven het zeer te betreuren dat de bemiddeling van Juvent niet tot contactherstel met de minderjarigen heeft geleid en stelt dat de hulpverlening meer had moeten proberen om hiertoe te komen.

2.7

Naar aanleiding van het vorenstaande heeft de rechtbank een nadere mondelinge behandeling gepland.

2.8.1

Tijdens de mondelinge behandeling is namens de Raad gesteld dat de minderjarigen zonder een duidelijke reden al jarenlang aangeven geen contact met hun vader te willen. De Raad acht het in het belang van de minderjarigen dat met behulp van professionele begeleiding toch nog geprobeerd wordt of enigerlei vorm van contact tussen de minderjarigen en de man tot stand kan worden gebracht. De Raad merkt op dat zij het de kinderen gunt om weer een band op te bouwen met hun vader.

2.8.2

Mocht blijken dat omgang bij de minderjarigen echt niet tot de mogelijkheden behoort, dan zou onder professionele begeleiding een afsluitend gesprek kunnen plaatsvinden tussen de man en de minderjarigen. Zo’n gesprek kan mogelijk in de toekomst ruimte creëren voor nieuw contact tussen de man en de minderjarigen.

2.8.3

De Raad acht daarom een doorverwijzing naar het uniform hulpaanbod (UHA) aangewezen. Mocht de hulpverlening niet goed op gang komen, dan wordt dit gemeld aan de Raad en kan de Raad nader onderzoeken wat de mogelijkheden voor contact zijn.

2.8.4

Voor zover de rechtbank direct een (voorlopige) zorgregeling wil vaststellen, adviseert de Raad enkel een wekelijks telefonisch contact vast te stellen tussen de man en de minderjarigen. Te starten met een tijdsduur per gesprek van circa 10 minuten per kind. De Raad wijst erop dat deze gesprekken in het begin zowel voor de minderjarigen als voor de man ongemakkelijk zullen zijn, omdat de man en de minderjarigen elkaar al lang niet meer hebben gesproken. De Raad geeft aan de vrouw mee dat van de minderjarigen verwacht mag worden dat ze tijdens die telefonische contacten respectvol met hun vader praten, en dat de vrouw naar de minderjarigen moet uitdragen dat zij het van belang vindt dat de minderjarigen en de man van elkaars leven op de hoogte blijven. De Raad acht het voor de minderjarigen van belang dat zij weten wat ze van hun vader mogen verwachten en dat zij uiteindelijk contact met hem kunnen onderhouden, in welke vorm of frequentie dan ook.

De rechtbank overweegt als volgt

2.9

Uit de inhoud van de stukken en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de rechtbank gebleken dat de verhouding tussen partijen wordt gekenmerkt door een jarenlange slechte communicatie aangaande de minderjarigen en dat dit de nodige weerslag heeft op de minderjarigen. De (stilzwijgende) strijd tussen ouders gaat zelfs zo ver dat de kinderen hun vader niet meer willen zien, en daar geen enkele ruimte meer voor laten zien. Zij hebben gekozen voor de moeder. Een dergelijke keuze is veelal een noodsprong, gelet op de onverbrekelijke band tussen kinderen en ouders. Met de Raad en Juvent is de

rechtbank van oordeel dat dit een groot risico is voor het functioneren en de ontwikkeling van de kinderen op sociaal en emotioneel gebied. Het risico bestaat dat zij een negatief zelfbeeld ontwikkelen, wat effect kan gaan hebben op onder andere het zelf aangaan en onderhouden van relaties.

