Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1556

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
02-186806-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vormverzuimen, encrochats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-186806-20

vonnis van de meervoudige kamer van 31 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg, locatie Torentijd, te Middelburg,

raadsman mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 maart 2021, waarbij de officier van justitie mr. G. Oosterveld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 18 maart 2021.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met anderen

  1. gedurende een periode van ongeveer een jaar en drie maanden heeft gehandeld in grote hoeveelheden van verschillende soorten harddrugs;

  2. grote hoeveelheden harddrugs aanwezig heeft gehad;

  3. twee pistolen, twee patroonmagazijnen en een hoeveelheid van twee verschillende soorten munitie voorhanden heeft gehad;

  4. een hennepkwekerij heeft gehad en een hoeveelheid hennep voorhanden heeft gehad;

  5. elektriciteit heeft gestolen door middel van braak of verbreking.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende concreet is, zodat het voor verdachte onvoldoende duidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen. De dagvaarding dient ten aanzien van dit feit daarom nietig te worden verklaard.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De wijze waarop dit feit is geformuleerd is de gangbare wijze van formuleren voor dit soort feiten. Uit het dossier blijkt dat verdachte heel goed weet waar de verdenking op ziet. Het verweer moet dan ook worden verworpen.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding, gezien het onderliggende dossier, voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet. Dat verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen volgt uit het dossier, meer in het bijzonder uit een encrochat-gesprek van 12 juni 2020 van verdachte met ‘ [bijnaam 1] ’. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

De dagvaarding is geldig.

3.2

De rechtbank is bevoegd.

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van diverse vormverzuimen en onrechtmatigheden, te weten op het gebied van de start van het onderzoek, de voorlichting van de rechter-commissaris bij het aanvragen van BOB-middelen, actieve informatievergaring voorafgaand aan de start van het onderzoek, handelingen gepleegd toen nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, het digitale onderzoek aan de inbeslaggenomen smartphones en laptops, het ontbreken van alle machtigingen tot tappen en doorzoeking van de woning van verdachte. Sommige van deze vormverzuimen dienen op zichzelf tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie te leiden. In ieder geval dient de stapeling van deze vormverzuimen en onrechtmatigheden hiertoe te leiden, omdat door de vormverzuimen en onrechtmatigheden geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

3.3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat geen sprake is van vormverzuimen.

TCI-informatie wordt altijd veredeld. Dat is gebeurd voordat het proces-verbaal van verdenking is opgemaakt. TCI-informatie is geen bewijsmiddel, maar kan wel een grond vormen om bijzondere opsporingsmiddelen (BOB-middelen) in te zetten. De verdediging heeft recht op het procesdossier. Als de verdediging andere stukken wil ontvangen dan moet zij aantonen dat dat stukken zijn die het verdedigingsbelang onderbouwen.

De tapmachtigingen ontbreken inderdaad, maar als die machtigingen er niet waren geweest, dan zouden de tapbevelen niet zijn verstrekt. Deze bevelen zijn wel opgenomen in het dossier. De aanvragen voor het verstrekken van een tapmachtiging zijn steeds onderbouwd. Als deze onderbouwing onvoldoende is wordt door de rechter-commissaris geen machtiging afgegeven.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende gegevensdragers met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Dat hoeft niet op schrift te staan. Het verstrekken van alles wat in de telefoons wordt aangetroffen gebeurt zelden, alleen wat relevant is wordt in het dossier opgenomen. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd dat er bewust ontlastende informatie is achtergehouden.

Voor wat betreft de aanwezigheid van de rechter-commissaris bij de doorzoeking van de woning van verdachte is het zo dat de rechter-commissaris de doorzoeking telefonisch heeft geopend en gesloten. Nergens staat dat de rechter-commissaris fysiek bij de doorzoeking aanwezig moet zijn. Niet is gebleken dat de verdediging is geschaad door de fysieke afwezigheid van de rechter-commissaris.

Het Unierecht is niet van toepassing op het gebruik van de encrochat-berichten zoals die zijn veiliggesteld. Het vertrouwensbeginsel is het uitgangspunt. Zou er al sprake zijn van onrechtmatigheden in het Franse onderzoek dan is er geen sprake van onrechtmatig handelen jegens verdachte.

Als de rechtbank al vormverzuimen aan zou nemen dan leidt dat alleen in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank

  1. De start van het onderzoek, en

  2. De voorlichting van de rechter-commissaris in aanvragen voor BOB-middelen

De verdediging heeft kortgezegd aangevoerd dat er vóór het op één dag ontvangen van twee processen-verbaal van de TCI over ‘ [verdachte] uit [adres 2] ’ die betrokken is bij handel in cocaïne, voorbereidend onderzoek moet hebben plaatsgevonden naar verdachte om te kijken of tegen hem een opsporingsonderzoek opgestart kon worden. Informatie over dit voorbereidend onderzoek zit niet in het dossier, zodat de start van het onderzoek niet getoetst kan worden, aldus de verdediging. Stukken betreffende zo’n onderzoek kunnen worden aangemerkt als processtukken, en in strijd met artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de verdediging geen inzage verleend in die processtukken. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat zich in de ontbrekende resultaten van ingezette BOB-middelen ontlastende informatie zou moeten bevinden. Omdat deze stukken ontbreken zijn de rechtbank en de rechter-commissaris bij de aanvragen voor BOB-middelen onvolledig geïnformeerd. Vanwege het onvolledig informeren van de rechter-commissaris bij het aanvragen van BOB-middelen dienen alle resultaten die zijn verkregen door de inzet van BOB-middelen die zijn verricht met een machtiging van de rechter-commissaris te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat op één dag door het TCI twee processen-verbaal worden verstrekt over ‘ [verdachte] uit [adres 1] ’ die betrokken is bij de handel in cocaïne, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat sprake moet zijn geweest van een voorbereidend onderzoek naar verdachte. Wel is het zo dat TCI-informatie wordt veredeld, wat inhoudt dat naar aanleiding van informatie die bij het TCI bekend wordt enig onderzoek plaatsvindt naar de betrouwbaarheid daarvan voordat het in een proces-verbaal wordt gerelateerd.

Als er al een voorbereidend onderzoek zou hebben plaatsgevonden dan zouden stukken daarvan wel stukken kunnen zijn die als processtuk zouden kunnen worden aangemerkt, waarbij dan de toets is of zij van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv. Van het bestaan van dergelijke stukken in dit onderzoek is onvoldoende gebleken, zodat niet kan worden gesproken van een schending van artikel 30 Sv.

Door de verdediging is niet nader geconcretiseerd welke ontlastende informatie zich zou moeten bevinden in ontbrekende resultaten en op grond van welke BOB-middelen die resultaten verkregen zouden zijn. Uiteindelijk wordt door middel van de inzet van BOB-middelen immers inzicht verkregen in het handelen van verdachte, en is verdachte zelf daarom bij uitstek degene die kan aangeven welke ontlastende informatie uit de resultaten van de inzet van die BOB-middelen zou moeten blijken. De rechtbank kan bij gebrek aan concrete informatie niet toetsen of sprake zou kunnen zijn van het ontbreken van stukken die van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.

De rechtbank kan aldus niet tot het oordeel komen dat de rechtbank of de rechter-commissaris onvoldoende zouden zijn geïnformeerd. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging onder A en B aangevoerde onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat sprake is van een vormverzuim of onrechtmatigheid. De rechtbank ziet in het aangevoerde dan ook geen grond voor niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting.

Actieve informatievergaring en

Redelijk vermoeden van schuld

Door de verdediging is aangevoerd dat voorafgaand aan de start van het onderzoek op

13 augustus 2019 actief informatie is vergaard over verdachte, zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De politiesystemen zijn doorzocht, antecedenten zijn opgevraagd, er is onderzoek gedaan naar zijn contacten en naar de scooter van zijn vader, en collega-agenten is om informatie of commentaar gevraagd.

De verdediging heeft voorts betwist dat op basis van de onder C bedoelde informatie een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan. Uit de verklaring van [naam 2] kan niet worden afgeleid dat verdachte betrokken is bij de handel in cocaïne, zodat in die verklaring geen bevestiging kan worden gevonden van de TCI-informatie op dat punt. Het signalement klopt niet met dat van verdachte en de vader van verdachte heeft een zwarte Piaggio scooter zonder scherm, geen blauwe met scherm. Verder blijkt uit de mutatie van 14 juni 2019 niet van een verdachte situatie. Mogelijk criminele contacten met [naam 1] worden daarmee in ieder geval niet bevestigd, en daarmee is er geen bevestiging van de TCI-informatie.

