Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:149

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7517
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bpm

Belanghebbende heeft tien auto’s ingevoerd en in dat verband Bpm op aangiften voldaan. De inspecteur heeft ter zake één naheffingsaanslag opgelegd. In de uitspraak op bezwaar is de naheffing met betrekking tot diverse auto’s verminderd. De rechtbank verwerpt de door belanghebbende bepleite methode waarbij de verschuldigde Bpm wordt berekend vanuit de herrekende bruto Bpm (herleidingmethode). Voor het overige oordelen over: vaststellen nieuwprijs en handelsinkoopwaarde, invoer van informatie in het format van verschillende koerslijstaanbieders, correctie koerslijstwaarde in verband met waardeverloop btw-auto en/of officieel ingevoerde auto (parallel-import), nader beroep op koerslijst Xray marge, correctie bijstelling dealersituatie en bijstelling marktsituatie, vergelijkbaar voertuig, afschrijvingspercentage forfaitaire tabel.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van één naheffingsaanslag. Dat als gevolg van interne registratierichtlijnen administratief tien zaaknummers zijn aangemaakt maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/427
Viditax (FutD), 16-02-2021
FutD 2021-0631
NTFR 2021/720
V-N 2021/13.2.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/7517 en 18/7698 tot en met 18/7706

uitspraak van 13 januari 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 17 november 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) ter zake van de volgende motorrijtuigen:

- Audi Q5 TDI Quattro, met een VIN eindigend op [VIN 1] (zaaknummer 17/7517);

- Audi A8 5.2 S8 Quattro Aut., met een VIN eindigend op [VIN 2] (zaaknummer 18/7698);

- Volvo XC 60 2.0 D3 FWD Summum, met een VIN eindigend op [VIN 3] (zaaknummer 18/7699);

- Land Rover/Range Rover Sports 5.0 V8 SC SVR, met een VIN eindigend op [VIN 4] (zaaknummer 18/7700);

- Audi A6 Avant 4.0 TFSI RS6 PL+, met een VIN eindigend op [VIN 5] (zaaknummer 18/7701)

- Ferrari 488 3.9 GTB HELE, met een VIN eindigend op [VIN 6] (zaaknummer 18/7702);

- Audi Q5 TDI 2.0 TDI Quattro, met een VIN eindigend op [VIN 7] (zaaknummer 18/7703);

- Porsche Cayenne 3.0 D, met een VIN eindigend op [VIN 8] (zaaknummer 18/7704);

- Audi Q3 2.0 TFSI Q SP PL S, met een VIN eindigend op [VIN 9] (zaaknummer 18/7705);

- Audi A8 4.0 TFSI S8 Quattro, met een VIN eindigend op [VIN 10] (zaaknummer 18/7706).

Zitting

Het onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019 te Breda (regiezitting). De meervoudige kamer heeft de onderhavige zaken op grond van artikel 8:10 van de Awb verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting voor de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op

9 september 2020 te Breda. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 27.514;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.017;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt.

2 Gronden

Voldoening op aangifte

2.1.

Belanghebbende heeft in de periode van 1 maart tot en met 31 maart 2016 op aangifte de volgende bedragen aan Bpm voldaan:

- € 4.692 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi Q5 TDI Quattro met VIN [VIN 1] (hierna: auto 1);

- € 4.422 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A8 5.2 S8 Quattro Aut. met VIN [VIN 2] (hierna: auto 2);

- € 5.483 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Volvo XC 60 2.0 D3 FWD Summum met VIN [VIN 3] (hierna: auto 3);

- € 23.135 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Land Rover/Range Rover Sports 5.0 V8 SC SVR met VIN [VIN 4] (hierna: auto 4);

- € 16.664 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A6 Avant 4.0 TFSI RS6 PL+ met VIN [VIN 5] (hierna: auto 5);

- € 27.887 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Ferrari 488 3.9 GTB HELE met VIN [VIN 6] (hierna: auto 6);

- € 7.066 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi Q5 TDI 2.0 TDI Quattro met VIN [VIN 7] (hierna: auto 7);

- € 3.543 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Porsche Cayenne 3.0 D met VIN [VIN 8] (hierna: auto 8);

- € 3.985 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi Q3 2.0 TFSI Q SP PL S met VIN [VIN 9] (hierna: auto 9);

- € 6.154 ter zake van de registratie van het motorrijtuig Audi A8 4.0 TFSI S8 Quattro met VIN [VIN 10] (hierna: auto 10).

Het totale bedrag dat door belanghebbende is voldaan bedraagt € 103.031.

2.2.

De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de totale verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 157.559. Met dagtekening 30 december 2016 is aan belanghebbende voor de onder 2.1 vermelde auto’s een naheffingsaanslag Bpm opgelegd met een totaalbedrag van € 54.528.

2.3.

Het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar is gegrond verklaard. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd met in totaal € 12.210 met betrekking tot auto 2, 3 en 6. De vermindering voor auto 2 en 3 heeft plaatsgevonden vanwege de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 20171 betreffende de handelsinkoopwaarde van margeauto’s en btw-auto’s. Voor auto 6 heeft een vermindering plaatsgevonden in verband met een wijziging van de handelsinkoopwaarde. Dit resulteert erin dat na de uitspraak op bezwaar het totale bedrag aan verschuldigde (rest-) Bpm (€ 157.559 -/- € 12.210 =) € 145.349 bedraagt.2 De inspecteur heeft een kostenvergoeding voor bezwaar van € 492 toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van een hoorgesprek met een waarde van € 246 per punt en een wegingsfactor 1).

Geschilpunten

2.4.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na vermindering in bezwaar, terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is nog in geschil:

1. Kan de verschuldigde rest-Bpm worden herleid uit de herrekende bruto Bpm, welke is vastgesteld op basis van de restwaarde van een eerder ingevoerd referentievoertuig?

2. Heeft de inspecteur de nieuwprijs tot het juiste bedrag vastgesteld?

3. Is de inspecteur uitgegaan van het juiste type voertuig?

4. Dient een correctie te worden toegepast op de koerslijstwaarde als de koerslijst uitgaat van het waardeverloop van een btw-auto?

5. Dient een correctie te worden toegepast op de koerslijstwaarde als de koerslijst uitgaat van het waardeverloop van een officieel ingevoerde auto terwijl de auto van belanghebbende parallel is ingevoerd?

6. Kan belanghebbende een beroep doen op de koerslijst van Xray (marge)?

7. Kan belanghebbende een beroep doen op de correctie ‘bijstelling dealersituatie’ en ‘bijstelling marktsituatie’ bij gebruik van de koerslijst van Eurotaxglass’s?

8. Kan belanghebbende de inkoopwaarde vaststellen aan de hand van de koerslijstwaarde van een vergelijkbaar voertuig?

9. Is het afschrijvingspercentage van de forfaitaire afschrijvingstabel juist vastgesteld?

2.5.

Voorts is in geschil de hoogte van de immateriële-schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de werkelijke proceskosten.

2.6.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat belanghebbende recht heeft op toepassing van de extra leeftijdskorting voor auto 1, 4, 6, 7, 8 en 10. Voorts heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat belanghebbende gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 20203 voor auto 1, 5 en 6 het historische tarief mag toepassen.

2.7.

In artikel 9 van de Wet BPM (geldend in 2016) is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

“(…)

3. Onder de netto catalogusprijs wordt verstaan de catalogusprijs verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting.

4. Onder catalogusprijs wordt verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de belasting van personenauto's en motorrijwielen zelf niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.

(…)

6. Voor een gebruikte personenauto, een gebruikt motorrijwiel of een gebruikte bestelauto geldt de catalogusprijs van het tijdstip waarop de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto voor het eerst in gebruik is genomen. Indien dit tijdstip niet bekend is, treedt daarvoor in de plaats de laatste dag van het jaar waarin de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto is vervaardigd.