2.10

De rechtbank overweegt dat beide ouders verantwoordelijk zijn voor het tot stand komen van (zorg)contacten tussen de man en de minderjarigen. De tot nu toe ingezette zorg heeft niet tot contact tussen de man en de minderjarigen geleid. De rechtbank acht dit zorgelijk, omdat het ontbreken van ieder contact met hun vader van invloed is op de ontwikkeling van de minderjarigen. Zulks geldt temeer daar beide ouders aangeven niet te weten wat de reden is van de weerstand van de minderjarigen tegen contact met de man. Gebleken is dat partijen nauwelijks overleggen over de minderjarigen. Voor het welslagen van een zorgregeling in de toekomst is het van belang dat partijen gaan communiceren en begrijpen wat hun rol is in het proces en dat zij bovendien hun rol daarin jegens de minderjarigen innemen.

2.11

De vrouw dient naar het oordeel van de rechtbank sterker positie in te nemen richting de minderjarigen. Juist de vrouw is bij uitstek de aangewezen persoon om de minderjaren te stimuleren om contact te hebben met hun vader en het belang daarvan uit te leggen en te bespreken. Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk gebleken dat de vrouw de minderjarigen laat bepalen of zij contact hebben met de man en daarmee samenhangende keuzes laat maken. Zo heeft de man enkel schoolfoto’s van de minderjarigen. De vrouw stuurt de man nooit andere foto’s van de minderjarigen, omdat -zo heeft zij gesteld- de minderjarigen dit niet willen. Voorts heeft de vrouw de man niet binnengelaten in haar woning toen hij een kerstcadeautje kwam brengen voor de minderjarigen, ook omdat de minderjarigen dit niet wilden. De vrouw legt door steeds de wens van de minderjarigen te volgen om ieder contact met hun vader af te houden, teveel keuze en daarmee verantwoordelijkheid bij de minderjarigen. Temeer daar volgens het Raadsrapport de oorzaak van de houding van de minderjarigen jegens de man vooral veroorzaakt is door de scheidingsproblemen tussen de ouders en partijen het erover eens zijn dat de verhouding tussen in ieder geval [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en hun vader tijdens de relatie van ouders goed was.

2.12

De rechtbank is onder die omstandigheden van oordeel dat de minderjarigen gewezen moeten worden op het belang van goed contact met hun vader. Beide ouders moeten daar onverminderd op in blijven zetten, gelet op het belang daarvan voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Partijen zijn niet in staat gebleken om de afgelopen jaren, al dan niet met hulpverlening, daar zelf invulling aan te geven. Zoals tijdens de mondelinge behandeling al met partijen is besproken, is de rechtbank, mede gelet op het advies van de aanwezige raadsmedewerker en gelet op het rapport van Juvent, van oordeel dat ingezet moet worden op een hulpverleningstraject middels het UHA. Daarmee kan de communicatie en/of de samenwerking verbeterd worden, en tegelijkertijd adequate hulpverlening voor de minderjarigen ingezet worden.

Uniform Hulpaanbod

2.13

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank in samenspraak met partijen de met het in te zetten hulpverleningstraject te behalen resultaten bepaald. Bij deze beschikking wordt meegezonden het document “Resultatenlijst hulp en ondersteuning bij verwijzingen” (hierna: de resultatenlijst), waarop de met partijen afgestemde resultaten zijn aangekruist die met het in te zetten hulpverleningstraject behaald moet(en) worden, namelijk:

- ( (gezagdragende) ouder(s) kunnen gezamenlijk afspraken maken en beslissingen nemen die in het belang zijn van het kind;

○ lichte interventie

- kind en (gezagdragende) ouder(s) hebben onbelast contact met elkaar

2.14

Omdat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard hiermee in te stemmen, zal de rechtbank, partijen en de minderjarigen voor een hulpverleningstraject ten behoeve van de hiervoor genoemde resultaten verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Daarbij wijst de rechtbank partijen erop dat deelname aan het hulpverleningstraject weliswaar vrijwillig, maar niet vrijblijvend is. Van partijen wordt een serieuze inspanning verlangd om het traject tot een goed einde te brengen.