De verdediging concludeert dat voorafgaand aan de start van het onderzoek tot in ieder geval 17 september 2019 sprake is van onrechtmatige actieve informatievergaring jegens verdachte, omdat het redelijk vermoeden van schuld ontbreekt. De resultaten van deze onrechtmatige wijze van informatie verzamelen mogen niet meewerken tot het bewijs, waardoor vrijspraak voor alle feiten dient te volgen.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat voorafgaand aan de start van het opsporingsonderzoek op 13 augustus 2019 naar aanleiding van de op 24 juni 2019 ontvangen TCI-informatie onderzoek is gedaan in de politiesystemen, waar als resultaat uit is gekomen een verklaring afgelegd door [naam 2] , een proces-verbaal van bevindingen over verdachte en [naam 1] op 14 juni 2019 en de antecedenten van verdachte. Niet duidelijk is of dit onderzoek is verricht in het kader van veredeling van de TCI-informatie of dat dit daarop aanvullend onderzoek is. In ieder geval betreft het informatie die al in de politiesystemen aanwezig was en waar de politie dus al over kon beschikken en die door het specifiek bevragen van de politiesystemen inzichtelijk is gemaakt.

Door verbalisanten is aan de hand van de verklaring van [naam 2] nagegaan wie de in zijn verklaring genoemde personen zijn. Dit onderzoek is neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt op 1 augustus 2019. Onder die personen is verdachte. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdediging dit onderzoek bedoeld heeft waar zij naar voren heeft gebracht dat collega-agenten om informatie of commentaar is gevraagd. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit onderzoek dat dit niet specifiek gericht was op verdachte, maar evengoed op andere door [naam 2] genoemde personen. De informatie die in dit onderzoek over verdachte naar voren komt is al bekend, namelijk zijn naam, geboortedatum en -plaats en adres. De informatie dat op de naam van de vader van verdachte een Piaggio is geregistreerd, met gegevens over die Piaggio, is blijkens het proces-verbaal afkomstig van de RDW.

Onderzoek naar de contacten van verdachte werd verricht na de start van het onderzoek, zodat de rechtbank dit onderdeel van het onderzoek niet bij dit verweer zal betrekken.

In het door de verdediging aangehaalde arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6031) werd naast het doorzoeken van de politiesystemen ook informatie over de betreffende verdachte opgevraagd bij diverse overheidsdiensten die beschikken over privacygevoelige informatie, zoals de Belastingdienst en het CJIB, en ook werd informatie opgevraagd bij de RDW over eventuele MOT-meldingen. Van dergelijk onderzoek in de fase voorafgaand aan die van opsporing heeft het hof bepaald dat dit vanwege de inbreuk die dit maakt op de fundamentele rechten van burgers niet kan plaatsvinden zonder wettelijke grondslag, en dat daarom in dat geval sprake moest zijn van een redelijk vermoeden van schuld voordat dat onderzoek had mogen worden verricht.

In het geval van verdachte, waar ten aanzien van hem alleen de politiesystemen zijn doorzocht en ten aanzien van zijn vader informatie is opgevraagd bij de RDW, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat aldus inbreuk is gemaakt op fundamentele rechten van verdachte. Een redelijk vermoeden van schuld was voor het opvragen van de verkregen informatie daarom niet nodig.

In de opgevraagde informatie kon naar het oordeel van de rechtbank ondersteuning voor de verkregen TCI-informatie worden gezien, in ieder geval voor de TCI-informatie zoals die is opgenomen op pagina 40 van het dossier. Hoewel het signalement dat [naam 2] geeft van [verdachte] op sommige elementen wellicht niet helemaal passend is, sluit het signalement verdachte ook zeker niet uit. Uit de informatie van de RDW blijkt dat verdachte de beschikking heeft over een Piaggio scooter, die weliswaar zwart is, maar waarvan niet ondenkbaar is dat de kleur door een getuige zou worden omschreven als donkerblauw, gelet op de door de verdediging overgelegde kleurenfoto van de scooter. Een scherm kan op die scooter zonder veel moeite bevestigd en eraf gehaald worden. Bovendien blijkt uit diverse Wickr- en encrochat-gesprekken van verdachte dat hij zelf met een scooter drugs bezorgt.

De TCI-informatie betreffende een crimineel contact tussen verdachte en [naam 3] ziet de rechtbank in het proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2019 onvoldoende bevestigd. Veel later in het onderzoek is pas onderzoek gedaan naar mogelijke telefonische contacten tussen verdachte en [naam 3] . Uit dit onderzoek is daarvan niet gebleken. Deze TCI-informatie is dus ook later niet bevestigd.

De veredelde TCI-informatie zoals weergegeven op pagina 40 (“ [verdachte] uit [adres 2] handelt in cocaïne. Hij verkoopt aan straatdealers in Terneuzen, Sas van Gent en België”) in combinatie met de bevestiging die daarvoor is gevonden in de verklaring van [naam 2] vormt naar het oordeel voldoende grond om een opsporingsonderzoek te starten.

De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging onder C en D aangevoerde onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat sprake is van een vormverzuim of onrechtmatigheid, en daarmee geen grond om tot bewijsuitsluiting te beslissen.

Digitaal onderzoek aan smartphones en laptops

– Algemene overweging

Politie en justitie mogen in het kader van een opsporingsonderzoek privacygevoelige informatie verzamelen. Artikel 8 EVRM biedt daarvoor ook ruimte. De bevoegdheid tot het doen van onderzoek aan (of in) een inbeslaggenomen voorwerp, ligt besloten in de bevoegdheid tot inbeslagneming zelf. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen om gegevens voor het strafrechtelijke onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd. Dat geldt ook voor gegevens die zijn opgeslagen in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, zoals een smartphone. Onderzoek van die gegevens kan onder omstandigheden echter vragen oproepen over de verhouding tot het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM. Hierover heeft de Hoge Raad zich op 4 april 2017 uitgelaten. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 94, in verbinding met de artikelen 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens.

Indien het onderzoek aan (of in) een inbeslaggenomen voorwerp zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen. Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling, overwoog de Hoge Raad – kort gezegd – dat indien het onderzoek na inbeslagneming een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, onderzoek door de officier van justitie en de rechter-commissaris in de rede ligt. Daarbij valt – in het licht van artikel 8 EVRM – wat betreft onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken aan gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ingrijpend zal zijn.

- De telefoon van [naam 4]

Door de verdediging is betoogd dat de politie medeverdachte [naam 4] op 26 mei 2020 als verdachte heeft gehoord zonder aanwezigheid van zijn raadsman. [naam 4] heeft in dat verhoor de toegangscode van zijn mobiele telefoon gegeven. De dag erna heeft [naam 4] – wederom zonder aanwezigheid van zijn raadsman – het wachtwoord van Wickr en toestemming om in zijn telefoon te kijken gegeven. Bij zijn aanhouding op 13 november 2019 gebeurde hetzelfde. Vervolgens is volgens de verdediging de telefoon van [naam 4] met toestemming van de officier van justitie gekopieerd en werden de gegevens ervan inzichtelijk en doorzoekbaar gemaakt. Hierdoor is volgens de verdediging sprake van een schending van artikel 6 EVRM (Salduz), waarbij de rechtbank begrijpt dat dit het recht van medeverdachte [naam 4] betreft. De Schutznorm is ten aanzien van medeverdachte [naam 4] specifiek niet van toepassing, ingevolge de uitspraak Günner van het EHRM.

De rechtbank overweegt dat de verdediging niet onderbouwd heeft waarom de Schutznorm in het geval van een Salduz-schending ten aanzien van medeverdachte [naam 4] niet van toepassing zou zijn, zodat dit deel van het verweer wordt verworpen. De ter zitting ingenomen stelling van de verdediging dat medeverdachte [naam 4] beperkt is in zijn intellectuele vermogens is ook niet onderbouwd en vindt geen steun in het dossier.

De rechtbank merkt op dat bij de eerste zoekslag in de telefoon van medeverdachte [naam 4] sprake was van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Blijkens het proces-verbaal van het verhoor op 13 september 2019 blijkt dat – met toestemming van [naam 4] – enkel (een deel van) de fotogalerij (ten aanzien van een bepaalde datum en gebeurtenis) en de Whatsapp (wederom specifiek ten aanzien van het al dan niet sturen van een bepaalde foto) is bekeken.