(…)”

2.8.

In artikel 10 van de Wet Bpm (geldend in 2016) is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“1. Met betrekking tot gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, berekend met inachtneming van een vermindering.

2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto's en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.

6. In afwijking van het tweede lid wordt de vermindering, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel.

7. De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.

8. Indien sprake is van:

a. een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet1994, of

b. een motorrijtuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland,

wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

9. Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.

10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.”

Vooraf: wijze van beoordeling

2.9.

Het geschil in beroep betreft de hierna aan de orde komende onderwerpen. In verband met de behandeling daarvan merkt de rechtbank het volgende op. Sommige van de ‘algemene’, geheel of nagenoeg geheel rechtskundige standpunten van (de gemachtigde van) belanghebbende zijn eerder door deze rechtbank onjuist bevonden. De rechtbank heeft de in deze procedure aangevoerde argumenten gewogen om te zien of er aanleiding is om anders te beslissen. Indien dat niet het geval is en de argumenten ook geen aanleiding geven voor een andere of nadere motivering, heeft de rechtbank bij de desbetreffende beroepsgrond volstaan met een verwijzing naar haar uitspraken van 22 mei 2019 (meervoudige kamer)4, 9 april 20205 en 14 mei 20206 (enkelvoudige kamer). Uit efficiëntie-overwegingen wordt hierna in voorkomende gevallen (mede) naar de overwegingen uit deze uitspraken verwezen.

Bpm (geschilpunt 1): kan de verschuldigde Bpm worden herleid vanuit de herrekende bruto Bpm? (auto 1, 2, 8, 9 en 10)

2.10.

Belanghebbende bepleit ook in deze zaken toepassing van de herleidingmethode voor de heffing van Bpm ter zake van een ingevoerde tweedehands auto. Zij heeft deze methode uiteengezet in de stukken. De inspecteur herhaalt het eerder ingenomen standpunt dat deze berekeningsmethode niet juist is.

2.11.

De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.3 en 4.4. van de uitspraak van 22 mei 2019, in combinatie met rechtsoverweging 2.12.1 tot en met 2.12.5 van de uitspraak van 9 april 2020 en rechtsoverwegingen 2.14 tot en met 2.16 van de uitspraak van 14 mei 2020. De rechtbank heeft hetgeen naar voren is gebracht in de gedingstukken in de beoordeling betrokken, maar ziet geen aanleiding in de onderhavige zaken anders te oordelen, ook niet naar aanleiding van hetgeen belanghebbende daarover in haar pleitnota en ter zitting naar voren heeft gebracht.

2.12.

Het ter zitting gevoerde betoog dat niet uitsluitend de waarde(vermindering) in dit opzicht relevant is, doch ook onder meer het toegepaste tarief, wordt door de rechtbank verworpen. Anders dan belanghebbende bepleit kan naar het oordeel van de rechtbank uit de jurisprudentie omtrent tussenliggend en historisch tarief, noch uit de tariefswijziging per 1 juli 2020, worden afgeleid dat ook met betrekking tot de herleidingmethode sprake is van strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). De rechtbank verwijst in dat verband naar rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 1 mei 2020 van de Hoge Raad. De rechtbank leidt uit dat arrest af dat doorslaggevend is de omstandigheid dat het verschil tussen de rest-Bpm van de geïmporteerde auto – berekend naar het tarief ten tijde van de aangifte – en anderzijds de rest-Bpm van referentievoertuigen, uitsluitend kan worden teruggevoerd op de toepassing van een tegemoetkomingsbepaling als artikel 16a van de Wet Bpm. Het verschil mag niet voortvloeien uit (in de bewoordingen van het arrest ‘niets uit te staan hebben met’) kenmerken of eigenschappen van de referentievoertuigen die de handelsinkoopwaarde ervan beïnvloeden.

Anders dan met betrekking tot effecten op de rest-Bpm als gevolg van tariefswijzigingen, is de herrekende bruto Bpm juist wel gekoppeld aan (en heeft dus wel iets uit te staan met) de handelsinkoopwaarde van referentievoertuigen. De herrekende bruto Bpm is namelijk van de (verschuldigde rest-Bpm volgend uit de) handelsinkoopwaarde van de referentievoertuigen afgeleid (teruggerekend volgens de formule rest-Bpm/percentage tabel-100). Uit de omstandigheid dat ter zake van de door belanghebbende genoemde kentekens lagere bedragen aan herrekende bruto Bpm zijn geregistreerd kan niet worden afgeleid dat het bedrag aan rest-Bpm dat in die auto’s rust, lager is dan de rest-Bpm van de auto van belanghebbende ten tijde van de import volgens de voorgeschreven rekenmethode. En evenmin dat een verschil in rest-Bpm uitsluitend is terug te voeren op de toepassing van de rekenmethode voor toepassing van de leeftijdskorting.

2.13.

Het betoog van belanghebbende betreffende de herleidingmethode wordt gelet op het voorgaande derhalve ook in deze zaken verworpen.

Bpm (geschilpunt 2 en 3): heeft de inspecteur de nieuwprijs tot het juiste bedrag vastgesteld (auto 2, 5, en 9) en is de inspecteur uitgegaan van het juiste type voertuig (auto 2)?

2.14.

De rechtbank ziet aanleiding om geschilpunt 2 en 3 gelijktijdig te behandelen. Daarbij staat de (historische) nieuwprijs centraal. De (historische) nieuwprijs is de som van de netto catalogusprijs van de auto, vermeerderd met de opties, de btw en de historische bruto Bpm. De historische nieuwprijs vormt een van de onderdelen van de breuk die het afschrijvingspercentage bepaalt, waarmee de waardevermindering wordt uitgedrukt. De inspecteur betoogt voor de onderhavige auto’s dat van een onjuiste historische nieuwprijs is uitgegaan. Het belang van de stelling is gelegen in de (verhouding met de) handelsinkoopwaarde, het andere element van de breuk.

2.15.

Het debat tussen partijen richt zich onder meer op de fysieke kenmerken van de auto’s (auto 2, 5 en 9). Belanghebbende heeft met betrekking tot de auto’s nadere stukken overgelegd. In aanvulling daarop heeft belanghebbende ter zitting toegelicht op welke wijze zij de kennis omtrent de prijsopbouw van een auto verwerkt in de koerslijsten die zij gebruikt ter onderbouwing van de verdedigde waardevermindering. Met betrekking tot dit betoog overweegt de rechtbank als volgt.

2.15.1.

Analyse van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, brengt mee dat de discussie tussen belanghebbende en de inspecteur omtrent de prijsopbouw van de auto’s twee elementen bevat, te weten de bepaling van de historische nieuwprijs als zodanig en de (on)mogelijkheden bij invoer van die informatie in het ‘format’ van de verschillende koerslijstaanbieders.

Bepaling van de historische nieuwprijs

2.15.2.

Met betrekking tot de historische nieuwprijs (in wettelijke termen: de catalogusprijs) overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 9, lid 5, van de Wet Bpm wordt de catalogusprijs bepaald aan de hand van informatie van de fabrikant of importeur. Met belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat daarvoor aansluiting kan worden gezocht bij de algemeen bekende prijslijsten van fabrikanten en/of importeurs. Het ligt op de weg van belanghebbende om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, welke technische specificaties de geïmporteerde auto heeft en welke waarde daar aan toe komt. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat zij haar stellingen baseert op hetgeen zij ziet bij observatie van de betreffende auto en aan de hand van prijslijsten de waarde-opbouw van de auto bepaalt.

2.15.3.

De rechtbank stelt vast dat geschil bestaat over zowel de technische specificaties als zodanig als over de waarde van die specificaties (de opties, als losse elementen en/of als samenstel daarvan). Als basis daarvoor heeft naar het oordeel van de rechtbank het volgende juridische kader en bijbehorende bewijslastverdeling te gelden.

