Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1604

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1081 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opleggen last onder dwangsom wegens overtreding van art. 2:74 APV Woensdrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1081 WET VV

uitspraak van 2 april 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S.A.A.P. van Hees,

en

de burgemeester van de gemeente Woensdrecht, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 februari 2021 (bestreden besluit) waarbij de burgemeester hem een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening Gemeente Woensdrecht 2020 (APV). Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van de APV. Daarin is bepaald dat onverminderd het bepaalde in de Opiumwet het verboden is zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Aan het standpunt dat sprake was van een overtreding van deze bepaling, heeft de burgemeester de “Bestuurlijke Rapportage Opsporingsonderzoek” van 28 oktober 2020 ten grondslag gelegd. Daarin is

-samengevat- vermeld dat is geconstateerd dat verzoeker op 20 oktober 2020 op een parkeerterrein in [woonplaats verzoeker] harddrugs heeft verkocht aan een derde.

De burgemeester heeft verzoeker bij het bestreden besluit gelast artikel 2:74 van de APV niet meer te overtreden. Concreet houdt dit in dat verzoeker binnen de gehele gemeente niet op een openbare plaats drugs, in welke vorm dan ook, mag verkopen, leveren, verstrekken of daartoe bij zich mag dragen. De burgemeester heeft aan de last een dwangsom verbonden van € 7.500,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 30.000,-.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Voordat de voorzieningenrechter kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Awb eerst ambtshalve te worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang.

Verzoeker heeft gesteld dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening erin gelegen is dat hij, wanneer het bestreden besluit niet wordt geschorst, een dwangsom kan verbeuren.

Een financieel belang vormt op zichzelf geen reden om een spoedeisend belang aan te nemen en een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan anders zijn als er sprake is van een actuele financiële noodsituatie met voor verzoeker onomkeerbare (financiële) gevolgen. Daarrvan is in het geval van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. De enkele omstandigheid dat verzoeker in de toekomst als hij de last zou overtreden geconfronteerd wordt met verbeurte van de dwangsom, maakt niet dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Verzoeker heeft daarnaast geen andere omstandigheden gesteld en aan de voorzieningenrechter zijn evenmin andere omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

4. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af, wegens het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek wordt niet toegekomen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 2 april 2021, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.