In onderzoek aan de telefoon van medeverdachte [naam 4] die op 26 mei 2020 in beslag is genomen zijn de contacten en afbeeldingen bekeken, alsmede berichten in de apps WhatsApp en Wickr. In het proces-verbaal van bevindingen van dit onderzoek zijn negen contacten en Whatsapp-gesprekken met vier contacten opgenomen. Over de app Wickr is opgenomen dat daarin één contact zichtbaar is en dat is ‘ [bijnaam 2] ’, de gebruikersnaam van verdachte in Wickr. Hoewel dit onderzoek meer omvat dan het onderzoek aan de telefoon in september 2019 zou met dit onderzoek nog steeds gesproken kunnen worden van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Er is geen sprake van onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek blijkt dat de telefoon is onderzocht met toestemming van de officier van justitie. Nu niet voorzienbaar was dat het onderzoek een ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormen was toestemming van de rechter-commissaris niet vereist.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van schending van de artikelen 6 en 8 EVRM.

- De telefoons van [naam 5]

De verdediging heeft aangevoerd dat op 23 april 2020 en 26 mei 2020 de telefoons van medeverdachte [naam 5] in beslag zijn genomen. De telefoons zijn met het programma Cellebrite gekopieerd, veiliggesteld en inzichtelijk gemaakt en doorzocht op Whatsapp, Wickr, Snapchat, Instagram en notities. Het onderzoek aan de mobiele telefoons was de directe aanleiding voor de doorzoeking van de woning van (de ouders van) verdachte.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek aan de telefoon van [naam 5] die op 23 april 2020 in beslag is genomen is te typeren als een onderzoek dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Het onderzoek was gericht op het achterhalen van navigatie-gegevens, communicatie op social media, contactpersonen, foto’s op telefoon danwel foto’s in een cloud, voor zover de informatie gerelateerd kon zijn aan de handel in verdovende middelen. In het proces-verbaal van bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen drie contacten en Wickr-gesprekken tussen [naam 5] en drie verschillende personen – waaronder verdachte en [naam 6] – en enkele notities uit de periode 1 maart 2020 tot en met 22 april 2020.

Hetzelfde geldt voor het onderzoek aan de telefoon van [naam 5] die op

26 mei 2020 in beslag was genomen. Ook hier is sprake van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De telefoon is doorzocht op informatie die gerelateerd kon zijn aan de handel in verdovende middelen. In het proces-verbaal van bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen negen contacten, drie WhatsApp-gesprekken en enkele gesprekken tussen [naam 5] en drie verschillende personen in de app Wickr, waaronder verdachte en [naam 6] .

De rechtbank is van oordeel dat voor de onderzoeken aan beide telefoons gelet op het beoogde onderzoek aan de telefoon niet op voorhand was te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ingrijpend zou zijn, zodat voor het onderzoek kon worden volstaan met toestemming van de officier van justitie. Dat deze toestemming er was blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek aan de telefoon. De rechtbank is van oordeel dat daarom ook ten aanzien van de onderzoeken aan deze telefoons niet gezegd kan worden dat daarmee sprake is van een schending van de artikelen 6 en 8 EVRM.

- De telefoons van [naam 7] , [naam 8] en [naam 9]

De verdediging heeft aangevoerd dat de telefoons van [naam 7] in beslag zijn genomen op 19 mei 2020. Deze zijn op 27 mei 2020 onderzocht, waarbij de hele inhoud is gekopieerd, veiliggesteld en inzichtelijk gemaakt. In ieder geval zijn Whatsapp, Wickr en Snapchat doorzocht en contacten bekeken. Hetzelfde geldt voor de telefoon van [naam 8] en [naam 9] , aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onderzoek aan de telefoon van [naam 7] die op 19 mei 2020 in beslag is genomen dat uit het proces-verbaal van bevindingen van dit onderzoek blijkt dat het onderzoek zich heeft gericht op gesprekken, berichten of andere opgeslagen informatie die betrekking (kunnen) hebben op de handel in verdovende middelen, specifiek betrekking hebbend op het feit waarvoor hij op 1 mei 2020 was aangehouden, te weten het verkopen van 500 gram amfetamine. In het proces-verbaal zijn twee contacten opgenomen die betrekking kunnen hebben op dit feit en zijn opgenomen een WhatsApp-bericht van 10 mei 2020 van [naam 9] en een Wickr-gesprek tussen [naam 7] en [naam 9] in de periode van 16 mei 2020 tot en met 19 mei 2020.

De rechtbank is van oordeel dat dit onderzoek een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [naam 7] oplevert. Het onderzoek is verricht met toestemming van de officier van justitie. Hetgeen ten aanzien van [naam 7] is overwogen geldt ook voor de telefoon van medeverdachte [naam 9] . Het onderzoek heeft zich gericht op gesprekken, berichten of andere opgeslagen informatie die betrekking (kunnen) hebben op de handel in verdovende middelen en is verricht met toestemming van de officier van justitie. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging ten aanzien van deze onderzoeken.

De rechtbank overweegt dat van inbeslagname of doorzoeking van de telefoon van [naam 8] het dossier geen melding geeft, zodat het verweer voor zover het (de telefoon van) [naam 8] betreft verworpen wordt.

- Onderzoek aan de telefoons en de laptop in beslag genomen onder verdachte

De verdediging heeft betoogd dat de computer en diverse telefoons van verdachte zijn doorzocht, en in sommige gevallen de volledige gegevens zijn gekopieerd met het programma Cellebrite, opgeslagen, inzichtelijk en doorzoekbaar gemaakt. Hierdoor is het hele leven van verdachte van de afgelopen jaren bekend bij de politie. De rechter-commissaris had hierin tevoren gekend moeten worden, aldus de verdediging, nu voorzienbaar was dat de inbreuk op de privacy van verdachte en genoemde anderen zeer groot zou zijn.

De rechtbank acht aannemelijk dat, gezien het kopiëren, opslaan en (digitaal) doorzoeken van de diverse gegevensdragers van verdachte, een meer dan beperkte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer is gemaakt. Daarom ligt in beginsel onderzoek door de officier van justitie of de rechter-commissaris in de rede. Ten aanzien van alle telefoons en de laptop van verdachte is door de officier van justitie toestemming gegeven deze te doorzoeken, waarbij een beperking is aangebracht met betrekking tot de reikwijdte van de zoekactie, namelijk informatie die gerelateerd kan worden aan de handel in verdovende middelen. De gesprekken en foto’s die door de officier van justitie in het dossier zijn opgenomen zijn – met uitzondering van het grootste gedeelte van de whatsappgesprekken van verdachte met zijn vriendin – relevant voor de ten laste gelegde feiten. Dat – gezien de beperking tot het zoeken naar informatie die gerelateerd kan worden aan de handel in verdovende middelen – met het onderzoek aan de gegevensdragers een volledig beeld van het leven van verdachte is verkregen, is daarom niet gebleken, noch aannemelijk gemaakt. De rechtbank verwerpt het verweer en zal waar nodig de informatie uit de betreffende gegevensdragers gebruiken voor het bewijs.

- Schutznorm

De verdediging heeft aangevoerd dat vanwege de betoogde vormverzuimen of onrechtmatigheden in de onderzoeken aan telefoons van medeverdachten in dit onderzoek de Schutznorm niet van toepassing is, omdat sprake is van een inbreuk op rechtens te respecteren belangen van verdachte en de handelingen zijn geschied in het kader van de strafzaak Apliet en mede tot doel hadden eventuele communicatie met verdachte bloot te leggen. De vormverzuimen of onrechtmatigheden dienen daarom gevolgen te hebben in de zaak tegen verdachte.

De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat geen sprake is van vormverzuimen of onrechtmatigheden betreffende de onderzoeken aan de telefoons van medeverdachten, zodat het verweer betreffende de Schutznorm verder geen bespreking behoeft.