2.15.4.

Het ligt op de weg van belanghebbende als partij die in de aangifte een stelling inneemt over de historische nieuwprijs om, met het oog op het desgevraagd kunnen beantwoorden van vragen over de technische specificaties van de auto, ervoor zorg te dragen dat haar bevindingen omtrent de (fysieke waarneming van de) specificaties gecontroleerd kunnen worden. Te meer, omdat in voorkomende gevallen de auto als gevolg van verkoop niet meer voor controle of een schouw beschikbaar is.

2.15.5.

Het staat vervolgens de inspecteur vrij om de samenstelling van de auto te controleren aan de hand van de hem beschikbare gegevens, waaronder een uitdraai uit algemeen raadpleegbare bronnen met betrekking tot de kenmerken van auto’s welke gekoppeld is aan het registratie (VIN)nummer van een auto. Tussen partijen is niet in geschil dat SilverDAT VIN Informatie een dergelijke bron is, zodat een uitdraai uit die database geldt als accurate beschrijving van de technische specificaties van de auto’s.

2.15.6.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de partij die zich op een bepaalde methode van vaststelling van de historische nieuwprijs beroept (fysieke waarneming of digitaal beschikbare voertuiggegevens), daarvan bij betwisting een onderbouwing moet kunnen geven. Hoe dat uitwerkt voor de onderscheidenlijke auto’s in de onderhavige zaken, wordt in het onderstaande behandeld.

Format koerslijstaanbieders

2.15.7.

Met betrekking tot de invoer van de informatie in het ‘format’ van de koerslijstmodule overweegt de rechtbank als volgt. In het onderhavige tijdvak maakt belanghebbende uitsluitend gebruik van digitale koerslijstprogramma’s (in plaats van papieren koerslijstuitgaven). Niet in geschil is dat het door de wetgever toegestane, erkende, koerslijstprogramma’s zijn. De rechtbank heeft geen toegang tot die software. Vooropgesteld moet worden dat de werking van die programma’s niet ter beoordeling voorligt. Hetgeen de rechtbank beoordeelt is de ‘output’ van die programma’s, als bewijsstuk voor de stelling van elk van de partijen omtrent het afschrijvingspercentage (ter onderbouwing van de rest-Bpm, zijnde de verschuldigde belasting ter zake van de invoer van de auto’s). De koerslijstprogramma’s hebben als voordeel dat de technische specificaties van een auto nauwgezet(er) ingevoerd kunnen worden, in de veronderstelling dat de door het programma gegenereerde ‘output’ dan de waardevermindering nauwkeurig(er) weergeeft (in vergelijking tot papieren uitgaven). Beide partijen hebben uitdraaien van koerslijstprogramma’s overgelegd op basis van verschillende startwaarden van de onderhavige auto’s. Het is aan de gebruiker van een koerslijstmodule (zowel belanghebbende als inspecteur) om te waarborgen dat de eigenschappen van de auto adequaat worden ingevoerd in de daartoe door de betreffende invoerschermen van het koerslijst-programma. Ter zitting heeft belanghebbende bepleit dat de koerslijstprogramma’s en de daarbij horende modules qua invoermogelijkheden beperkingen hebben en dat de informatie over de pakket- dan wel optieprijzen onjuist of onvolledig is.

2.15.8.

Belanghebbende bepleit dat in de dagelijkse bedrijfsvoering wordt vertrouwd op de kennis en het inschattingsvermogen van haar directeur, tevens werknemer, de heer [directeur] . Daartoe wijst belanghebbende op de omstandigheid dat de heer [directeur] naast importeur ook gediplomeerd taxateur is. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de keuze voor het bepalen van de afschrijving aan de hand van een koerslijst echter mee, dat belanghebbende gebonden is aan het ‘format’ van die koerslijstaanbieder. Tekortkomingen in de koerslijstprogramma’s kunnen uitsluitend leiden tot de afweging om dan voor een andere koerslijstaanbieder te kiezen. Indien belanghebbende toch de module van de door haar voorgestane aanbieder verkiest, kan zij slechts dan een juiste aangifte doen, indien zij zich conformeert aan dat ‘format’. Ter borging van haar rechtspositie ligt het dan op haar weg om bezwaar te maken tegen de eigen aangifte (omdat die in haar visie door de tekortkomingen leidt tot een te hoge rest-Bpm). De keuze om naar eigen inzicht de ‘input’ in de module aan te passen, heeft als gevolg dat de informatie uit de koerslijstmodule, de ‘output’, aan bewijskracht inboet. De stelling van belanghebbende dat het niet uitmaakt of de opties als één bedrag worden ingevoerd, dan wel als losse opties worden aangevinkt hetgeen tot dezelfde nieuwprijs zou moeten leiden, is naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaken niet aannemelijk gemaakt.

2.15.9.

Belanghebbende heeft ter zitting een aanbod gedaan tot het leveren van nader bewijs door middel van een beamer en filmopnamen. De rechtbank vat dit betoog op als een verzoek om heropening van het vooronderzoek om belanghebbende in de gelegenheid te stellen het bewijsaanbod uit te voeren. De rechtbank verwerpt dit verzoek. In de uitnodiging voor de zitting is belanghebbende gewezen op de mogelijkheden van het leveren van bewijs en zij heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Daarmee is gelegenheid geboden tot uitvoering van het bewijsaanbod. Er is geen sprake van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij de door haar aangeboden schriftelijke stukken niet eerder heeft overgelegd.7 Belanghebbende had zich reeds bij het doen van aangifte moeten vergewissen van haar rechtspositie en de daarbij komende bewijspositie. De rechtbank verwerpt daarom het ter zitting gedane aanbod tot het leveren van nader bewijs en gaat niet over tot heropening van het vooronderzoek.

2.16.

De voorgaande zaaksoverstijgende beoordeling leidt voor de individuele auto’s tot de volgende oordelen over de aannemelijkheid van de gestelde nieuwprijzen (en indien van toepassing: de historische bruto Bpm) van de auto’s. Over de daartoe gehanteerde bewijslastverdeling merkt de rechtbank het volgende op. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 december 20028 overwogen dat het in eerste instantie aan de inspecteur is om gegevens in te brengen, waaruit kan blijken hoe de door een belastingplichtige voldane Bpm zich verhoudt tot het restant aan Bpm dat nog drukt op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto’s (de referentievoertuigen). De inspecteur dient voldoende geconcretiseerde gegevens aan te leveren opdat een belastingplichtige tegenbewijs kan leveren. Indien gekozen is voor het systeem van koerslijst (eventueel verminderd met schade), zal de inspecteur doorgaans aan zijn bewijslast hebben voldaan, indien hij de waarde die volgt uit de koerslijst hanteert. In het hierna overwogene zal per auto worden beoordeeld of de inspecteur aan zijn stelplicht en bewijslast heeft voldaan. Indien blijkt dat de inspecteur daaraan niet heeft voldaan, zal worden ingegaan op de bewijspositie van belanghebbende.

Auto 2

2.17.

De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een koerslijst met type Audi A8 5.2. quattro Advance. Hij heeft evenals belanghebbende een koerslijst van AutotelexPro gebruikt, echter door de aanwezige opties op de auto stelt de inspecteur dat sprake is van de Advance uitvoering. Partijen hebben hier op zitting uitvoerig debat over gevoerd en daarbij verwezen naar bijlage 11 bij het verweerschrift dat partijen alsnog ter zitting hebben aangemerkt als “alternatief geboortekaartje” in combinatie met de vermelde opties op de door de inspecteur gebruikte koerslijst. Gelet op hetgeen op de koerslijst is vermeld aan opties mede in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van de Advance uitvoering.

2.18.