2.15

Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen geïnformeerd over de (privacy) aspecten van de doorverwijzing zoals opgenomen in het formulier ‘informatie ouders over voorwaarden verwijzing UHA’ dat partijen ermee instemmen dat de door de woonplaatsgemeente van de minderjarigen aangewezen zorgaanbieder aan de rechtbank rapporteert over het verloop en de resultaten van het zorgtraject als ook dat de rapportage over een niet geslaagd zorgtraject bij de Raad terecht komt en voor de Raad aanleiding kan zijn om advies uit te brengen aan de rechtbank.

2.16

De rechtbank verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk op de familiekamerrol van 7 september 2021, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank de eindrapportage over het verloop en de resultaten van het zorgtraject in te dienen. Nadat de rechtbank de rapportage van het loket heeft ontvangen, zal zij deze binnen 2 weken doorzenden naar de advocaten van partijen en hen in de gelegenheid stellen daarop binnen 2 weken schriftelijk te reageren en daarbij aan te geven of zij een mondelinge behandeling noodzakelijk achten. Indien het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank genoemd loket de eindrapportage tevens tegelijkertijd te zenden naar de Raad, zodat de Raad kan bezien of een onderzoek door de Raad noodzakelijk is.

2.17

De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank te laten weten of zij aanleiding ziet om onderzoek te doen en nader advies uit te brengen. Indien de Raad tot advies besluit dan verzoekt de rechtbank de Raad dit advies uiterlijk binnen 4 maanden na deze kennisgeving, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. Na ontvangst van het advies van de Raad zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen 14 dagen te reageren, waarna een nadere mondelinge behandeling van de zaak – indien gewenst – zal volgen.

2.18

Gelet op het vorenstaande wordt de Raad reeds nu voorwaardelijk verzocht om, indien de eindrapportage van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de navolgende vragen:

  • -

    welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van ieder van de minderjarigen?

  • -

    welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van ieder van de minderjarigen?

  • -

    hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

  • -

    zijn er ten aanzien van ieder van de minderjarigen afzonderlijk contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?

  • -

    in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden

en op welke termijn?

- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

2.19

Ter zitting hebben partijen toestemming gegeven voor het delen van hun bij de rechtbank bekende persoonsgegevens via het “Formulier verwijzing ouders/kind naar hulpverlening” (hierna ook: het verwijzingsformulier) met het loket van de zorgregio, de toegang (van de woonplaatsgemeente van de kinderen), de in te zetten zorgaanbieder en eventueel de Raad. Voorts hebben zij toestemming gegeven voor het verzenden van het verwijzingsformulier met de resultatenlijst (per e-mail) en deze tussenbeschikking (per fax en/of post) naar het loket en vervolgens naar de toegang en de zorgaanbieder.

2.20

In verband met de verwijzing van partijen naar het loket zal de rechtbank de beslissing met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden, teneinde partijen en de minderjarigen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan het noodzakelijk geachte hulpverleningstraject of aan de noodzakelijk geachte zorg.

2.21

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, ziet de rechtbank aanleiding om, totdat anders zal zijn beslist, een voorlopige zorg- en contactregeling vast te stellen, in die zin dat tussen de man en de minderjarigen eenmaal per twee weken een telefonisch contact zal plaatsvinden van circa tien minuten per kind. De exacte tijdststippen van de belcontacten met ieder van de minderjarigen dienen partijen in onderling overleg af te stemmen, rekening houdend met de agenda’s van de minderjarigen. De rechtbank acht het daarbij wel van belang dat partijen voor elke minderjarige een vaste dag en tijdstip afspreken en dat het de man is die op de overeengekomen tijdstippen telefonisch contact opneemt met de minderjarigen. Het staat ouders vrij om deze telefonische contacten uit te bereiden, welke uitbreiding per kind kan verschillen. Van de vrouw wordt verwacht dat zij de minderjarigen op positieve wijze tot het aangaan van de telefonische contacten stimuleert en dat zij benadrukt dat de minderjarigen hun vader op fatsoenlijke en respectvolle wijze te woord moeten staan.