Encrochats

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de encrochats niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Zij onderbouwt deze stelling met twee argumenten: het eerste ziet op de in beslag genomen PGP-telefoon. Daar ontbreekt de chain of evidence en kan niet worden vastgesteld dat de opgenomen berichten van die telefoon afkomstig zijn (en daarmee mogelijk van verdachte). Als tweede werpt de verdediging de vraag op of de Encro-hack en het opslaan en gebruiken van de uit de Encro-hack afkomstige encrochats toelaatbaar is. Volgens de verdediging valt het bewaren en gebruiken van de encrochats door de Nederlandse autoriteiten onder het Unierecht, primair richtlijn 2002/58 en subsidiair richtlijn 2016/680, en is het bewaren en gebruiken van die informatie (de rechtbank begrijpt: in het onderzoek 26Lemont) – die dan weer heeft geleid tot het verkrijgen van de encrochats in de zaak van verdachte (het onderzoek Apliet) – onrechtmatig. Een eventueel oordeel van de rechtbank dat zij niet toekomt aan het toetsen van het onderzoek 26Lemont is in strijd met een effectief rechtsmiddel. Omdat verdachte volgens het OM gebruiker is van Encrochat, heeft hij het recht de geldigheid van de Encro-hack te doen toetsen ex artikel 359a Sv en staat het feit dat dat een ander voorbereidend onderzoek betreft (namelijk 26Lemont) hieraan niet in de weg. Mocht de rechtbank anders oordelen, dan legt het Unierecht de rechtbank alsnog de plicht op te reageren op de onrechtmatigheid, gecombineerd met de zeer vergaande inbreuk op het recht van privacy en vertrouwelijke communicatie van verdachte. Dit heeft bovendien vergaande invloed op de vrijheid van meningsuiting en de opsporing en vervolging van strafbare feiten in Nederland.

Mocht de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting van de encrochats besluiten, dan doet de verdediging een verzoek hierover prejudiciële vragen te stellen.

De rechtbank overweegt dat het betoog van de verdediging uitvoerig is en in diverse deelargumenten uiteen valt. De rechtbank zal hieronder eerst kort uiteenzetten hoe de encrochats vanuit Frankrijk in Nederland zijn gekomen (onderzoek 26Lemont), vervolgens hoe zij in het onderzoek betreffende verdachte (onderzoek Apliet) terecht zijn gekomen – waarbij ook aandacht wordt besteed aan het deel van de encrochats dat niet via het onderzoek 26Lemont, maar via de bij verdachte aangetroffen PGP-telefoon in het dossier is gekomen – en tot slot de toepassing van het Unierecht op de geschetste gang van zaken.

- Algemeen

In de brief van het Landelijk Parket die is bijgevoegd bij de encrochats wordt uitgelegd op basis van welke juridische grondslag het bewijsmateriaal van de PGP-telefoons van klanten van Encrochat in het dossier is terechtgekomen. Hieruit komt de volgende gang van zaken naar voren.

Op grond van een Frans strafrechtelijk onderzoek zijn het bedrijf Encrochat en de natuurlijke personen die daaraan gelieerd zijn onderzocht. Tijdens dit onderzoek in Frankrijk zijn strafvorderlijke bevoegdheden ingezet. Er is door middel van een interceptiemiddel inzicht en informatie verkregen over de communicatie die is gedeeld op het Encrochat-forum. De Franse politie heeft onder gezag van de Franse officier van justitie, na machtiging van een Franse rechter, het interceptiemiddel ingezet. Omdat in Nederland een soortgelijk strafrechtelijk onderzoek is opgestart, is een Joint Investigation Team (hierna: JIT) opgericht door Nederland en Frankrijk. Het JIT richt zich op onderzoek van de verdenking rondom Encrochat en de personen die hiervan gebruik maken. In de JIT-overeenkomst is, zoals gebruikelijk, overeengekomen dat alle informatie en bewijsmiddelen die ten behoeve van het JIT worden vergaard worden gevoegd in een gezamenlijk onderzoeksdossier.

Voorafgaande aan de fase van interceptie is binnen het Nederlands strafrechtelijk onderzoek 26Lemont onder ogen gezien dat de interceptie ook informatie zou (kunnen) opleveren, die direct afkomstig was van klanten en medewerkers van Encrochat die zich in Nederland bevonden. Binnen het onderzoek 26Lemont is door het Openbaar Ministerie geoordeeld dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van gebruikers in Nederland van Encrochat-telefoons voorzienbaar was. Er is daarom zekerheidshalve besloten om naast de rechterlijke machtiging in Frankrijk, waar de informatie werd vergaard, de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Nederlandse gebruikers eveneens ter toetsing voor te leggen aan een Nederlandse rechter-commissaris, om die inbreuk te toetsen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en de aanwezigheid van een wettelijke grondslag.

Dit heeft ertoe geleid dat een vordering ex artikel 126uba van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan de rechter-commissaris is voorgelegd. De rechter-commissaris heeft, na toetsing aan dat artikel en de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, op 27 maart 2020 die (algemene) machtiging verleend met daarin bepaalde nadere kaders met waarborgen ten aanzien van de personen van wie en waarover data ontvangen zouden worden. Met inachtneming van die kaders zijn de verzamelde gegevens door de Nederlandse opsporingsambtenaren geanalyseerd. Indien daaruit informatie naar voren kwam die is gedeeld met een ander strafrechtelijk onderzoek is daarvoor eerst toestemming gevraagd aan de rechter-commissaris, waarna de zaaksofficieren van justitie in de zaak 26Lemont de informatie deelden met de zaaksofficier van dat betreffende onderzoek (op grond van artikel 126dd Sv).

Ten tijde van het indienen van de vordering ex artikel 126uba Sv is een lijst van Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken naar georganiseerde misdaadverbanden overgelegd, waarvan bekend was dat gebruik werd gemaakt van toestellen in Nederland. Ten aanzien van deze lijst heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven om relevante data uit 26Lemont te delen met die andere strafrechtelijke onderzoeken. Tevens is de informatie over de georganiseerde criminaliteit, die na analyse van de Franse informatie en de daarbij gehanteerde zoeksleutels later in beeld is gekomen, ook voorgelegd aan de rechter-commissaris ter toetsing aan diens machtiging. Het toevoegen van deze later bekend geworden informatie aan in Nederland lopende strafrechtelijke onderzoeken is eveneens als rechtmatig beoordeeld.

- Het vertrouwensbeginsel

Ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere EVRM lidstaat, is de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels.

Het vertrouwen dat de EVRM lidstaat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van die staat brengt voorts mee dat niet ten toets staat van de Nederlandse strafrechter of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Daarbij neemt de Hoge Raad tevens in aanmerking dat (i) gelet op de rechtspraak van het EHRM aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd en (ii) het in de Nederlandse strafzaak niet ten toets staande buitenlandse recht van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een dergelijke inbreuk.

- Onderzoek Apliet

Op 26 mei 2020 is bij de doorzoeking bij (de ouders van) verdachte op zijn nachtkastje een PGP-telefoon aangetroffen. PGP staat voor Pretty Good Privacy. Uit het onderzoek van het NFI blijkt dat de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 2] ’ gekoppeld is aan chatgesprekken die met dat toestel zijn gevoerd. Ten aanzien van de verschillende IMEI-nummers die aan verdachte worden toegeschreven, oordeelt de rechtbank als volgt. De eerste twee IMEI-nummers die de verdediging aanhaalt (IMEI-nummers [IMEI] zijn van een in een eerder onderzoek in 2018 bij verdachte aangetroffen PGP-telefoon, en derhalve niet relevant voor dit onderzoek. De overige IMEI-nummers worden genoegzaam verklaard door de werking van de PGP-telefoon van verdachte (met een dual SIM modus: IMEI-nummers [IMEI] ), de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 2] ’ (IMEI-nummer [IMEI] ), het wisselen van PGP-telefoon tussen 7 en 12 april 2020 (IMEI-nummer [IMEI] en uiteindelijk de nieuwe telefoon met gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 1] ’ op 10 juni 2020 (IMEI-nummer [IMEI] ). Bij de nummers die verbonden zijn aan de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 2] ’ veranderen enkel de zogenaamde SNR cijfers (de tweede serie van totaal 6 cijfers) en het controlecijfer, zodat daarmee het verband tussen de diverse nummers en de gebruiker van de encrochat is gegeven. Gezien de inhoud van de gesprekken die door ‘ [gebruikersnaam 2] ’, en later ‘ [gebruikersnaam 1] ’, met diverse andere gebruikers zijn gevoerd heeft de rechtbank geen twijfel dat het de telefoon van verdachte betreft die door het NFI is onderzocht. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de encrochat gebruikersnaam uniek is (maar wel overgezet kan worden naar een andere telefoon), in de zin dat geen twee Encrochat-gebruikers dezelfde naam kunnen voeren.

Op 21 juli 2020 heeft de officier van justitie van het Landelijk Parket in de zaak 26Lemont, op grond van artikel 126dd Sv, bepaald dat gegevens die zijn vergaard tijdens het onderzoek 26Lemont kunnen worden gebruikt in het onderzoek Apliet. De zaaksofficier van justitie heeft deze encrochats vervolgens aan onderhavig dossier laten toevoegen.