Belanghebbende is er evenmin in geslaagd om aannemelijk te maken dat de door haar gehanteerde koerslijst, op basis van de door haar verdedigde historische nieuwprijs, de waardevermindering het beste benadert. De handelsinkoopwaarde is gebaseerd op de kenmerken van de auto waarvan de historische nieuwprijs de cijfermatige weergave is. Tegenover de betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de ‘input’ in de koerslijstmodule op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Voor deze auto heeft de overgelegde koerslijstuitdraai teveel aan bewijskracht ingeboet (zie 2.15.8).

2.19.

Geen van de partijen heeft voor deze auto aannemelijk gemaakt dat de overgelegde koerslijst-uitdraai op de juiste grondslagen is gebaseerd, zodat geen van partijen in de bewijslast is geslaagd. De rechtbank moet dan een weging maken van de door beide partijen ingebrachte bewijsmiddelen. In het licht van toepassing van artikel 110 VWEU gaat het daarbij echter niet om de vaststelling van elk onderdeel van de berekening van de verschuldigde Bpm, zoals de nieuwprijs. Toepassing van artikel 110 VWEU brengt mee dat op het moment van aangifte moet worden gekeken naar de Bpm die is “vervat in de waarde” van een gelijksoortige, gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Voor het oordeel in goede justitie verwijst de rechtbank naar overweging 2.69 en 2.70 hierna.

Auto 5

2.20.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan waarbij zij gebruik heeft gemaakt van een koerslijst van Xray-marge. Op deze koerslijst staat een bedrag vermeld aan opties van € 19.667. Naar de rechtbank begrijpt is dit het bedrag van de door belanghebbende verdedigde opties inclusief btw. Het bedrag exclusief btw is € 16.253. Dat bedrag vloeit voort uit een overzicht van de opties uit de koerslijst van AutotelexPro, die eveneens bij de aangifte is gevoegd.

2.21.

De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag gebruik gemaakt van een koerslijst van Xray-marge waarin een bedrag van € 22.750 (inclusief btw) aan opties is opgenomen. Hij is daarmee afgeweken van de methodiek van belanghebbende.

2.22.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan omdat hij niets ter onderbouwing heeft aangedragen waaruit blijkt dat de opties die hij heeft vermeld, ook daadwerkelijk op auto 5 aanwezig waren. De rechtbank kan deze informatie aan niets toetsen en verwerpt, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, derhalve de door de inspecteur gebruikte koerslijst.

2.23.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende eveneens niet aan haar bewijslast heeft voldaan. Dat oordeel is gebaseerd op dezelfde gronden als in rechtsoverweging 2.18 hiervoor.

2.24.

Geen van de partijen heeft voor deze auto aannemelijk gemaakt dat de overgelegde koerslijst-uitdraai op de juiste grondslagen is gebaseerd, zodat geen van partijen in de bewijslast is geslaagd. De rechtbank verwijst naar het hetgeen is overwogen onder 2.19 hiervoor.

Auto 9

2.25.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan waarbij zij gebruik heeft gemaakt van een koerslijst van AutotelexPro. Deze vermeldt een netto catalogusprijs van € 46.750. Vermeerderd met 21% btw en een bruto Bpm bedrag van € 8.416 leidt dit tot een historische nieuwprijs van € 64.983. De berekening die belanghebbende in haar pleitnota heeft gemaakt komt uit op een ander bedrag en is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. De koerslijst die bij de aangifte is gevoegd gaat voorts uit van een historische nieuwprijs (na correctie kosten rijklaar maken) van € 64.207.

2.26.

De inspecteur, die de bewijslast heeft, is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een koerslijst van Eurotaxglass’s die, naar de rechtbank begrijpt, eveneens door belanghebbende bij de aangifte is gevoegd. De rechtbank stelt vast dat de daarop vermelde opties niet zijn na te gaan zodat, gelet op de betwisting van belanghebbende over de juistheid van de nieuwprijs, de inspecteur daarmee niet aan zijn bewijslast heeft voldaan.

2.27.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende eveneens niet aan haar bewijslast voldaan, aangezien de netto catalogusprijs leidt tot een historische nieuwprijs die afwijkt van de gegevens van de koerslijstuitdraai. De rechtbank acht deze derhalve ook niet bruikbaar, aangezien een onderbouwing ontbreekt van de door haar voorgestane historische nieuwprijs.

2.28.

Geen van de partijen heeft voor deze auto aannemelijk gemaakt dat de overgelegde koerslijst-uitdraai op de juiste grondslagen is gebaseerd, zodat geen van partijen in de bewijslast is geslaagd. De rechtbank verwijst naar het hetgeen is overwogen onder 2.19 hiervoor.

Bijlage met cijfermatig overzicht

2.29.

Voor een cijfermatig overzicht van de hiervoor gegeven oordelen van de rechtbank omtrent de nieuwprijzen verwijst de rechtbank naar tabel 1 in de bijlage bij deze uitspraak. De oordelen hierna hebben steeds betrekking op de handelsinkoopwaarde.

Bpm (geschilpunt 4): Dient een correctie te worden toegepast op de koerslijstwaarde als de koerslijst uitgaat van het waardeverloop van een btw-auto? (auto 8)

2.30.

Belanghebbende stelt in haar beroepschrift dat voor auto 1, 2, 4 en 7 de handelsinkoopwaarde dient te worden verminderd met een correctie btw/marge aangezien de koerslijst van Eurotaxglass’s enkel uitgaat van btw-auto’s. Voorts dient deze correctie geen 5% maar 8% te bedragen aangezien de koerslijst van Xray ook uitgaat van 8%, aldus belanghebbende.

2.31.

In haar pleitnota heeft belanghebbende haar stelling aangepast in die zin dat indien bij de aangifte gebruik is gemaakt van een koerslijst van Eurotaxglass’s, geen correctie op de handelsinkoopwaarde meer plaats hoeft te vinden aangezien de koerslijst van Eurotaxglass’s wel uitgaat van marge-auto’s. Voor de gevallen waarin bij de aangifte de handelsinkoopwaarde is vastgesteld aan de hand van een koerslijst van AutotelexPro dient nog wel een correctie btw/marge plaats te vinden, aldus belanghebbende.

2.32.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij het aan het oordeel van de rechtbank overlaat op welke auto’s haar stelling naar de huidige stand van het partijdebat nog betrekking heeft.

2.33.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Belanghebbende heeft voor auto 1, 2, 8, 9 en 10 aangifte gedaan waarbij zij gebruik heeft gemaakt van een koerslijst van AutotelexPro. Voor auto 4 en 7 heeft zij bij de aangifte gebruik gemaakt van een koerslijst van Eurotaxglass’s.

2.34.

Volgens de pleitnota van belanghebbende zou dit geschilpunt, voor zover de rechtbank uit de stukken af kan leiden, van toepassing zijn op auto 2, 8 en 10 omdat voor deze auto’s aangifte is gedaan waarbij een koerslijst van AutotelexPro is gebruikt en belanghebbende voor deze auto’s niet is geswitcht naar een koerslijst van Eurotaxglass’s zoals voor auto 1 en 9 wel het geval is. Voor auto 10 is voorts in geschil of belanghebbende een beroep kan doen op de koerslijst van Xray. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen hierna wordt overwogen onder 2.49.

2.35.