3 Uitleg voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

Jullie hebben aangegeven dat jullie je vader niet meer willen zien. Dat is heftig. Totdat jullie 8, 10 en 12 waren hebben jullie met jullie vader samengeleefd. Ook begreep ik van jullie ouders dat jullie tot de scheiding een fijne tijd hadden samen. Al in 2017 heeft jullie vader de rechtbank verzocht om vast te stellen wanneer jullie elkaar zouden zien.

De rechtbank heeft toen aan de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd om onderzoek te doen naar wat het beste is voor jullie. De conclusie van het onderzoek is dat het voor jullie alle drie belangrijk is om jullie vader te zien. De Raad voor de Kinderbescherming heeft vervolgens geadviseerd om hulp in te schakelen, zodat het mogelijk werd om jullie vader weer te zien. Het is alleen ook de hulpverlening niet gelukt om ervoor te zorgen dat jullie je vader weer willen zien.

De rechtbank heeft gelezen dat jullie een negatief beeld hebben van jullie vader. De indruk is dat dat beeld voornamelijk voort komt uit wat er rondom de scheiding is gebeurd.

Bijvoorbeeld de problemen rondom het huis. Dat is niet goed. Jullie ouders -dus niet alleen

jullie vader, maar ook jullie moeder- hadden jullie buiten de problemen van de scheiding moeten houden. Als een jarenlange liefdevolle relatie eindigt tussen twee volwassenen, brengt dat veel emoties met zich mee. Die emoties mogen echter geen invloed hebben op de relatie die jullie met jullie ouders hebben.

De andere redenen die jullie noemen om jullie vader niet meer te zien staan niet in verhouding tot de gevolgen van jullie beslissing om jullie vader niet meer te zien. Veel mensen hebben onderzoek gedaan waaruit is gebleken dat het voor de ontwikkeling van kinderen van belang is om contact te hebben met beide ouders. Dat is niet zomaar. Het is fijn en goed om te weten waar je vandaan komt, op wie je lijkt, welke karaktertrekken je van papa of mama hebt en wie je familie is. Het blijkt ook dat kinderen na lange tijd daar toch nieuwsgierig naar zijn.

De rechtbank zal daarom bepalen dat jullie 1 keer per 2 weken telefonisch contact hebben met jullie vader. Ieder ongeveer 10 minuten. Na bijna vijf jaar, zal dat best spannend of raar zijn. Wat moet je dan zeggen? Je kent elkaar eigenlijk niet meer. Het is nu heel lastig om de fijne herinneringen van vroeger weer op te halen. De rechtbank vindt het toch belangrijk dat jullie het gaan proberen, niet alleen nu, maar ook voor de toekomst is het belangrijk dat jullie jullie vader weer gaan zien. Het heeft nu al te lang geduurd dat dat niet zo is. Ik heb met jullie ouders afgesproken dat ze jullie daarbij gaan helpen.

4 De beslissing

verwijst partijen en de minderjarigen voor (jeugd)hulpverlening ten behoeve van de hiervoor onder 2.13 genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland;

verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland om uiterlijk op

7 september 2021 PRO FORMA een eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder over het verloop en de resultaten van het zorgtraject in te dienen, zulks met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.16 is overwogen. Binnen twee weken na ontvangst zal de eindrapportage naar de advocaten van partijen worden gestuurd en krijgen zij vervolgens twee weken de tijd om daar schriftelijk op te reageren;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Middelburg, indien de eindrapportage van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, de rechter te adviseren ter beantwoording van de hierboven onder 2.18 vermelde vragen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van zijn rapport en advies aan de advocaten van partijen;

stelt de navolgende voorlopige zorgregeling vast tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op 19 november 2004, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op 1 juni 2006, en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op 13 augustus 2008:

- de man en de minderjarigen zullen eenmaal per twee weken telefonisch contact hebben, zulks met inachtneming van hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 2.21 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitief vast te stellen zorgregeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2021 in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. Dijkwel, griffier. MD

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.