Uit het verweer van de verdediging valt op te maken dat zij stelt dat met het overbrengen van de encrochats naar Nederland het recht van de Encrochat-gebruikers, onder wie verdachte, op de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) is geschonden. Door die schending zou ook het recht van verdachte op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) zijn geschonden.

De rechtbank deelt die conclusie van de verdediging niet. Daarvoor is allereerst van belang dat politie en justitie in het kader van hun werkzaamheden privacygevoelige informatie mogen verzamelen, zoals hierboven reeds is overwogen. Verder is van belang dat de rechter-commissaris in zijn machtiging van het gebruik van de encrochats uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de rechten van andere Encrochat-gebruikers en specifiek met artikel 8 EVRM. Het verstrekken van alle encrochats aan Nederland in het algemeen levert daarmee geen schending op de van grondrechten van verdachte in het kader van de artikelen 6 en 8 EVRM. Voor zover de rechtbank het argument van de verdediging inzake de Schutznorm zo moet opvatten dat de Schutznorm niet van toepassing is, omdat door de wijze van de Encro-hack waarbij van alle gebruikers van Encrochat de communicatie is opgenomen, opgeslagen en bekeken, en zij allen verdachte werden in het onderzoek inzake 26Lemont en dit daarom te gelden heeft als voorbereidend onderzoek naar de verdachten in Apliet, is deze stelling onvoldoende onderbouwd.

Door het Landelijk Parket zijn ook specifieke encrochats met verdachte in verband gebracht. Het enkele feit dat (ook) die berichten door de Franse autoriteiten aan Nederland zijn verstrekt, maakt niet dat daarmee sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op de rechten van verdachte. Daarvoor is ook van belang dat die berichten in Apliet pas toegankelijk werden nadat de rechter-commissaris daarvoor toestemming had gegeven. Dat gebeurde immers pas nadat de PGP-telefoon bij verdachte was aangetroffen waardoor de encrochat-gebruikersnaam van verdachte bekend werd. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat door middel van de encrochats van verdachte alleen chatgesprekken van een relatief korte periode onderzocht zijn, waardoor geen sprake is van een ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Voor een uitgebreidere toets naar de gang van zaken in de zaak 26Lemont is naar het oordeel van de rechtbank gezien het vertrouwensbeginsel geen ruimte.

- Het “Unierecht” en de encrochats

Door de verdediging is betoogd dat het Unierecht de lidstaten extra waarborgen verplicht die in het geval van de Encro-hack en het verwerken (en/of bewaren /gebruiken) van de encrochats zijn geschonden, met name Richtlijn 2002/58/EG. Richtlijn 2002/58/EG ziet op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap (artikel 3 lid 1). De Nederlandse opsporingsautoriteiten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als leverancier van openbare elektronische-communicatiediensten bestempeld worden. Bovendien is de richtlijn niet van toepassing op “de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied” (artikel 1 lid 3 richtlijn 2002/58/EG). De rechtbank stelt vast dat het verwerken (of bewaren en gebruiken) van de encrochats door het OM en de politie niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58/EG valt. De door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (Digitial Rights, Tele2, Ministerio Fiscal, Privacy International en La Quadrature du Net), mist derhalve toepassing voor zover het richtlijn 2002/58/EG betreft.

Subsidiair stelt de verdediging dat richtlijn 2016/680 grond biedt om het verwerken van de encrochats binnen de werkingssfeer van het Unierecht te brengen. Die richtlijn ziet naar het oordeel van de rechtbank wel op de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten en bovendien specifiek op het – kort gezegd – strafrechtelijk onderzoek. De implementatie van die richtlijn is 13 maart 2019 door Nederland voltooid. Hiertoe heeft de wetgever wijzigingen aangebracht in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daaronder vallende besluiten. Zoals de officier van justitie heeft betoogd dient deze implementatiewetgeving wel in overeenstemming te zijn met de richtlijn die geïmplementeerd wordt en meer in het algemeen – zoals voor alle wetgeving geldt – met de grondrechten van inwoners van de lidstaten.

De verdediging stelt zich vervolgens op het standpunt dat ook als het verwerken van de encrochats onder de werkingssfeer van richtlijn 2016/680 valt, de rechtbank de toets afgeleid uit de toepassing van richtlijn 2002/58 door het Hof van Justitie moet toepassen op de beoordeling van de rechtmatigheid van het verwerken (of bewaren / gebruiken) van de encrochats. De reden die de verdediging hiervoor aanvoert, is dat anders de rechtmatigheid – als die toets in het “primaire” onderzoek (26Lemont) niet heeft plaatsgevonden – nooit meer getoetst kan worden. Dan ontbreekt het de verdediging aan een effectief rechtsmiddel, hetgeen een schending is op zich.

Deze redenering volgt de rechtbank niet. De in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie ontwikkelde en uitgewerkte toets gaat specifiek over de eisen die door richtlijn 2002/58 worden gesteld. Deze richtlijn is hier niet van toepassing. De verdediging onderbouwt vervolgens ook niet waarom het verwerken (of bewaren en gebruiken) van de encrochats in onderhavige zaak in strijd is met de door richtlijn 2016/680 (aan de Nederlandse implementatie daarvan) gestelde eisen. Bovendien stelt zij zich niet op het standpunt dat het Nederlandse procesrecht niet (juist) is gevolgd, enkel dat artikel 126uba Sv onvoldoende grondslag biedt voor het bewaren en gebruiken van de data zoals in dit onderzoek is gebeurd. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging betoogt, is de grondslag voor het verwerken en opslaan van de data uit 26Lemont in onderhavige zaak niet gelegen in de artikelen 126uba juncto 126 Sv, maar in artikel 126dd Sv. Deze bepaling ziet op het delen van informatie van het ene strafrechtelijke onderzoek met het andere. Blijkens de wetsgeschiedenis ziet dit bewust op de ruime term “strafrechtelijk onderzoek” en ligt de rechtvaardiging voor het voortgezet gebruik van die informatie erin dat gegevens die kunnen bijdragen aan de opheldering van strafbare feiten daartoe beschikbaar moeten zijn. De verdediging heeft geen argumenten aangevoerd waarom deze grondslag onrechtmatig is, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Tot slot stelt de verdediging dat als er sprake is van een wettelijke grondslag van het bewaren en gebruiken van de encrochats, (de toepassing van) deze grondslag zich niet verhoudt met het evenredigheidsbeginsel uit artikel 52 Handvest. Deze stelling zal de rechtbank als onvoldoende onderbouwd passeren.

- Conclusie

De taak van de Nederlandse strafrechter is beperkt tot het waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van het onderzoek 26Lemont in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Met betrekking tot het voorbereidend onderzoek 26Lemont is – voor zover de rechtbank dat zeer beperkt kan toetsen – geen sprake van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv en evenmin sprake van een schending van grondrechten van verdachte, zoals neergelegd in artikelen 6 en 8 van het EVRM. De verdediging heeft geen verweer gevoerd over de rechtmatigheid van het gebruik van artikel 126dd als grondslag voor de toevoeging van de encrochats aan het onderzoek Apliet. Nu niet gebleken is van andere feiten of omstandigheden op grond waarvan aangenomen moet worden dat het vertrouwensbeginsel enerzijds, en artikel 126dd Sv anderzijds onvoldoende waarborgen bieden voor de rechten van verdachte op een eerlijke proces, verwerpt de rechtbank het verweer dat de encrochats uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Uit voorgaande overwegingen volgt bovendien dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Doorzoeking van de woning van verdachte op 26 mei 2020

De verdediging heeft aangevoerd dat de rechter-commissaris in strijd met de wet niet bij de doorzoeking van de woning van verdachte aanwezig was. Door de rechter-commissaris is niet een officier van justitie aangewezen om de doorzoeking te verrichten. Op onjuiste gronden is vervolgens feitelijk de hulp-officier van justitie gemachtigd, aldus de verdediging. Gelet hierop mogen de resultaten van de doorzoeking volgens de verdediging niet meewerken tot het bewijs.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Blijkens het proces-verbaal van doorzoeking heeft de rechter-commissaris de doorzoeking telefonisch geopend. Zij heeft de ter plaatse aanwezige hulpofficier van justitie in het kader van de doorzoeking een aantal opdrachten gegeven. Zij is gedurende de gehele doorzoeking telefonisch bereikbaar geweest voor de hulpofficier van justitie en voor de bewoners. Zij heeft zelf over het beslag beslist en heeft de doorzoeking telefonisch gesloten. De gehele doorzoeking heeft dus onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris plaatsgevonden. Aan de hulpofficier van justitie is geen machtiging verstrekt. Niet valt in te zien dat de rechter-commissaris in strijd met de wet heeft gehandeld of dat er anderszins redenen zijn om te oordelen dat de resultaten van de doorzoeking niet mogen bijdragen aan het bewijs.