Voor auto 8 heeft belanghebbende zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat zij alsnog een koerslijst van Eurotaxglass’s wil inbrengen. De rechtbank heeft dit niet toegestaan. De redenen daarvoor zijn als volgt. Ter zitting heeft de inspecteur gemotiveerd gesteld dat hij in zijn procespositie is geschaad omdat belanghebbende deze koerslijst niet eerder heeft ingebracht. De rechtbank acht dit belang van zwaarder gewicht dan het belang dat belanghebbende heeft bij inbreng van deze koerslijst. Daar komt bij dat belanghebbende er vooraf van in kennis is gesteld dat, gelet op de maatregelen rondom het Coronavirus, er ter zitting geen stukken mogen worden overgelegd. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de zaak aan te houden nu belanghebbende niet gemotiveerd heeft gesteld waarom deze koerslijst niet eerder is ingebracht. De stukken zijn om die reden geweigerd. Ook de ter zitting mondeling verstrekte informatie over de handelsinkoopwaarde baat belanghebbende niet, omdat tegenover de betwisting door de inspecteur, aan die informatie onvoldoende bewijskracht toekomt. Aangezien belanghebbende voor auto 8 aangifte heeft gedaan met een koerslijst van AutotelexPro ziet deze stelling daarom ook op auto 8.

2.36.

De rechtbank concludeert dat deze stelling in beginsel derhalve ziet op auto 2, 8 en 10. In het voorgaande (zie rechtsoverweging 2.17 tot en met 2.19) heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat voor auto 2 de door beide partijen ingebrachte koerslijsten niet als onderbouwing kunnen dienen, zodat deze stelling dan alleen nog ziet op auto 8 en 10. Voor auto 10 wordt de koerslijst van Autotelexpro van belanghebbende verworpen (zie 2.13 hiervoor). Ook de switch naar de koerslijst van Xray baat belanghebbende niet (zie 2.49 hierna).

2.37.

Daarmee resteert dit geschilpunt enkel nog voor auto 8. In de bezwaarfase heeft de inspecteur voor auto 8 reeds een vermindering van 5% op de handelsinkoopwaarde wegens de correctie btw/marge verleend. Voor een verdere vermindering bestaat geen aanleiding. De rechtbank verwijst hiervoor naar ro 2.57 en 2.58 van haar uitspraak van 14 mei 2020. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om anders te oordelen. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de tabel toegepast voor auto 8. Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld is er geen aanleiding om daarvan af te wijken, zodat de rechtbank van deze tabel zal uitgaan.

2.38.

Voor een koppeling tussen deze stelling en de overige auto’s zijn in het dossier voor het overige geen aanwijzingen te vinden.

Bpm (geschilpunt 5): dient een correctie te worden toegepast op de koerslijstwaarde als een koerslijst uitgaat van het waardeverloop van een officieel ingevoerde auto terwijl de auto van belanghebbende parallel is ingevoerd?

(alle auto’s)

2.39.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op de vastgestelde handelsinkoopwaarde een correctie moet worden toegepast vanwege het feit dat de gehanteerde koerslijsten zijn gebaseerd op officieel geïmporteerde auto’s en dus geen rekening houdt met de omstandigheid dat de onderhavige auto’s parallel zijn geïmporteerd. De correctie bedraagt volgens belanghebbende 5% van de handelsinkoopwaarde, die volgt uit, zoals de rechtbank uit de stukken begrijpt, elke willekeurige koerslijst.

2.40.

De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.6 van de uitspraak van 22 mei 2019 en naar rechtsoverweging 2.19 van de uitspraak van 9 april 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover in de onderhavige zaak anders te oordelen. Hetzelfde heeft te gelden voor de auto’s waarbij gebruik is gemaakt van de koerslijst van Eurotaxglass’s. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 4.11. van de uitspraak van Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 6 december 2018.9

2.41.

Het betoog van belanghebbende ter zitting maakt dit eveneens niet anders. De rechtbank heeft acht geslagen op alle gegevens van de aangiften en alle gedingstukken. De verwijzing ter zitting door belanghebbende naar de bij de aangifte gevoegde berekeningen brengt in het voorgaande geen verandering.

Bpm (geschilpunt 6): kan belanghebbende een beroep doen op de koerslijst van Xray (marge)? (auto 3 en 10)

Auto 3

2.42.

Belanghebbende heeft voor auto 3 aangifte gedaan waarbij de verschuldigde Bpm is bepaald aan de hand van de koerslijst van Xray-marge. De naheffingsaanslag is eveneens opgelegd aan de hand van een koerslijst van Xray. Echter, de inspecteur heeft daarbij de koerslijst Xray-btw gebruikt en niet Xray-marge. De inspecteur heeft daarom aanleiding gezien om de handelsinkoopwaarde in de bezwaarfase alsnog te verminderen met 5% wegens de correctie btw/marge.

2.43.

Anders dan de inspecteur ter zitting heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de inspecteur ligt om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waarom de aangifte van belanghebbende onjuist is en de door haar toegepaste koerslijstberekening de waardevermindering het beste benadert. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daarin niet geslaagd. Dat de vermindering van 5% in de bezwaarfase dezelfde uitkomst geeft als toepassing van de koerslijst van Xray-marge is de rechtbank niet gebleken.

2.44.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de koerslijst van Xray gunstiger is dan de koerslijst van AutotelexPro waarop als subsidiaire stelling in de pleitnota een beroep wordt gedaan. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de koerslijst van Xray bij de aangifte is gevoegd. Zij leidt uit het partijdebat af, dat ook voor deze auto met name in geschil is op welke wijze de opties in de koerslijst moeten worden verwerkt. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen hierover is geoordeeld in rechtsoverweging 2.15.8.

2.45.

Vervolgens ligt de vraag voor of de subsidiaire koerslijst van AutotelexPro kan worden gevolgd die door belanghebbende als bijlage 11A bij de pleitnota is gevoegd. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij met de informatie uit deze koerslijst akkoord gaat. De rechtbank zal daarom van deze koerslijst uitgaan en verwijst voor de bepaling van de rest-Bpm naar tabel 1 van de bijlage bij deze uitspraak.

Auto 10

2.46.

Belanghebbende heeft voor auto 10 aangifte gedaan waarbij de verschuldigde Bpm is bepaald aan de hand van de koerslijst van AutotelexPro. Belanghebbende heeft zich blijkens haar pleitnota subsidiair op het standpunt gesteld dat voor auto 10 uitgegaan moet worden van de koerslijst van Xray.

2.47.

Allereerst is aan de orde of de inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan. De inspecteur heeft ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag een eigen uitdraai van AutotelexPro gemaakt met dezelfde uitgangspunten als belanghebbende, behoudens de herleidingmethode (welke zich uit in een afwijkende datum van import en een afwijkende vervolgberekening). Die afwijkende berekeningen buiten beschouwing latend, moet worden geconcludeerd dat de inspecteur, door in feite een geschoonde berekening in AutotelexPro te maken, in beginsel aan zijn bewijslast heeft voldaan. Vervolgens heeft hij vastgesteld dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel voor belanghebbende gunstiger was en de naheffingsaanslag opgelegd op basis van het afschrijvingspercentage van de tabel.

2.48.

Partijen zijn in de van hen afkomstige stukken over en weer in gegaan op het al dan niet kleven van gebreken aan de koerslijst van Xray voor auto 10. Belanghebbende stelt dat door haar overgelegde koerslijst een actuele koerslijst is en geen historische koerslijst zoals de inspecteur in zijn verweerschrift stelt.

2.49.

De rechtbank stelt vast dat op de koerslijst van Xray die bij de aangifte is gevoegd en waar belanghebbende naar verwijst, twee data staan vermeld. Ten eerste de ‘datum eerste tenaamstelling’ van de auto van 16 januari 2013. Daarnaast staat bovenin achter het automerk diezelfde datum vermeld. Voor het overige kan uit deze koerslijst geen datum worden afgeleid op grond waarvan kan worden geoordeeld dat deze is opgemaakt naar de datum van registratie van de auto. De rechtbank is derhalve van oordeel dat deze koerslijst van Xray buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat de inspecteur voorts door bij de naheffingsaanslag te kiezen voor toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel artikel 110 VWEU onjuist heeft toegepast is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal daarom voor auto 10 uitgaan van de forfaitaire afschrijvingstabel.