Missende tapmachtigingen

Het is naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig dat in het dossier de machtigingen van de rechter-commissaris tot het tappen van de in dit onderzoek getapte telefoonnummers ontbreken. Het dossier bevat evenwel de bevelen tot tappen van de officier van justitie. In deze bevelen wordt verwezen naar de op dat bevel betrekking hebbende machtiging die daartoe door de rechter-commissaris is verleend. Het ontbreken van de machtigingen van de rechter-commissaris is een vormverzuim dat zou kunnen worden hersteld. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat dit tot gevolg zou hebben dat het onderzoek ter terechtzitting zou moeten worden heropend wat het nodige tijdsverloop met zich mee zou brengen, terwijl het dossier wel de bevelen tot tappen van de officier van justitie bevat. Deze bevelen worden niet opgemaakt zonder een machtiging van de rechter-commissaris. Omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdediging nadeel heeft ondervonden van het ontbreken van de machtigingen van de rechter-commissaris zal de rechtbank volstaan met de constatering dat een vormverzuim heeft plaatsgevonden.

Stapeling van vormverzuimen en onrechtmatigheden

De verdediging heeft bepleit dat indien de aangevoerde vormverzuimen en onrechtmatigheden op zichzelf niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie of tot bewijsuitsluiting, de stapeling daarvan dit wel zou moeten doen.

De rechtbank overweegt dat door de rechtbank hierboven is geoordeeld dat geen vormverzuimen of onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden, behoudens het ontbreken van de tapmachtigingen in het dossier waarvan verdachte geen nadeel heeft ondervonden. Gelet hierop verwerpt de rechtbank dit verweer.

3.4

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 Voorwaardelijk verzoek onderzoekswensen

Nu de rechtbank, afgezien van het ontbreken van tapmachtigingen, geen vormverzuimen of onrechtmatigheden heeft geconstateerd, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het toewijzen van de door de verdediging voorwaardelijk geformuleerde onderzoekswensen.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft begaan, waarbij steeds sprake was van medeplegen met één of meer anderen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Feiten 2 en 3

[naam 4] heeft onduidelijke verklaringen afgelegd over de ‘stash’ in zijn woning. Het dossier bevat aanwijzingen dat de ‘stash’ bij [naam 4] van anderen dan van verdachte zou kunnen zijn geweest. Verdachte is na 23 oktober 2019 niet meer bij de woning gezien. Zelfs als wordt aangenomen dat verdachte op 26 mei 2020 een stash bij [naam 4] had, dan kan niet gezegd worden dat hij op dat moment de enige was die daarvan gebruik maakte.

Verdachte dient van deze feiten te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Feit 4

Uit het dossier blijkt niet dat de kwekerij van verdachte is of dat hij (financieel) behulpzaam is geweest bij het opbouwen of onderhouden van de kwekerij. Het lijkt er veel meer op dat [naam 5] schulden bij verdachte afbetaalt met de toekomstige opbrengsten van de kwekerij, en dat verdachte de zaak probeert te redden als het dreigt mis te lopen met die opbrengsten. Ook ten aanzien van dit feit is vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Feit 5

Zelfs indien feit 4 bewezenverklaard zou worden, dan nog bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte wist dat de elektriciteit buiten de meter om werd afgenomen, zodat niet kan worden bewezen dat hij oogmerk heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening daarvan.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

5.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten 2 en 3

De verdediging ziet in de verklaringen van [naam 4] - dat hij niet afweet van de geheime ruimte in zijn woning en dat de spullen in die ruimte van verdachte zijn - een zodanige tegenstrijdigheid dat de belastende verklaring van [naam 4] als niet betrouwbaar moet worden aangemerkt. De rechtbank ziet deze op het eerste gezicht tegenstrijdige verklaringen in het licht van het dilemma waarin [naam 4] ten tijde van de verhoren verkeerde, namelijk het willen beschermen van zijn vriend, verdachte, enerzijds, en anderzijds het niet zelf willen opdraaien voor het bezit van de spullen die in de verborgen ruimte in zijn huis zijn aangetroffen. Waar in eerste instantie het eerste belang voorop stond, kwam naar mate de voorlopige hechtenis voortduurde het tweede belang op de voorgrond te staan.

De rechtbank ziet in de tegenstrijdige verklaringen daarom geen grond om de belastende verklaring van [naam 4] als onbetrouwbaar aan te merken, mede gelet op het overige bewijs dat die belastende verklaring ondersteunt.

Op beelden van de camera die door de politie was geplaatst in een onopvallend voertuig vlakbij de woning van [naam 4] is te zien dat verdachte op 23 oktober 2019 de woning van [naam 4] binnengaat nadat hij zelf met een sleutel de voordeur heeft geopend. Dit ondersteunt de verklaring van [naam 4] dat verdachte beschikt over een sleutel van zijn woning. Een half uur later verlaat verdachte de woning met twee grote supermarkttassen. De verdediging heeft geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat verdachte beschikt over een sleutel van de woning van [naam 4] en waarom hij in die woning moet kunnen komen als [naam 4] vanwege zijn werk soms voor langere tijd niet in die woning verblijft. De rechtbank gaat ervan uit dat dit te maken heeft met de handel in diverse soorten harddrugs, zoals bewezenverklaard onder feit 1. Het feit dat grote hoeveelheden van diezelfde soorten harddrugs in de geheime ruimte in de woning van [naam 4] zijn aangetroffen ondersteunt de verklaring van [naam 4] dat die harddrugs van verdachte is.

In een tapgesprek van 14 november 2019 zegt [naam 4] dat de politie bij de doorzoeking van zijn woning in verband met het vernielen van de observatiecamera van de politie ‘dat ene plekje’ niet heeft gevonden. Er zat op dat moment niks in, maar volgens vader [naam 4] zou een politiehond dat witte spul zo kunnen ruiken. De rechtbank gaat ervan uit dat deze passage uit het gesprek gaat over de geheime ruimte onder het bad in de woning van [naam 4] , die pas op 26 mei 2020 wordt gevonden en waar onder meer cocaïne is aangetroffen.

Verder spreekt verdachte op 18 april 2020 via encrochat met ‘ [bijnaam 1] ’. Het gaat in dat gesprek over een ontmoeting die zal gaan plaatsvinden. Verdachte en [bijnaam 1] willen naar die ontmoeting wapens meenemen. Verdachte zegt in dat gesprek dat hij die p22 ook snel kan wegsteken. De rechtbank gaat er op grond van dat gesprek van uit dat verdachte kennelijk kon beschikken over een vuurwapen, en overweegt dat de beschrijving van dat vuurwapen als p22 past bij het aantreffen van een pistool met het kaliber .22 in de geheime ruimte in de woning van [naam 4] .

In een encrochatgesprek van 20 mei 2020 met [bijnaam 1] zegt verdachte ( [gebruikersnaam 2] ) dat er de laatste tijd ook veel buitenlanders in Sluiskil te zien zijn en dat er vannacht twee personen met een gucci petje in een Volvo hadden gestaan vlak bij de stashplek van verdachte. [bijnaam 1] vraagt hierop of verdachte bij die nicht bedoelt, waarop verdachte dit bevestigt. De rechtbank gaat ervan uit dat hiermee wordt bedoeld de stashplaats bij [naam 4] aan de Kanaalwegweg 108, aangezien uit het dossier naar voren komt dat [naam 4] homoseksueel is.

Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat als eigenaren van de goederen in de stashplek ook andere personen in aanmerking komen.

De enkele omstandigheid dat verdachte na 23 oktober 2019 door de politie niet meer bij de woning van [naam 4] is gezien kan niet tot de conclusie leiden dat de goederen in de geheime ruimte niet van verdachte zijn. Verdachte of [naam 4] heeft de observatiecamera van de politie kort na 23 oktober 2019 namelijk uit het voertuig gehaald en weggegooid. Verder heeft de officier van justitie ter terechtzitting naar voren gebracht dat het voor de politie heel lastig was om in Sluiskil te observeren, omdat iedereen in het dorp het meteen in de gaten had wanneer er een auto reed die niet uit het dorp kwam. Dat werd nog versterkt doordat in een groepsapp met 70 tot 80 personen berichten werden verstuurd wanneer een onbekende auto waarvan het vermoeden bestond dat het politie was, in het dorp was gezien. Er waren dus weinig mogelijkheden voor de politie om verdachte bij de woning van [naam 4] te kunnen observeren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de goederen in de geheime ruimte onder het bad in de woning van [naam 4] van verdachte zijn. [naam 4] wist dat verdachte die ruimte gebruikte om er drugs te verstoppen. Voor wat betreft de aangetroffen harddrugs was daarom sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam 4] voor het opzettelijk aanwezig hebben daarvan.

Aangaande de vuurwapens heeft [naam 4] verklaard dat hij niet wist dat die er lagen. Uit het dossier blijkt niet van het tegendeel, zodat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van die wapens.

Feit 4

De rechtbank ziet verdachte als eigenaar van de hennepkwekerij in de woning aan de [adres 3] in Terneuzen. De rechtbank wijst hiertoe op het volgende.

Verdachte heeft op 18 april 2020 via Encrochat met [bijnaam 1] gesproken over wietplantjes en daarbij gezegd dat hij drie hokken heeft, en dat hij het laatste hok aan het vullen is. Twee hokken moeten samen ongeveer 32 kilogram opleveren en van de opbrengst is dan 50.000 tot 60.000 euro voor hemzelf en de rest voor de huiseigenaar en andere mensen die eraan mee doen. Het is een feit van algemene bekendheid dat met ‘hok’ wordt bedoeld een woning waarin een hennepkwekerij is opgebouwd en waar hennep wordt gekweekt.

Verder is op de onder verdachte in beslag genomen telefoon (SLK1.3) een notitie aangetroffen van 9 mei 2020 waarin de kosten van een hennepkwekerij zijn opgenomen. Daaruit komt naar voren dat [naam 5] 150 euro heeft ontvangen, kennelijk voor het halen van stekjes.

In gesprekken via de app Wickr tussen verdachte, [naam 5] en [naam 6] op

20 mei 2020 uit verdachte zijn ongenoegen over het feit dat hennepplanten zijn doodgegaan omdat door [naam 5] niet genoeg water was gegeven. Verdachte geeft dan opdracht over wanneer en hoeveel water er gegeven moet worden. Verdachte zegt op enig moment “ik ga niet voor een ander zijn laksheid en fouten opdraaien” en “de eerste moet er ook weer huur betaald worden ik schiet niks meer voor ik betaal me eigen deel”.

In een gesprek via de app Wickr tussen verdachte en ‘[bijnaam 3]’ van 22 mei 2020 zegt verdachte “chauffeur gepakt, hokt gepakt, andere hok 220 planten weggegooit, vriendin weg” en meteen daarna “veel geld verloren”. Uit het proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij aan de [adres 3] te Terneuzen blijkt dat de planten in kweekruimtes 2, 3 en 4 er verdord en onverzorgd uitzagen. In die kweekruimtes samen stonden 218 hennepplanten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte met ‘220 planten weggegooit’ deze planten bedoeld heeft, en dat hij daardoor zelf geld heeft verloren.

Uit het voorgaande komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat verdachte niet slechts een bezorgde schuldeiser is die wil dat de schuldenaar inkomsten vergaart uit een hennepkwekerij om de schulden af te betalen. Verdachte heeft geld geïnvesteerd in de kwekerij, zou een groot deel van de opbrengsten ontvangen, en geeft gerichte opdrachten aan de personen die de kwekerij verzorgen, te weten [naam 5] en [naam 6] .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met twee anderen hennep heeft gekweekt op het adres [adres 3] in Terneuzen.

Feit 5

Op 7 april 2020 stuurt verdachte via Encrochat een bericht aan [bijnaam 1] inhoudende:

“vanavond komt iemand stroom aansluiten hok”. Uit dit bericht blijkt niet dat dit gaat over de hennepkwekerij aan de [adres 3] , maar daaruit blijkt wel dat verdachte ervan op de hoogte was als er stroom werd aangesloten in één van zijn hennepkwekerijen. Gelet hierop en op het feit dat verdachte de eigenaar was van de hennepkwekerij aan de [adres 3] is de rechtbank van oordeel dat het dossier wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte ervan op de hoogte was dat de stroom buitenom de meter werd afgenomen.

Voor het tenlastegelegde medeplegen is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig. Verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.

5.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

in de periode van 12 februari 2019 tot en met 25 mei 2020 te Sluiskil, gemeente Terneuzen

en Sas van Gent tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen, opzettelijk heeft verkocht

- grote (dealers)hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en

- grote (dealers)hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en

- grote (dealers)hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine en

- grote (dealers)hoeveelheden van een materiaal bevattende LSD en

- grote (dealers)hoeveelheden van een materiaal bevattende 2C-B en

- grote (dealers)hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en amfetamine en methamfetamine en LSD

en 2C-B en MDMA telkens middelen als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I.

2

op 26 mei 2020 te Sluiskil, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

- 1574 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en

- 5131 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en

- 1501 pillen bevattende MDMA en

- 1725 gram bevattende MDMA en

- 215 stuks/vellen bevattende LSD en

- 2730 pillen bevattende 2C-B en

- 2 grotendeels gevulde jerrycan(s) met een vloeistof bevattende methamfetamine en

- 1 grotendeels gevulde jerrycan met een vloeistof bevattende cocaïne en methamfetamine en

- 520 gram bevattende cocaïne en/of MDMA,

zijnde cocaïne en amfetamine en MDMA en LSD en 2C-B

en methamfetamine telkens middelen als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I.

3

op 26 mei 2020 te Sluiskil, gemeente Terneuzen,

wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens

en munitie, te weten

- een pistool, van het merk Walther, kaliber .22 Lr en

- een pistool, van het merk Walther, kaliber .380 Lr en

munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- 10 stuks munitie, kaliber .22 en

- 4 stuks munitie kaliber .380 en

onderdelen van wapens van categorie III,

onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een patroonmagazijn, bedoeld en bestemd voor een pistool van het

merk Walther, kaliber .22 Lr en

- een patroonmagazijn, bedoeld en bestemd voor een pistool van het

merk Walther, kaliber .380

voorhanden heeft gehad.

4

op 26 mei 2020 te Terneuzen en Sluiskil, gemeente

Terneuzen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld

- ( in een pand aan de [adres 3] te Terneuzen) een

hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 298

hennepplanten en

- ( in een pand aan de [adres 4]) een hoeveelheid van

(in totaal) ongeveer 267 gram hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II.

5

in de periode van 24 maart 020 tot en met 26 mei 2020 te Terneuzen

een hoeveelheid elektriciteit, die toebehoorde aan [bedrijf] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte

die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat in de strafmaat rekening gehouden dient te worden met het feit dat een groot deel van de planten van de hennepkwekerij verdord was, zodat van dat deel geen eindproduct meer te maken viel.

De verdediging heeft voorts gewezen op de gezondheidssituatie van verdachte. Als gevolg van een ernstig verkeersongeluk kan hij geen fysieke arbeid verrichten. Hierdoor zijn problemen ontstaan op het gebied van school, gezondheid, dagindeling en toekomstperspectief, zoals ook blijkt uit het reclasseringsadvies. Verder heeft de verdediging verzocht in de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de medische situatie van verdachte. Daardoor is detentie voor hem veel zwaarder dan voor een gemiddelde gedetineerde. De verdediging heeft ten slotte gewezen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een jaar en drie maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan grootschalige handel in diverse soorten harddrugs. Hij was de groothandelaar waar dealers inkochten. Verdachte had de handel professioneel georganiseerd en verdiende daar veel geld mee. Zo bood hij zijn handel aan via een prijslijst die hij naar afnemers stuurde, werden wapens, grote voorraden drugs en geld bewaard (in geheime ruimtes en kluizen) op diverse stashplaatsen, werd de in- en verkoop van drugs en de voorraad bijgehouden, werd gebruik gemaakt van PGP-telefoons, Encrochat en de app Wickr om te communiceren, werden door verdachte inkomsten omgezet in bitcoins, en kon gebruik worden gemaakt van een ‘stash-auto’ (een auto met een verborgen ruimte onder de voorstoelen) en ook een ‘stashbus’. Op één van de stashplaatsen zijn grote hoeveelheden harddrugs aangetroffen die ook worden genoemd op de prijslijst. Daarnaast werden daar verschillende vuurwapens aangetroffen, waaronder twee half doorgeladen pistolen met bijbehorende munitie. Deze wapens waren gebruiksklaar en verdachte was bereid die te gebruiken bij een ontmoeting op 20 april 2020 in Breda.