2.50.

Voor de bepaling van de rest-Bpm verwijst de rechtbank naar tabel 1 van de bijlage bij deze uitspraak.

Bpm (geschilpunt 7): kan belanghebbende een beroep doen op de correctie ‘bijstelling dealersituatie’ en ‘bijstelling marktsituatie’ bij gebruik van de koerslijst van Eurotaxglass’s?

(auto 1, 4, 7 en 9)

2.51.

Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde van de auto’s waarbij gebruik is gemaakt van de koerslijst van Eurotaxglass’s moet worden gecorrigeerd met ‘bijstelling dealersituatie’ van 5% en ‘bijstelling marktsituatie’ van 10%.

2.52.

De omstandigheid dat de inspecteur van een nadere reactie heeft afgezien, indachtig dat in eerdere zaken de inspecteur met deze correctie heeft ingestemd, moet het afzien van een reactie worden opgevat als een instemming met beide correcties. Dit geldt voor auto 1, 4 en 7. Voor auto 9 heeft de rechtbank reeds onder 2.28 geoordeeld dat de afschrijving in goede justitie zal worden bepaald.

2.53.

Voor de bepaling van de rest-Bpm verwijst de rechtbank naar tabel 1 van de bijlage bij deze uitspraak.

Bpm (geschilpunt 8): kan belanghebbende de inkoopwaarde vaststellen aan de hand van de koerslijstwaarde van een vergelijkbaar voertuig? (auto 6)

2.54.

Belanghebbende heeft voor auto 6, een Ferrari type 488 3.9 GTB HELE, aangifte gedaan waarbij de verschuldigde Bpm is bepaald aan de hand van de koerslijst van Xray. Zij heeft daarbij aangevoerd dat nu de auto niet op de koerslijst voorkomt, dient te worden aangesloten bij een koerslijst van een vergelijkbaar model en heeft vervolgens de koerslijstafschrijving van een Audi R8 toegepast.

2.55.

De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag gesteld dat er geen koerslijst voorhanden is en dat belanghebbende voorts niet heeft gekozen voor een individuele waardebepaling met behulp van een taxatierapport. In dat geval dient de afschrijving plaats te vinden op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.

2.56.

In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur vervolgens de stelling ingenomen dat de auto een handelsinkoopwaarde heeft van € 220.000. Hij heeft contact opgenomen met een Ferrari importeur in Hilversum en geïnformeerd naar de handelsinkoopwaarde van de onderhavige auto.

2.57.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.35 tot en met 2.37 van haar uitspraak van 9 april 2020 en overweegt aanvullend als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat dit type auto al eerder in Nederland is geregistreerd. Belanghebbende heeft ook toegelicht dat er nog 14 Ferrari’s van dit type zijn geregistreerd, maar dat deze exemplaren alle nog in eigendom zijn bij de eerste eigenaren en tevens dat geen van die exemplaren ooit is verhandeld op de Nederlandse markt. De inspecteur heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank dat als vaststaand aanneemt. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de auto niet op de gekozen koerslijst voorkomt. Echter, anders dan belanghebbende bepleit dient in dat geval op grond van artikel 10, lid 8 van de Wet Bpm de afschrijving te worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Indien een taxatierapport niet wordt overgelegd wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, met name in haar nadere stukken, kan niet tot het oordeel leiden dat in afwijking van het wettelijke systeem voor auto 6 een koerslijst van een ander type auto gebruikt kan worden. Deze stelling van belanghebbende berust op een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank verwijst hiervoor mede naar rechtsoverweging 4.6. van de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2020.10 En voorts verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 202011, met dien verstande dat de rechtbank zich ervan bewust is dat dat arrest is verschenen na de sluiting van het onderzoek. De rechtbank ziet in het verschijnen van die uitspraak echter, gegeven het feit dat over de feiten rondom de beschikbaarheid van Ferrari’s in de koerslijst-database geen geschil bestaat, geen reden tot heropening van het onderzoek.

2.58.

Artikel 10, lid 8 van de Wet Bpm bepaalt dat een taxatierapport dient te voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Artikel 8, lid 4 onder b van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 verwijst vervolgens naar Bijlage I. In deze Bijlage I staat onder 3.2 vermeld dat ten behoeve van de waardebepaling van het voertuig de handelsinkoopwaarde van 3 tot 5 referentievoertuigen wordt vermeld. De handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig is de door wederverkopers betaalde inkoopprijs voor een gebruikt motorrijtuig bij koop van een niet-wederverkoper (particulier of ondernemer).

2.59.

Indien belanghebbende wel opdracht had gegeven om een taxatierapport op te laten stellen voor de onderhavige auto had op grond van voormelde Bijlage I, door de betreffende taxateur, gebruik kunnen worden gemaakt van geschikte referentievoertuigen. Nu belanghebbende er niet voor heeft gekozen om een taxatierapport op te stellen ligt deze weg niet open. De verwijzing van belanghebbende in haar nadere stukken naar de werkwijze van de inspecteur maakt dat niet anders. Daarin wordt beschreven dat bij de beoordeling van willekeurige andere auto’s door de Belastingdienst ook is uitgegaan van andere typen en modellen auto’s. Voor zover belanghebbende daarmee bedoelt een beroep op het gelijkheidsbeginsel te doen, slaagt het niet omdat geen sprake is van gelijke gevallen. De vier aangedragen gevallen zijn aangiften met een taxatierapport, welke door de Belastingdienst aan een nader onderzoek zijn onderworpen.

2.59.1.

Indien een taxatierapport wordt opgemaakt door een erkend taxateur, dient die betreffende taxateur ter onderbouwing van de door hem bepaalde waarde te verwijzen naar handelsinkoopwaarden van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen. De taxateur moet dan uit hoofde van zijn expertise op basis van die handelsinkoopwaarden gemotiveerd aangeven welke waarde als uitgangspunt dient voor het te taxeren voertuig.12 Daarbij mag gebruik worden gemaakt van koerslijstinformatie van die referentiemotorrijtuigen.13 En die informatie kan door de inspecteur worden betwist aan de hand van andere koerslijstinformatie.

2.59.2.

Belanghebbende in de onderhavige zaken is importeur. In die hoedanigheid kan belanghebbende, de diplomering van de heer [directeur] als taxateur ten spijt, niet zelf een aan de taxatie gelijke, eigenstandige, berekening van deze exclusieve, niet in een koerslijst voorkomende, auto maken. Dat moet door een onafhankelijke externe taxateur gedaan worden.14 De rechtbank verwijst in dat verband naar de parlementaire geschiedenis:15

“In dit verband is ook van belang dat artikel 8, vijfde lid, van de UR BPM 1992 bepaalt dat de taxateur onafhankelijk en erkend moet zijn. Met het begrip ‘onafhankelijk taxateur’ wordt gedoeld op een taxateur die zich niet direct of indirect bezighoudt met activiteiten die een onaanvaardbare schijn van partijdigheid of afhankelijkheid met zich meebrengen. Van een taxateur wordt verwacht dat hij met zijn expertise en kennis van de relevante markt een deskundige en objectieve schatting maakt wat het motorrijtuig, in de staat waarin het zich op dat moment bevindt, redelijkerwijs zou moeten kunnen opbrengen bij inkoop door een handelaar in Nederland. Daarvoor is een onafhankelijke positie onontbeerlijk. Zo mag een taxateur in de zin van artikel 8, vijfde lid, van de UR BPM 1992 geen deel uitmaken van, en evenmin direct of indirect verbonden zijn aan, een bedrijf dat handelt in gebruikte motorrijtuigen of dat voor eigen klanten of derden BPM-aangiften opmaakt of optreedt als gemachtigde bij bezwaar- en beroepsprocedures.”

2.59.3.

In de beschrijving van de werkwijze van de Belastingdienst door belanghebbende kan dus geen rechtvaardiging worden gevonden voor de keuze van belanghebbende om af te wijken van het wettelijke systeem ter onderbouwing van de rest-Bpm. Belanghebbende is voor auto 6 daarom niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.

2.60.

De inspecteur heeft in de bezwaarfase echter evenmin de juiste methode ter bepaling van de rest-Bpm toegepast. De inspecteur heeft om hem moverende redenen aanleiding gezien om toch een vermindering toe te passen in de bezwaarfase. Ter zitting heeft hij toegelicht dat dit in zoverre een afwijking was van het juridisch kader en dat belanghebbende daar geen rechten aan kon ontlenen maar moest worden gezien als een tegemoetkoming aan belanghebbende.

2.61.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide partijen niet van de juiste methode uitgegaan ter bepaling van de verschuldigde rest-Bpm. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur niet heeft bedoeld om de handelsinkoopwaarde van € 220.000 als standpunt te verwoorden, maar als een tegemoetkoming aan belanghebbende in de bezwaarfase.

Aangezien de koerslijstmethode niet kan worden toepast en er geen taxatierapport is overgelegd moet het afschrijvingspercentage conform de wettelijke systematiek worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Het afschrijvingspercentage zou voor dat geval moeten worden bepaald op 14%. Omdat belanghebbende echter door het instellen van beroep niet in een ongunstigere positie mag komen neemt de rechtbank de rest Bpm zoals vermeld in de uitspraak op bezwaar tot uitgangspunt.

Bpm (geschilpunt 9): is het afschrijvingspercentage van de forfaitaire afschrijvingstabel juist vastgesteld? (auto 6, 8 en 10)

2.62.

De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm voor auto 6, 8 en 10 vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de afschrijvingen in de forfaitaire afschrijvingstabel te laag zijn en dat daardoor de naheffingsaanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. De onjuistheid bestaat er volgens belanghebbende in dat de tabel mede tot stand is gekomen aan de hand van btw-auto’s in plaats van enkel uit marge-auto’s. Volgens belanghebbende dient de afschrijving met 3% te worden verhoogd. Gelet op deze onjuistheid is volgens belanghebbende de tabel, opgenomen in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling BPM, onverbindend en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.

2.63.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij daarover heeft geoordeeld in rechtsoverweging 2.63 van de uitspraak van 14 mei 2020. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om anders te oordelen.

Bpm: waardevermindering per auto

2.64.

In het voorgaande is de rechtbank ingegaan op alle door partijen ingenomen standpunten betreffende de historische nieuwprijs, zowel algemene stellingen als individueel per auto. Vervolgens is relevant wat de handelsinkoopwaarde is. De algemene stellingen van belanghebbende omtrent de handelsinkoopwaarde zijn in het voorgaande behandeld. In het onderstaande volgt het oordeel van de rechtbank omtrent de handelsinkoopwaarde en de historische bruto Bpm per auto.

2.65.

Voor auto 1, 4 en 7 is in het bovenstaande geoordeeld dat de koerslijst van Eurotaxglass’s moet worden gevolgd, zoals door de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is gebruikt, dus ook voor de handelsinkoopwaarde. Voor zover dit nog niet (volledig) is gebeurd, moet daarbij rekening worden gehouden met een vermindering van de handelsinkoopwaarde met 15% in verband met de correctie bijstelling marktsituatie en dealersituatie (10% respectievelijk 5%, zie 2.52 hiervoor). Voor de bedragen die daaruit voortvloeien, verwijst de rechtbank naar de tabellen in de bijlage.

2.66.

Voor auto 3 gaat de rechtbank, voor zowel de nieuwprijs als de handelsinkoopwaarde, uit van de koerslijst van AutotelexPro van belanghebbende zoals deze bij de pleitnota is gevoegd (zie 2.45). Rekening houdend met een correctie wegens btw/marge van 5% stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde vast op € 41.686. Voor de bedragen die daaruit voortvloeien verwijst de rechtbank naar de tabellen in de bijlage.

2.67.

Voor auto 6 stelt de rechtbank het afschrijvingspercentage aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel vast op 14%. Tussen partijen is niet in geschil dat de historische bruto Bpm kan worden vastgesteld aan de hand van het historische tarief van 2015. De rechtbank berekent de verschuldigde Bpm zoals deze had moeten worden berekend met inachtneming van de omstandigheid dat belanghebbende door het instellen van beroep niet in een ongunstigere positie mag komen. Voor de bedragen die daaruit voortvloeien verwijst de rechtbank naar de tabellen in de bijlage.

2.68.

Voor auto 8 en 10 geldt dat ook met inachtneming van de hiervoor gegeven oordelen toepassing van de afschrijvingstabel nog steeds het meest gunstig is voor belanghebbende zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Voor de bedragen die daaruit voortvloeien verwijst de rechtbank naar de tabellen in de bijlage.

2.69.

Met betrekking tot auto 2, 5 en 9 is in het bovenstaande geoordeeld dat de nieuwprijs niet uit de door partijen overgelegde stukken kan worden afgeleid. Dat geldt om dezelfde redenen als voor de nieuwprijs, ook voor de handelsinkoopwaarde. In dit geval leidt dat tot de vaststelling van een afschrijvingspercentage in goede justitie.16 Dat geldt ook voor het bedrag van historische bruto Bpm voor auto 2. Het bedrag van de historische bruto Bpm is niet in geschil voor auto 5 en 9.

2.70.

Al hetgeen met betrekking tot auto 2, 5 en 9 is aangevoerd tegen elkaar afwegende stelt de rechtbank het afschrijvingspercentage in goede justitie vast op respectievelijk 88,20%, 43,41% en 49%. De historische bruto Bpm voor auto 2 stelt de rechtbank in goede justitie vast op € 63.000. Voor de bedragen die daaruit voortvloeien verwijst de rechtbank naar de tabellen in de bijlage.

2.71.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 202017 voor auto 1, 5 en 6 het historische tarief mag worden toegepast. Belanghebbende heeft de bedragen aan historische bruto Bpm met inachtneming van het historische tarief vermeld in de rekenoverzichten die bij de pleitnota zijn gevoegd. Nu deze bedragen aan historische bruto Bpm door de inspecteur niet zijn bestreden, zal de rechtbank daarvan uitgaan.

Bpm: vermindering naheffingsaanslag

2.72.

Naar aanleiding van al het vorenstaande dient de naheffingsaanslag, bij uitspraak op bezwaar al verminderd tot € 42.318, verder te worden verminderd met € 14.804 tot een bedrag van € 27.514. Voor de afzonderlijke elementen van dat bedrag verwijst de rechtbank naar tabel 2 in de bijlage bij deze uitspraak.

Vergoeding van immateriële schade

2.73.

Belanghebbende heeft in haar pleitnota voor de behandeling voor de enkelvoudige kamer op 9 september 2020 een verzoek gedaan om toekenning van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift op 6 januari 2017 door de inspecteur is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 13 januari 2021 gedaan en dus afgerond 49 maanden na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Nu er geen reden is om van dit uitgangspunt af te wijken, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 25 maanden.

2.74.

De rechtbank overweegt dat het hier gaat om één naheffingsaanslag. De omstandigheid dat nageheven wordt ter zake van tien auto’s, maakt – anders dan belanghebbende betoogt – niet dat sprake is van aanspraak op tien maal een afzonderlijke schadevergoeding. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat – als gevolg van interne registratierichtlijnen, die op de interne financiering betrekking hebben – administratief bij de rechtbank tien zaaknummers zijn aangemaakt. Aangezien sprake is van één naheffingsaanslag, is sprake van één zaak. Gelet hierop geldt eenmaal het tarief van € 500 per half jaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft dan recht op een vergoeding van immateriële schade van afgerond 5 x € 500 is € 2.500. Ter zitting heeft belanghebbende betoogd dat dit bedrag verdubbeld moet worden vanwege de lange duur van de procedure en de gevolgen daarvan op haar bedrijfsbeslissingen. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat dit voort het eerst ter zitting is gedaan en derhalve in strijd komt met de goede procesorde. Voorts heeft belanghebbende onvoldoende gesteld om het verzoek te kunnen beoordelen. Voor heropening van het onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding, nu belanghebbende daar niet om heeft verzocht en ook overigens niet is gebleken dat belanghebbende redelijkerwijs niet eerder dan ter zitting hiertoe kon verzoeken.

2.75.

Voor de verdeling van de schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de Minister voor Rechtsbescherming (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 17 november 2017. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 11 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 5 maanden is overschreden. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. De inspecteur dient daarom 5/25e deel van € 2.500 te betalen (€ 500) en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) 20/25e deel van € 2.500 (€ 2.000). De rechtbank merkt de Minister voor Rechtsbescherming in zoverre mede aan als partij in dit geding.

3 Proceskosten

3.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Verder heeft de inspecteur terecht een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van één zaak (zie 2.74) en ziet daarom geen aanleiding een factor in aanmerking te nemen wegens samenhang.

3.2.

De proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna; Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.602 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter beide zittingen met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

3.3.

De rechtbank ziet geen gronden voor een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur heeft voor deze zaken niet met de door belanghebbende bepleite wegingsfactor 2 ingestemd. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ook geen aanleiding om een hogere wegingsfactor dan 1 toe te passen. Dat oordeel behoeft geen motivering.

3.4.

De rechtbank verwerpt het betoog van de inspecteur ter zitting, dat aanleiding bestaat tot aanpassing naar beneden van de forfaitaire bedragen van het Besluit en diens verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 15 januari 2019.18 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het toepassen van de uitgangspunten van het Besluit zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten voor rechtsbijstand ver overtreft.

3.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en de werkelijke proceskosten. De rechtbank stelt voorop, dat de proceskostenvergoeding krachtens artikel 8:75 van de Awb vastgesteld wordt op een forfaitair bedrag, te bepalen volgens de regels zoals opgenomen in het Besluit. Slechts in bijzondere omstandigheden kan, blijkens artikel 2, lid 3, van het Besluit, van het forfait worden afgeweken. De rechtbank ziet geen aanleiding om die uitzondering hier toe te passen. Dat oordeel behoeft evenmin nadere motivering.

3.6.

Belanghebbende heeft tevens verzocht om vergoeding van de reiskosten (€ 31,22) en verletkosten (€ 659,33) voor het bijwonen van de zitting. Ter zitting heeft de inspecteur met deze kosten ingestemd, met uitzondering van het door belanghebbende bepleite uurtarief van € 86 voor de aan de zitting bestede tijd door haar directeur, de heer [directeur] . Nu partijen het over het uurtarief niet eens zijn, moet de rechtbank daarover een oordeel geven. Die vergoeding vindt plaats naar een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen de € 7 en € 88 bedraagt.19 Belanghebbende heeft het gestelde uurtarief niet nader onderbouwd. De inspecteur heeft echter niet bepleit wat het uurtarief zou moeten zijn. De rechtbank stelt het uurtarief in redelijkheid vast op € 50 per uur.20 Daarvan uitgaande stelt de rechtbank de verletkosten vast op € 383,33.

3.7.

De totale vergoeding voor de in de beroepsfase gemaakte kosten bedraagt dan afgerond € 2.017. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur een kostenvergoeding voor in de bezwaarfase gemaakte kosten toegekend van € 492. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank dat bedrag juist. In zoverre is het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 13 januari 2021 gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Tabel 1

Methode ter bepaling historische nieuwprijs, historische Bpm en handelsinkoopwaarde oordeel Rb

Historische nieuwprijs

Handels- inkoopwaarde

Afschrijvings- percentage

Historische bruto-Bpm

Rest-Bpm

Auto 1

Eurotaxglass’s inspecteur

79.443

31.058

60,91%

16.555

6.471

Auto 2

Goede justitie

nvt

nvt

88,20%

63.000

7.434

Auto 3

AutotelexPro belanghebbende

65.930

41.686

36,77%

8.811

5.571

Auto 4

Eurotaxglass’s

207.200

90.636

56,26%

63.751

27.884

Auto 5

Goede justitie

nvt

nvt

43,41%

31.201

17.656

Auto 6

Tabel

nvt

nvt

14%

47.259

40.642

Auto 7

Eurotaxglass’s inspecteur

70.653

35.328

50%

13.761

6.880

Auto 8

Tabel

nvt

nvt

71,416%

20.638

5.899

Auto 9

Goede justitie

nvt

nvt

49%

8.416

4.292

Auto 10

Tabel

nvt

nvt

59,497%

24.791

10.041

Tabel 2

Rest-Bpm

na uitspraak op bezwaar

Rest-Bpm oordeel rechtbank (A)

Extra leeftijds-

korting (B)

Reeds op aangifte betaalde Bpm (C)

Sub-

totaal

(D)

(=A-B-C)

Naheffings-aanslag na uitspraak op bezwaar (E)

Verschil

(=E-D)

Auto 1

7.715

6.471

115

4.692

1.664

3.023

1.359

Auto 2

7.546

7.434

nvt

4.422

3.012

3.124

112

Auto 3

5.956

5.571

nvt

5.483

88

473

385

Auto 4

32.589

27.884

821

23.135

3.928

9.454

5.526

Auto 5

20.819

17.656

nvt

16.664

992

4.155

3.163

Auto 6

42.239

40.642

1.182

27.887

11.573

14.352

2.779

Auto 7

7.975

6.880

147

7.066

021

909

909

Auto 8

5.899

5.899

86

3.543

2.270

2.356

86

Auto 9

4.570

4.292

nvt

3.985

307

585

278

Auto 10

10.041

10.041

207

6.154

3.680

3.887

207

Totaal

145.349

132.770

2.558

103.031

27.514 22

42.318

14.804

1 ECLI:NL:HR:2017:45 en ECLI:NL:HR:2017:76

2 Voor de opbouw van dit bedrag: zie tabel 2, van de bijlage bij deze uitspraak

3 ECLI:NL:HR:2020:821

4 ECLI:NL:RBZWB:2019:2371

5 ECLI:NL:RBZWB:2020:1718

6 ECLI:NL:RBZWB:2020:2163

7 Vergelijk Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:29

8 ECLI:NL:HR:2002:AE4811

9 ECLI:NL:GHSHE:2018:5166

10 ECLI:NL:GHSHE:2020:2355

11 ECLI:NL:HR:2020:1666

12 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, bijlage 1, onder 3.2 tot en met 3.4

13 Deze goedkeuring is nadien ook vastgelegd in onderdeel 6.4 van het Besluit van 7 april 2017, BLKB 2017/1135M, Stcrt. 2017, 21206 (Kaderbesluit BPM)

14 Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, 2e gedachtestreepje, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992

15 NvT, Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen, regeling van 30 december 2011, nr. DB 2011/402M, Stcrt. 2011, 22974.

16 vgl. Hof ’s-Hertogenbosch, 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:126, ro. 4.7 en 4.12 en Hof ’s-Hertogenbosch, 30 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:323 ro. 4.6

17 ECLI:NL:HR:2020:821

18 ECLI:NL:GHARL:2019:185

19 Artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit

20 Vgl. HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2082, BNB 2016/215 met noot van F.J.P.M. Haas

21 De naheffing met betrekking tot deze auto kan niet negatief zijn

22 Dit bedrag is € 333 hoger dan volgt uit het subtotaal van A-B-C doordat de naheffing van auto 7 niet € 333 negatief kan zijn.