Dat verdachte een prominente en aansturende rol had in het netwerk dat met het onderzoek Apliet is blootgelegd blijkt onder meer uit het feit dat hij opdrachten gaf tot het mishandelen (“kapot rammen met knuppels”) en ontvoeren van ‘medewerkers’ die hij ervan verdacht te hebben gepraat met de politie of met anderen buiten de organisatie. Uit taps en berichten komt naar voren dat hij zich tegenover verschillende personen intimiderend opstelt als hun handelen hem niet bevalt. Twee personen hebben verklaard dat de naam van verdachte niet mocht worden genoemd in Sluiskil, wat erop duidt dat hij degene is die buiten het zicht van de politie moest blijven.

Verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen beziggehouden met het kweken van hennep en heeft ten behoeve van die hennepkwekerij stroom gestolen.

Verdachte is door zijn handelen verantwoordelijk voor het grootschalig dealen in en gebruik van harddrugs in de regio Zeeuws-Vlaanderen, en is daarmee ook verantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Harddrugs zijn stoffen die sterk verslavend werken en die schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Naar eigen zeggen was hij verslaafd geworden aan het geld dat hij met de handel in verdovende middelen verdiende. Bij de uitoefening van die activiteiten heeft hij geweld en dreiging met geweld niet geschuwd en kon hij beschikken over vuurwapens.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Blijkens het strafblad van verdachte is hij in 2017 eerder veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en gekwalificeerde diefstal. Dit is bij vonnis van 3 oktober 2017 bestraft met een geldboete. Omdat op 13 november 2019 een zaak tegen verdachte is afgedaan met een transactie zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met artikel 63 Sr.

Reclassering Nederland heeft in haar advies van 24 februari 2021 het volgende naar voren gebracht. Op 16-jarige leeftijd heeft verdachte een verkeersongeluk gehad waarbij hij ernstig letsel heeft opgelopen. Door dat ongeluk heeft hij ook nu nog lichamelijke klachten. Hij heeft daardoor geen zinvolle dagbesteding en geen inkomen. Onderzoek toont aan dat werkloosheid sterk samenhangt met de kans op recidive. Werkloosheid kan dus een criminogene factor zijn. De reclassering veronderstelt dat zinvolle dagbesteding van essentieel belang is voor verdachte om stabiliteit en het bieden van een positief toekomstperspectief in zijn leven te creëren. Hierdoor zou eveneens de kans op het eventueel ontwikkelen van een delinquente levensstijl kunnen afnemen. In het delictverleden valt op dat verdachte uitsluitend is veroordeeld wegens delicten waaraan doorgaans een financiële motivatie ten grondslag ligt. Het leefgebied financiën lijkt een risicofactor voor recidive en delictgerelateerd, aldus de reclassering. Verdachte heeft sinds 16-jarige leeftijd justitiecontacten.

De reclassering heeft geadviseerd een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Uit het reclasseringsrapport en het dossier komt naar voren dat verdachte vanwege zijn medische situatie niet kan werken en dat hij om die reden inkomsten heeft vergaard uit drugshandel. Het plan lijkt te zijn geweest dat hij de opbrengsten van de drugshandel, althans de schadevergoeding die hij heeft ontvangen vanwege het verkeersongeval, zou investeren in onroerend goed om vervolgens in zijn inkomsten te voorzien door de verhuur daarvan. Hoewel het geld er wel was is het kennelijk niet gekomen tot investeren.. De rechtbank acht de kans op recidive dan ook hoog.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de aansturende rol van verdachte daarin, een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere strafmodaliteit.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd en wat in het reclasseringsrapport is opgenomen aanneemt dat verdachte op 16-jarige leeftijd een verkeersongeluk heeft gehad waarbij hij ernstig letsel heeft opgelopen. Welke gevolgen dit nog steeds heeft op de gezondheid van verdachte is voor de rechtbank onduidelijk. De medische situatie van verdachte is niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat de dagindeling en verminderde capaciteiten zoals geschetst in het reclasseringsrapport niet overeenkomen met de activiteiten van verdachte zoals die uit het dossier naar voren komen. Zo zou verdachte zich volgens het reclasseringsrapport niet goed kunnen focussen en verward zijn, niet goed na kunnen denken en zou hij alleen buitenshuis zijn gekomen om zijn – inmiddels overleden – oma te bezoeken. Uit het dossier komt echter naar voren dat verdachte goed gecoördineerd een hoeveelheid aan contacten onderhoudt en mensen aanstuurt in verband met zijn drugshandel, daarnaar gevraagd prijzen van verschillende soorten harddrugs per gewicht direct kan noemen, zich verschillende keren per week per scooter door Sluiskil verplaatst, en naar Sas van Gent gaat om daar drugs te verkopen. Verder is hij op enig moment voornemens om samen met anderen met de stash-auto gewapend en met kogelwerend vest een potentieel gewelddadige groep personen te ontmoeten in Breda. De door de verdediging en de reclassering geschetste gezondheidssituatie heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om de bewezenverklaarde feiten te plegen.

Gelet hierop kan niet goed worden bepaald of, en zo ja in hoeverre het ondergaan van een gevangenisstraf voor verdachte zwaarder zal zijn dan voor een gemiddelde gedetineerde, zodat de rechtbank hiermee in de bepaling van de strafmaat geen rekening kan houden.

Alles afwegende en gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

8 Het beslag

8.1

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en dat de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

8.2

De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het voorwerp aan verdachte toebehoort en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van

de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van

de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

terwijl het feit is begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van

categorie III;

feit 4: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van

de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 STK telefoontoestel, merk Apple, G2244097

- 1 STK telefoontoestel, merk Apple, G2244092;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- 1 STK telefoontoestel, merk BQ Aquarius, G2308921.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. E.J. Zuijdweg en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 maart 2021.

Mr. E.J. Zuijdweg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12

februari 2019 tot en met 25 mei 2020 te Sluiskil, gemeente Terneuzen

en/of Terneuzen en/of Sas van Gent, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer

- één of meer grote (dealers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende cocaïne en/of

- één of meer grote (dealers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende amfetamine en/of

- één of meer grote (dealers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende methamfetamine en/of

- één of meer grote (dealers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende LSD en/of

- één of meer grote (dealers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende 2C-B en/of

- één of meer grote (dealers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of methamfetamine en/of LSD

en/of 2C-B en/of MDMA (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 26 mei 2020 te Sluiskil, gemeente Terneuzen, in elk

geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

- 1574 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- 5131 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- 1501 pillen bevattende MDMA en/of

- 1725 gram bevattende MDMA en/of

- 215 stuks/vellen bevattende LSD en/of

- 2730 pillen bevattende 2C-B en/of

- 2 grotendeels gevulde jerrycan(s) met een vloeistof bevattende methamfetamine en/of

- 1 grotendeels gevulde jerrycan met een vloeistof bevattende cocaïne en/of methamfetamine en/of

- 520 gram bevattende cocaïne en/of MDMA,

zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA en/of LSD en/of 2C-B

en/of methamfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 26 mei 2020 te Sluiskil, gemeente Terneuzen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meerdere wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens

en munitie, te weten

- een pistool, van het merk Walther, kaliber .22 Lr en/of

- een pistool, van het merk Walther, kaliber .380 Lr en/of

een of meerdere munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens

en munitie, te weten

- 10 stuks munitie, kaliber .22 en/of

- 4 stuks munitie kaliber .380 en/of

een of meerdere onderde(e)l(en) van (een) wapen(s) van categorie III,

onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een patroonmagazijn, bedoeld en bestemd voor een pistool van het

merk Walther, kaliber .22 Lr en/of

- een patroonmagazijn, bedoeld en bestemd voor een pistool van het

merk Walther, kaliber .380

voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

4

hij op of omstreeks 26 mei 2020 te Terneuzen en/of Sluiskil, gemeente

Terneuzen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( in een pand aan de [adres 3] te Terneuzen) een

hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 298, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan en/of

- ( in een pand aan de [adres 4]) een hoeveelheid van

(in totaal) ongeveer 267 gram hennep,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,

vijfde lid van die wet;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C

Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

5

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 maart

2020 tot en met 26 mei 2020 te Terneuzen tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een hoeveelheid

elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan

[bedrijf] , heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft

en/of dat/die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder

zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak

en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )